Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8246

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10 / 938 Wmo
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

" Aanvraag persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan het primaire besluit. De ingangsdatum moet de datum van de aanvraag zijn in plaats van de dag na de datum van het primaire besluit.".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 938 Wmo

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam persoon],

wonende te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde mr. mr. B.P.A. van Beers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2010 (bestreden besluit), inzake de voorziening huishoudelijke hulp ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Het beroep is behandeld ter zitting van 2 december 2010, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder [naam persoon].

De rechtbank heeft aanleiding gezien deze zaak op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevoegd te behandelen met de zaken met procedurenummers 10/1359 WMO, 10/1360 WMO, 10/1361 WMO en 10/2867 WMO ter zitting van 2 december 2010. Daarbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder [naam persoon].

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de gevoegde zaken gesplitst teneinde in de zaken afzonderlijk uitspraak te doen. In de hiervoor vermelde zaken wordt eveneens heden uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser beschikt over een indicatie huishoudelijke hulp. Deze hulp wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Vanaf 10 maart 2008 bedroeg de omvang van deze hulp 8,5 uur per week.

Eiser heeft op 9 oktober 2009 bij verweerder het verkorte aanvraagformulier Wmo ingeleverd met het verzoek om uitbreiding van de huishoudelijke hulp met een half uur per week om de was te doen.

Verweerder heeft eiser bij brief van 3 december 2009 laten weten de aanvraag te hebben ontvangen.

De Wmo-consulent heeft op 8 december 2009 een huisbezoek bij eiser afgelegd.

Eiser heeft op 7 december 2009 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 9 oktober 2009.

Bij besluit van 9 december 2009, verzonden op 10 december 2009, heeft verweerder eiser met ingang van 10 december 2009 uitbreiding van hulp bij het huishouden toegekend. Eiser komt in aanmerking voor gedurende 9 uur per week hulp bij het huishouden categorie hbh 1 in de vorm van een pgb.

Eiser heeft bij brief van 16 december 2009 aan verweerder laten weten het bezwaar van 7 december 2009 te handhaven en aangegeven waarom hij het niet eens is met het besluit van 9 december 2009.

De hoorcommissie bezwaarschriften van verweerders gemeente (commissie) heeft op 27 januari 2010 advies uitgebracht.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 9 oktober 2009 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Verweerder heeft de bezwaren tegen het besluit van 9 december 2009 ongegrond verklaard. Verweerder heeft voor de motivering verwezen naar voormeld advies van de commissie.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat 10 december 2009 als ingangsdatum van de extra hulp in verband met het verzorgen van de was onjuist is. Deze dient eerder te liggen. Eiser heeft immers tijdens een zitting bij de rechtbank op 7 mei 2009 al aangegeven dat hij hiervoor meer hulp nodig had. Bovendien heeft hij op 9 oktober 2009 (nogmaals) om uitbreiding van de hulp bij het huishouden gevraagd. Eiser vindt het onjuist dat verweerder pas acht weken na het indienen van de aanvraag de situatie is gaan beoordelen en vervolgens die late beoordelingsdatum als ingangsdatum hanteert. Verweerder had er vanaf de datum van de aanvraag rekening mee kunnen houden dat eiser voor extra hulp in aanmerking zou komen. Te meer, nu eisers situatie bij verweerder bekend is. Bovendien is eisers situatie tussen de aanvraag van 9 oktober 2009 en de datum van het toekenningsbesluit van 10 december 2009 niet gewijzigd, zodat ervan uitgegaan kan worden dat eiser ook ten tijde van de aanvraag al recht had op extra hulp.

2.3 Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

De in artikel 5, eerste lid, van de Wmo genoemde regels zijn neergelegd in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Rucphen (Verordening).

In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, van de Verordening is bepaald dat géén voorziening wordt toegekend voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan de datum van het besluit heeft gemaakt;

In het derde lid is bepaald dat het college geen gebruik maakt van de bevoegdheid om de gevraagde voorziening op grond van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel e, te weigeren, indien zij uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven tot het maken van de kosten.

2.4 De rechtbank staat allereerst stil bij de vraag of eiser wel procesbelang heeft. In dat verband heeft eiser ter zitting desgevraagd verklaard dat zijn huishoudelijke hulp tot 10 december 2009 wel extra tijd heeft besteed aan het doen van de was, maar dat hij haar daarvoor niet heeft kunnen betalen. Hij betaalt haar immers steeds het bedrag van het pgb. Aangezien eiser met het toekennen van een half uur pgb voorafgaande aan 10 december 2009 alsnog zijn huishoudelijke hulp zal kunnen betalen voor door haar verrichte werkzaamheden, moet worden geoordeeld dat eiser procesbelang heeft.

2.5 De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht eisers bezwaarschrift van 16 december 2009 niet alleen beschouwd heeft als gericht te zijn tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag, maar ook tegen het besluit van 9 december 2009 tot uitbreiding van de huishoudelijke hulp met een half uur per week vanaf 10 december 2009.

