Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8847

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
09/4376
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8782, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen toepassing bosbouwvrijstelling, nu belanghebbende zelf met het bos niet het bosbedrijf heeft uitgeoefend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/40.19.55
FutD 2011-0730
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/4376

Uitspraakdatum: 2 maart 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Oss,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 25 september 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over het jaar 2005 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 338.032 (aanslagnummer [nummer]V.56.0112).

Zitting

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende [gemachtigden], verbonden aan [belastingadviesbureau] B.V. te Utrecht, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, E.C.P.G.M. Fleskens, vergezeld van de gemachtigden [gemachtigden], verbonden aan [belastingadviesbureau] B.V. te Utrecht, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is op [datum] 2003 opgericht en heeft volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel het volgende doel:

“Het verkrijgen, bezwaren, vervreemden, beheren en exploiteren van registergoederen, zoals landgoederen als bedoeld in de Natuurschoonwet 1928, met daarbij voor wat betreft het beheer en de exploitatie bijzondere zorg voor de op het registergoed aanwezige flora, fauna, bossen, houtopstanden, waterpartijen en opstallen.”

2.2.Belanghebbende werkt samen met haar zustervennootschap [onderneming A] BV om haar doel te verwezenlijken. [onderneming A] BV koopt als gebiedsontwikkelaar landbouwgronden, al of niet met opstallen. Vervolgens regelt zij, in overleg met gemeenten en provincies, een bestemmingswijziging van die gronden. Een deel van de landbouwgronden wordt bestemd als bouwgrond en het overige deel als te ontwikkelen natuurgebied. [onderneming A] BV verricht alle werkzaamheden die nodig zijn om de nieuwe bestemming te verwezenlijken en vraagt in dit verband ook de subsidies aan waar men recht op heeft. Uiteindelijk levert [onderneming A] BV als het ware twee eindprodukten af: nieuw aangelegde natuur enerzijds en bouwlokaties anderzijds.

Het doel van belanghebbende is vervolgens om de door [onderneming A] BV tot natuur ontwikkelde gronden in eigendom te nemen en te beheren tot zich een partij aandient die deze positie wil overnemen. Belanghebbende bezit en beheert in het onderhavige jaar meerdere gronden met bossen.

2.3.[onderneming A] BV heeft in de jaren voorafgaand aan 2005 een aantal percelen landbouwgrond gekocht en heeft vervolgens gezorgd voor bestemmingswijziging tot bosgrond. Het betreft onder meer 48.48.95 hectare, bekend onder de naam “project [X]”. Naar een van de subsidieverstrekkers, het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, heeft [onderneming A] BV zich bij akte van [datum] 2005, verplicht om voor onbepaalde tijd het bos in stand te houden en ervoor te zorgen dat die verplichting ook overgaat op eventuele opvolgende verkrijgers of gebruikers (de zogenaamde “kwalitatieve verplichting”). In 2005 heeft [onderneming A] BV voor een bedrag van € 244.108,17 aan bomen, planten etc gekocht ter zake van het “project [X]”.

2.4. Op [datum] 2005 heeft [onderneming A] BV de hiervoor genoemde grond met bos aan belanghebbende verkocht en geleverd. Het tijdstip van levering is 11.40 uur.

Artikel 7 van de leveringsakte luidt, voor zover van belang:

“Met betrekking tot bekende kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar:

-Een akte van vestiging kwalitatieve verplichting op [datum] 2005………

-…..

Partijen zijn bekend met de inhoud van voormelde akten. Voorzover in bovengenoemde bepalingen verplichtingen voorkomen welke verkoper verplicht is aan koper op te leggen, doet hij dat bij deze en wordt een en ander bij deze door koper aanvaard”

Artikel 8 luidt, voor zover van belang:

“Verkoper behoudt voor zich de subsidieregeling Natuurbeheer 2000…, hetgeen onder meer inhoudt dat verkoper voor een periode van zes jaar, gerekend vanaf [datum] 2005, de beheersverplichting met betrekking tot het verkochte in verband met nieuw bos behoudt.

Partijen vestigen bij deze een kwalitatieve verplichting in de zin van artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek, ten laste van het verkochte en ten behoeve van verkoper, die zulks aanvaardt, inhoudende de verplichting om het beheer zoals hiervoor omschreven te dulden en te laten uitvoeren althans tot gemelde datum, waarna deze kwalitatieve verplichting van rechtswege eindigt en vervalt.”

2.5. Op dezelfde dag, om 12.30 uur, wordt een deel van de grond, 33.73.73 hectare, door belanghebbende geleverd aan [het Waterleidingbedrijf] (hierna: het Waterleidingbedrijf). In de betreffende leveringsakte zijn bepalingen opgenomen die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de in 2.4 vermelde bepalingen. Aan de levering lag een in oktober 2005 aangegane verkoopovereenkomst ten grondslag.

In 2007 is door belanghebbende ruim 8 hectare grond van het “project [X]” verkocht. Het restant heeft belanghebbende nog steeds in eigendom.

2.6.Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende met de verkoop van 33.73.73 hectare grond (hierna: het bos) een voordeel heeft behaald van € 346.556. De winst bestaat met name uit subsidies die ten goede komen aan belanghebbende. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op deze winst de bosbouwvrijstelling, zoals vermeld in artikel 3.11, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, van toepassing is. De inspecteur is van mening dat de bosbouwvrijstelling toepassing mist en dat sprake is van belaste winst.

2.7.Ten tijde dat belanghebbende het bos kocht, stond al vast dat het zou worden doorverkocht aan het Waterleidingbedrijf. De levering van het bos door [onderneming A] BV aan belanghebbende en de levering van het bos door belanghebbende aan het Waterleidingbedrijf hebben aansluitend plaatsgevonden. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat bij belanghebbende sprake was van (een voornemen tot) duurzame exploitatie van het bos, hetgeen inhoudt dat belanghebbende zelf met het bos niet het bosbedrijf heeft uitgeoefend. Mitsdien kan de bosbouwvrijstelling voor de met het bos behaalde voordeel niet verleend worden.

De stelling van belanghebbende dat zij in 2005 met andere percelen bos het bosbedrijf uitoefende en voor die percelen in aanmerking komt voor de bosbouwvrijstelling kan haar niet baten, reeds omdat – zou die stelling juist zijn – zulks niet inhoudt dat belanghebbende met het onderhavige perceel bos het bosbedrijf heeft uitgeoefend. De omstandigheid dat [onderneming A] BV en haar rechtsopvolgers, waaronder belanghebbende en het Waterleidingbedrijf, verplicht zijn het bos voor onbepaalde tijd in stand te houden, leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Tenslotte leidt ook een eventueel al langer bij belanghebbende bestaande koopverplichting van de gronden waartoe het bos behoort niet tot een ander oordeel, nu zodanige verplichting niet de feitelijke uitoefening van het bosbedrijf inhoudt.

2.8.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.9.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. R.W. Otto, rechters, en door de voorzitter ondertekend. De griffier mr. M. van Es-Hinnen is verhinderd het proces-verbaal mede te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 15 maart 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.