Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP7970

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
224633 HAZA 10-1770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

risicoaansprakelijkheid van de Staat bij beslag ex artikel 13 WOTS + verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 224633 / HA ZA 10-1770

Vonnis van 16 maart 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.J. van der Knijff,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 december 2010 met alle daarin genoemde stukken;

- de brief d.d. 21 februari 2011 van de zijde van [eiser] met één productie;

- het proces-verbaal van comparitie van 23 februari 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van de Staat tot betaling van Euro 16.651,87 vermeerderd met rente en kosten.

2.2. De Staat voert verweer.

2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. De navolgende feiten staan in rechte vast:

3.1.1. Op 28 juni 2000 heeft de onderzoeksrechter te Antwerpen een rechtshulpverzoek gedaan aan de rechter-commissaris te Breda in verband met een onderzoek naar door [eiser] gepleegde strafbare feiten. Het verzoek strekte tot inbeslagname (blokkering) van tegoeden op een bankrekening. Blijkens het rechtshulpverzoek zou het door [eiser] wederrechtelijk verkregen voordeel op zijn rekening bij de Rabobank te [woonplaats] (Nederland) zijn gestort. Tevens zou [eiser] gelden hebben gestort op een spaarrekening op naam van zijn zoon [kind]. Volgens het verzoek zou [eiser] de naam van zijn zoon gebruiken om de gelden te verbergen.

3.1.2. Op 28 juni 2000 heeft de onderzoeksrechter te Antwerpen in aanvulling op het eerder gedane rechtshulpverzoek medegedeeld dat de gelden voor verbeurdverklaring in aanmerking zouden komen.

3.1.3. Op 29 juni 2000 heeft de rechter-commissaris te Breda het rechtshulpverzoek beoordeeld en conform de vordering van de officier van justitie opdracht gegeven tot inbeslagneming ex art. 13a Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (hierna te noemen: de WOTS).

3.1.4. Blijkens de kennisgeving beslag op vorderingen is op 30 juni 2000 ten laste van [eiser] beslag gelegd onder de Rabobank op:

- rekeningnummer 14.05.23.8267 ten name van [kind] met saldo fl. 27.000,=;

- rekeningnummer 14.05.24.886 ten name van [eiser] met saldo fl. 20,02;

- drie nog te storten cheques met een totale waarde van fl. 26.364,01;

- de inhoud van een nog te doorzoeken bankkluis met nummer 253 ten name van een mede-verdachte van [eiser], mevrouw [mevrouw].

3.1.5. Bij vonnis van 11 oktober 2004 is [Q] door de Belgische rechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van Euro 4.957,87. Daarnaast zijn de tegoeden op de bankrekeningen bij de Rabobank en de drie cheques verbeurd verklaard.

3.1.6. Op 4 maart 2008 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Breda een vordering ingediend om verlof te verlenen voor tenuitvoerlegging van het Belgische strafvonnis van 11 oktober 2004.

3.1.7. De rechtbank Breda heeft bij beslissing van 3 september 2008 de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het strafvonnis afgewezen omdat niet was voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Tegen deze beslissing van de rechtbank heeft de officier van justitie cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

3.1.8. Op 7 november 2009 heeft [eiser] een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend bij de rechtbank Breda waarin hij heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen goederen. Bij beschikking van 18 maart 2009 heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard.

3.1.9. Bij arrest van 30 juni 2009 heeft de Hoge Raad de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep omdat de cassatieschriftuur te laat was ingediend.

3.1.10. Bij brief van 12 oktober 2009 heeft de Rabobank [eiser] in kennis gesteld van het feit dat het Openbaar Ministerie de bank had verzocht het gelegde beslag op te heffen. Tevens gaf de Rabobank in deze brief aan dat over de bedragen geen rente vergoed zou worden omdat de bank niet gerechtigd was de gelden aan te wenden voor commerciële doeleinden.

3.2. [eiser] legt, kort samengevat, aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld nu de beslagen ten onrechte zijn gelegd waardoor hij in de periode van 30 juni 2000 tot 12 oktober 2009 over een bedrag van Euro 25.086,60 rente is misgelopen. Volgens [eiser] is er sprake van een risicoaansprakelijkheid van de beslaglegger, in dit geval de Staat. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat de beslaglegging onnodig lang heeft voortgeduurd en dat de onredelijke vertraging van de procedure voor rekening en risico van de Staat dient te komen.

3.3. Als meest verstrekkende verweer heeft de Staat aangevoerd dat de vordering van [eiser], voor zover deze is gebaseerd op de stelling dat het beslag onrechtmatig is gelegd, is verjaard. Daarnaast betwist de Staat dat sprake is geweest van onrechtmatige inbeslagneming en stelt zij zich op het standpunt dat ten aanzien van strafvorderlijke inbeslagneming geen sprake is van een risico-aansprakelijkheid. Volgens de Staat kan ook niet worden gezegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat te lang met de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen zou zijn gewacht. Tot slot betwist de Staat de hoogte van het gevorderde schadebedrag.

faillissement

3.4. Gezien het vonnis van de Belgische rechter met betrekking tot het opheffen van het faillissement van [eiser] (als productie bij de brief van 21 februari 2011 gevoegd), heeft de Staat haar verweer met betrekking tot de procesbevoegdheid van [eiser] niet langer gehandhaafd. Dit punt behoeft derhalve geen bespreking meer.

verjaring

3.5. De Staat heeft primair aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard nu tussen de datum van inbeslagneming van 30 juni 2000 en de aansprakelijkstelling op 29 oktober 2009 meer dan vijf jaar is verstreken. Het voeren van verweer in de strafrechtelijke procedure kan volgens de Staat niet als een stuiting van de verjaring worden aangemerkt.