2.6 Eisers beroep is gericht tegen handhaving van de ingangsdatum van de uitbreiding van de huishoudelijke hulp per 10 december 2009.

Eiser heeft aangevoerd dat hij tijdens een zitting bij de rechtbank op 7 mei 2009 reeds gewezen heeft op de noodzaak van de uitbeiding van de huishoudelijke hulp voor het doen van de was en dat hij op 9 oktober 2009 een aanvraag heeft ingediend. Duidelijk is dat dit extra half uur nodig was. Door de trage besluitvorming van verweerder heeft de toekenning eerst per 10 december 2009 plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt dat een opmerking tijdens een zitting bij de rechtbank niet als aanvraag in de zin van art. 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat eiser voor het eerst een aanvraag heeft ingediend op 9 oktober 2009.

Verweerder stelt zich inzake de ingangsdatum 9 oktober 2009 op het standpunt, in navolging van de commissie, dat pas een besluit kan worden genomen als alle gegevens voor de aanvraag zijn beoordeeld. In dit geval is de situatie bij het huisbezoek op 8 december 2009 beoordeeld. Volgens verweerder stond toen de noodzaak van extra hulp pas vast. Bovendien is het niet mogelijk om met terugwerkende kracht vast te stellen of de gevraagde voorziening noodzakelijk was. Voorts wordt ingevolge de Verordening geen voorziening toegekend voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan de datum van het besluit heeft gemaakt. Het was dan ook eisers eigen verantwoordelijkheid om zolang de definitieve indicatie niet vaststond al dan niet kosten te maken voor de extra hulp. Verweerder ziet in de langere beslistermijn geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.

Verweerder stelt voorts dat als de voorziening met terugwerkende kracht was toegekend, dat in het geval van eiser zou betekenen dat er een nabetaling van het persoonsgebonden budget zou moeten plaatsvinden. Dat zou oneerlijk zijn ten opzichte van personen die de hulp bij het huishouden in natura ontvangen. Dan is het met terugwerkende kracht de extra toegekende hulp laten uitvoeren immers niet mogelijk.

De rechtbank overweegt dat in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, van de Verordening dwingend is bepaald dat geen voorziening wordt toegekend voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die voorafgaand aan de datum van het besluit zijn gemaakt.

De rechtbank merkt overigens op dat opvallend is dat in het derde lid wordt gesproken over het niet gebruik maken van deze “bevoegdheid” als vooraf toestemming is gegeven voor het maken van de kosten.

In de toelichting bij artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, is vermeld dat bij de toepassing per geval een afweging dient te worden gemaakt.

De rechtbank overweegt dat het doel van een dergelijke bepaling is om verweerder niet in de positie te brengen dat de noodzaak van de gevraagde voorziening niet meer kan worden beoordeeld. De tekst van de bepaling in verweerders Verordening sluit echter toekenning van een vergoeding uit in alle gevallen dat de kosten reeds zijn gemaakt op het moment van het nemen van een besluit. Daarmee worden ook gevallen uitgesloten waarin de noodzaak van de kosten wel kan worden vastgesteld. De rechtbank wijst er overigens op dat uit de hiervoor vermelde toelichting bij de bepaling blijkt dat het niet de bedoeling is om de bepaling zo dwingend toe te passen.

In het onderhavige geval blijkt uit het rapport dat is opgemaakt naar aanleiding van de aanvraag dat er geen twijfel was over de noodzaak van de kosten. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat ook op 9 oktober 2009 de noodzaak reeds vaststond.

In deze situatie is er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, van de Verordening buiten toepassing te laten en met toepassing van de hardheidsclausule met terugwerkende kracht de gevraagde voorziening met ingang van de datum van aanvraag toe te kennen. In dit geval betekent dit dat alsnog vanaf 9 oktober 2009 een half uur extra pgb voor huishoudelijke hulp dient te worden toegekend.

2.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd ten aanzien van de ingangsdatum van de uitbreiding van de huishoudelijk hulp naar 9 uren per week. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het besluit van 9 december 2009 te herzien en te bepalen dat ingaande 9 oktober 2009 de uitbreiding van de huishoudelijke hulp tot 9 uur per week wordt toegekend.

2.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag. Aangezien eiser met een toevoeging procedeert moeten die kosten worden betaald aan de griffier, waarvoor een acceptgiro zal worden toegezonden.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de ingangsdatum van de uitbreiding van de huishoudelijke hulp is bepaald op 10 december 2009;

verklaart het bezwaarschrift van eiser tegen het besluit van 9 december 2009 gegrond en herziet dit besluit in zoverre dat de ingangsdatum van de uitbreiding van de huishoudelijke hulp alsnog wordt bepaald op 9 oktober 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd;

gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.G.M. Wouters, rechter, en door deze en mr. R.J.Tolner, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: