Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP7559

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
811041-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van een moord in de Tartinistraat in Tilburg. Op grond van het dossier kan niet overtuigend worden vastgesteld dat verdachte heeft geschoten. De verklaringen van de beide getuigen en de daarop gevolgde fotoconfrontaties zijn onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 811041-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [plaats en datum]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Woodrow, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 maart 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Van Aken, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte – al dan niet samen met samen met anderen – op 5 juni 2009 [slachtoffer] heeft vermoord.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft vermoord. Zij gaat ervan uit [slachtoffer] geld tegoed had van verdachte, die [alias] of [alias 2] wordt genoemd, en dat zij ruzie hadden over een kostbare ketting. Gewezen wordt onder meer op verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3 (zus slachtoffer)] Ook wordt gewezen op een briefje dat later op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen waarop de naam Toepe (met vermelding 13.500) geschreven stond en op gsm-verkeer tussen de bij [slachtoffer]r in gebruik zijnde gsm en [alias 2].

Op 5 juni 2009 wordt [slachtoffer] door een kogel dodelijk getroffen. Dit volgt uit technisch onderzoek en uit het sectierapport.

Kort na de schietpartij is een buurtonderzoek gestart. Tijdens dit onderzoek is een groot aantal getuigen door de politie gehoord. De verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] acht de officier van justitie essentieel. Na de aanhouding van verdachte [verdachte] op 8 september 2009 is getuige [getuige 4] een foto van verdachte getoond. Deze heeft toen verklaard dat de persoon op de foto de schutter is geweest. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze enkelvoudige fotoconfrontatie conform het door de politie gehanteerde protocol heeft plaatsgevonden en dat de verklaringen van de getuige [getuige 4] en de fotoconfrontatie betrouwbaar zijn.

De officier van justitie heeft zich verder gebaseerd op de meervoudige fotoconfrontatie die heeft plaatsgevonden met de getuige [getuige 5]. Door deze getuige is verdachte [verdachte] aangewezen. De door [getuige 5] afgelegde verklaringen acht de officier van justitie ook betrouwbaar.

Op basis van het technisch onderzoek, het sectierapport, diverse getuigenverklaringen en de beide fotoherkenningen is de officier van justitie ervan overtuigd dat verdachte de schutter is geweest. Zij voelt zich gesterkt in haar overtuiging door het scenario dat geschetst wordt in een proces-verbaal van bevindingen van de CIE waarin is gerelateerd dat verdachte onenigheid had met [slachtoffer] en dat hij het plan had om hem dood te schieten. Verdachte zou a[voornaam mededader]ededader] gevraagd hebben om [slachtoffer] te bellen met de vraag om naar de plaats te komen waar hij geliquideerd is. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat dit proces-verbaal steun vindt in een aantal getuigenverklaringen, onder meer de verklaring van getuige [g[getuige 6], en in bevindingen met betrekking tot onderzoeken naar het gsm-verkeer rond het tijdstip van de schietpartij. Hieruit volgt dat verdachte kort voor en na de schietpartij telefonisch contact heeft gehad met [voornaam mededade[voornaam[voornaam medeader 2]edader 2].

Ten slotte heeft de officier van justitie gewezen op de proceshouding van verdachte. Hij heeft op een aantal essentiële punten geen verklaring gegeven. De officier van justitie is van mening dat dit zwijgen van verdachte ten nadele van hem in de bewijsoverwegingen mag worden betrokken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daarbij is in de eerste plaats gewezen op het ontbreken van technisch bewijs waaruit betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit afgeleid zou kunnen worden. Wel is er een aantal hulzen gevonden op de plaats delict, echter het daar op aangetroffen DNA-materiaal matcht niet met het DNA van verdachte en [slachtoffer]. Het aangetroffen celmateriaal is van een onbekende man en is volgens de raadsman ontlastend voor verdachte.

Verder is met betrekking tot de gehouden fotoconfrontatie met de getuige [getuige 5] aangevoerd dat geen sprake is van een stellige herkenning van verdachte. Zij heeft de persoon op de foto aangewezen omdat hij zo donker is.

Over deze fotoconfrontatie heeft de getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris verklaard dat zij tegen de politie heeft gezegd dat zij niet zeker was dat die persoon de schutter was. Aangevoerd is dat deze opmerking niet in het proces-verbaal van de politie is opgenomen. Verder is met betrekking tot deze fotoconfrontatie aangevoerd dat deze is gehouden in strijd met de door de Raad van Hoofdcommissarissen vastgestelde “Richtlijnen opsporingsconfrontatie” waarin onder meer is opgenomen dat een getuige niet aangespoord mag worden om tot een herkenning te komen.

Ook aan de fotoconfrontatie met de getuige [getuige 4] kleven naar de mening van de verdediging gebreken nu deze in strijd met de bij de politie in gebruik zijnde “Handleiding confrontatie” is gehouden.