3.6. [eiser] heeft hier tegenin gebracht dat zijn verweer in de strafrechtelijke procedure wel als een stuiting van de verjaring kan worden gezien. Daarnaast stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij pas op 12 oktober 2009 bekend is geworden met de schade nu hij op die datum een brief van de Rabobank heeft ontvangen waarin stond vermeld dat over de in beslag genomen bedragen geen rente vergoed zou worden.

3.7. De rechtbank stelt voorop dat de verjaringstermijn bij een rechtsvordering tot schadevergoeding in beginsel vijf jaar is. Deze verjaringstermijn begint te lopen zodra de benadeelde bekend is geworden met de schade en met de aansprakelijke persoon. Daarnaast heeft te gelden dat de vordering in ieder geval verjaart door verloop van twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis.

3.8. Voor zover de vordering van [eiser] ziet op de schade ten gevolge van het beslag op de bankrekeningen, overweegt de rechtbank als volgt. Als onvoldoende betwist is komen vast te staan dat [eiser] er gedurende het beslag vanuit is gegaan dat, bij opheffing van het beslag op de bankrekeningen, over de in beslag genomen gelden rente zou worden uitgekeerd. Pas bij brief van 12 oktober 2009 is [eiser] het tegendeel gebleken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser] pas op 12 oktober 2009 bekend is geworden met de gestelde schade en dat de verjaringstermijn toen pas is gaan lopen. Nu nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds de aanvang van de verjaringstermijn, is de vordering van [eiser], voor zover deze ziet op misgelopen rente over de tegoeden van de bankrekeningen, niet verjaard.

3.9. Dit is anders voor zover de vordering van [eiser] ziet op de misgelopen rente over de in beslag genomen cheques. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] vanaf de datum van inbeslagneming bekend was met het feit dat de tegoeden uit de cheques gedurende het beslag geen rente zouden genereren. Deze gelden waren immers nog niet op een rentegevende spaarrekening gestort. Nu daarnaast als onbetwist is komen vast te staan dat [eiser] op de datum van inbeslagneming ook bekend is geworden met de rechtspersoon die hij in geval van onrechtmatige daad aansprakelijk zou willen houden, concludeert de rechterbank dat de verjaringstermijn met betrekking tot dit deel van de vordering op 30 juni 2000 is gaan lopen. Dit zou betekenen dat meer dan vijf jaar is verstreken sinds de aanvang van de verjaringstermijn. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, waaronder een vordering tot schadevergoeding, kan echter worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Het voeren van verweer in een strafrechtelijke procedure kan -in tegenstelling tot hetgeen door [eiser] is bepleit- niet worden aangemerkt als een stuiting in de zin van voormeld artikel. De vordering van [eiser], voor zover deze ziet op de schade ten gevolge van het beslag op de cheques, wordt dus wel geraakt door het verjaringsverweer. Om deze reden wordt dit deel van de vordering dus reeds afgewezen.

onrechtmatige beslaglegging?

3.10. De vraag die de rechtbank voorts dient te beantwoorden is of de beslagen al dan niet rechtmatig zijn gelegd. [eiser] heeft dienaangaande gesteld dat van het begin af aan duidelijk was dat de feiten waarvan [eiser] werd verdacht en waarvoor hij in België is veroordeeld, in Nederland niet strafbaar waren. Derhalve kon het conservatoire beslag nooit een executoriaal vervolg krijgen en is het beslag dus onrechtmatig gelegd.

3.11. De Staat stelt zich op het standpunt dat de beslagen wel degelijk rechtmatig zijn gelegd. De beslagen zijn volgens de Staat niet in strijd met de wet danwel met veronachtzaming van fundamentele vereisten gelegd. Daarnaast is ook geen sprake van een situatie waarin achteraf is gebleken dat de verdenking op grond waarvan de beslagen zijn gelegd, ten onrechte heeft bestaan. Bovendien heeft de uitvoering van het Belgische rechtshulpverzoek volgens de Staat plaatsgevonden na machtiging van de rechter-commissaris.

3.12. De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat een strafvervolging niet tot een veroordeling leidt, niet tot gevolg heeft dat de Staat de eventuele schade die een strafvorderlijk dwangmiddel tot gevolg heeft gehad, dient te vergoeden. Ten aanzien van de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen bestaat namelijk geen risico-aansprakelijkheid. De Staat kan alleen aansprakelijk worden gehouden voor eventuele schade als het strafvorderlijke dwangmiddel is gelegd ingevolge een bevel dat is verleend in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten. Buiten deze gevallen is toepassing van een dwangmiddel in beginsel rechtmatig, omdat zij wordt gerechtvaardigd door het bestaan van verdenking, dat wil zeggen dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig feit voortvloeit. Dit is slechts anders indien achteraf uit het strafdossier -uit de einduitspraak of anderszins- blijkt dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan.

3.13. Blijkens de processtukken heeft de rechter-commissaris te Breda op 29 juni 2000 het rechtshulpverzoek tot het leggen van conservatoir beslag beoordeeld en heeft de rechter-commissaris vervolgens conform de vordering van de officier van justitie opdracht gegeven tot inbeslagneming ex art. 13a WOTS. In de onderhavige procedure kan niet met vrucht worden betoogd dat de rechter-commissaris een onjuiste beslissing heeft genomen. Dat zou namelijk betekenen dat de burgerlijke rechter zou moeten toetsen of de rechter-commissaris een juiste beslissing heeft gegeven en daaraan staat het gesloten systeem van rechtsmiddelen in de weg. Er is dus met toestemming van de rechter-commissaris rechtmatig beslag gelegd. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de beslaglegging met veronachtzaming van fundamentele vereisten is geschied.

3.14. Voorts is de rechtbank van oordeel dat achteraf niet is gebleken dat de verdenking tegen [eiser] ten onrechte heeft bestaan en dat het beslag om die reden onterecht zou zijn gelegd. Het enkele feit dat de vordering tot tenuitvoerlegging van het Belgische strafvonnis door de rechtbank Breda is afgewezen wegens het ontbreken van een dubbele strafbaarheid, maakt nog niet dat moet worden aangenomen dat de verdenking die aan de beslagen ten grondslag lag ten onrechte heeft bestaan. Uit het feit dat [eiser] door de Belgische rechter is veroordeeld voor de hem ten laste gelegde feiten, blijkt juist dat de verdenking die aan het beslag ten grondslag lag, gefundeerd is geweest. De rechtbank concludeert derhalve dat de beslaglegging niet onrechtmatig is geweest.

beslag onevenredig lang laten voortduren?

3.15. Subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat de onrechtmatigheid van het beslag is gelegen in het feit dat de Staat onevenredig lang heeft gewacht met het opheffen van de beslagen terwijl volgens [eiser] al lange tijd vast stond dat de verbeurdverklaring in Nederland niet ten uitvoer kon worden gelegd.

3.16. De Staat betwist dat zij te lang heeft gewacht met het opheffen van de beslagen. Zij verwijst daarbij naar de beschikking ex artikel 552a Sv van de rechtbank Breda van 18 maart 2009. Hieruit blijkt volgens de Staat dat het beslag mocht voortduren. Daarnaast stelt de Staat zich op het standpunt dat de termijn die was gemoeid met het vragen van verlof tot tenuitvoerlegging niet onredelijk lang is geweest.

3.17. De rechtbank stelt vast dat de periode tussen het veroordelend vonnis van de Belgische rechter en de vordering van de officier van justitie tot het verlenen van verlof voor tenuitvoerlegging van het Belgische strafvonnis, ruim 3,5 jaar beslaat. De rechtbank is echter van oordeel dat deze periode niet onevenredig lang is geweest. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de Staat de tussenliggende periode niet onbenut voorbij heeft laten gaan aangezien het rechtshulpverzoek tot tenuitvoerlegging door de Belgische autoriteiten pas op 3 januari 2005 is gedaan, er daarna nog om aanvullende informatie is verzocht en dat aannemelijk is dat de Staat enige tijd nodig heeft gehad om de zaak te bestuderen alvorens het verzoek tot tenuitvoerlegging van het strafvonnis bij de rechtbank in Breda in te kunnen dienen.

3.18. Voorts kan niet worden geoordeeld dat de Staat gehouden was de beslagen op te heffen voordat de beslissing van de rechtbank Breda van 3 september 2008 onherroepelijk was geworden. Dit blijkt ook uit de beschikking van de rechtbank Breda van 8 maart 2009 waarin de rechtbank het klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ongegrond heeft verklaard. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat geen beslissing tot teruggave kan worden genomen zolang er een rechtsmiddel is aangewend waarop nog geen beslissing is genomen. Het enkele feit dat het cassatieschriftuur te laat zou zijn ingediend, doet daaraan volgens de rechtbank niet af.

3.19. Tot slot is onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom de periode tussen het arrest van de Hoge Raad en de opdracht van de Staat aan de Rabobank om de beslagen op te heffen, onredelijk lang zou zijn geweest. Weliswaar heeft de Rabobank [eiser] bij brief van 12 oktober 2009 in kennis gesteld van het feit dat het Openbaar Ministerie de bank had verzocht het gelegde beslag op te heffen, maar daarmee is niet komen vast te staan wanneer de Staat de Rabobank hiertoe opdracht heeft gegeven.

3.20. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de vordering van [eiser] in zijn geheel dient te worden afgewezen.

3.21. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- vast recht Euro 365,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal Euro 1.269,00

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op Euro 1.269,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.