Gewezen is op de verklaring van de getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris waarbij verklaard is dat hij de persoon heeft aangewezen die hij in zijn hoofd had zitten.

Verzocht is de gang van zaken rondom de gehouden fotoconfrontaties te beschouwen als onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dan wel deze als onbetrouwbaar te beschouwen, en in beide gevallen niet te gebruiken voor het bewijs.

Aangevoerd is verder, kort samengevat, dat de getuigen [getuige 6] en [mededader] onder druk zijn gezet door de politie en dat hun verklaringen niet meegenomen mogen voor het bewijs. Ten slotte is aangevoerd dat een aantal ooggetuigen verdachte niet hebben herkend en dat de getuige [getuige 7] met zekerheid een andere persoon als schutter heeft aangewezen.

Geconcludeerd is tot vrijspraak.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 5 juni 2009 is om 17.11 uur bij de meldkamer van de politie het verzoek binnengekomen om een ziekenauto en politie te sturen naar de Tartinistraat in Tilburg. Ter plaatse werd [slachtoffer] aangetroffen. In het ziekenhuis bleek dat hij dodelijk getroffen was door een kogel. Bij sectie is geconcludeerd dat [slachtoffer] door bloedverlies en verstikking door bloedinademing door enkelvoudig schotletsel is overleden.

Kort na de schietpartij is bij de politie informatie binnengekomen via een “Meld Misdaad Anoniem”-melding en via CIE-berichten. Daarbij viel onder meer de naam van verdachte als mogelijke dader van de schietpartij.

Ook werd meteen een groot onderzoek gestart waarbij veel buurtbewoners en aanwezigen bij de schietpartij als getuigen zijn gehoord.

De rechtbank heeft zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat een aantal getuigen onvolledig is geweest bij het afleggen van verklaringen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de getuigen [voornaam] [getuige 4] en [vorrnaam] [getuige 5] van doorslaggevend belang zijn. De rechtbank zal daarom eerst hun verklaringen en de met hen gehouden fotoconfrontaties bespreken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met fotoherkenningen en de bewijskracht daarvan.

De getuige [voornaam] [getuige 4]

Deze getuige is op 5 juni 2009 voor de eerste keer kort gehoord. Tijdens dat verhoor heeft hij verklaard dat hij op 4 juni 2009 getuige is geweest van een ruzie bij een café in de Tartinistraat waarbij ook het slachtoffer was betrokken. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot dit verhoor blijkt niet dat de getuige toen ook heeft verklaard over het schietincident op 5 juni 2009.

Enkele weken later, op 10 augustus 2009, is hij nogmaals gehoord. Verklaard is dat hij op 5 juni 2009 drie knallen hoorde. Hij zag dat er geschoten werd door een hele donkere jongen. Over de donkere jongen verklaarde hij: “Ik ken hem, de hele donkere jongen, ergens van. Ik ken hem van zien, maar ik weet niet hoe hij heet.” en “Ik heb hem na de schietpartij niet meer gezien tot twee weken geleden. Ik zag hem toen op de zondag bij de honkbal. ( …) Ik herkende hem aan zijn houding en manier van lopen.”. Verder verklaarde hij tijdens dit verhoor dat hij kort na de schietpartij [voornaam] ([getuige 6]) heeft gesproken. [voornaam] vertelde hem dat hij zeker wist dat de schutter een Antilliaan was en dat deze had geroepen: “blijf staan, blijf staan swa”.

Op 12 augustus 2009 is [getuige 4] wederom gehoord als getuige. Over de schutter heeft hij verklaard: “Ik herken zijn houding en zijn manier van rennen.” en “Ik herken hem aan zijn lengte, zijn huidskleur, de manier van hoe hij wegrende en de manier hoe hij zijn pet op had.”. Verder is aangegeven dat hij de jongen die hij kent in het verleden twee of drie keer heeft zien rennen. Op de vraag van de verbalisanten om in procenten aan te geven hoe zeker hij is van het feit dat de schutter de jongen is die hij kent, antwoordde hij: “zo’n 80 of 90 procent kan ik geven”. Op de vragen waarom hij geen 100 procent kan geven en of er verschillen tussen zitten, antwoordde hij: “Eigenlijk niet. Omdat die jongen zei: “hij is zeker Antilliaan”. Ik dacht toen, ik ken maar 1 Antilliaanse jongen die met Turken omging en die woont ook in Noord…”.

Na de aanhouding van verdachte is getuige [getuige 4] op 10 september 2009 een foto getoond van de verdachte [naam v[verdachte]] Hem is gevraagd wie dat is. De getuige antwoordde: “Dat is hem. (….) Dat is de schutter.” en “Ik herken hem meteen (…) Ik kan het niet precies uitleggen waarom ik dat weet, maar ik ben voor 100 procent zeker dat dat hem is.”.

Over zijn verklaringen en de gehouden fotoconfrontatie is de getuige [getuige 4] op 24 februari 2010 gehoord door de rechter-commissaris. Verklaard is dat het klopt dat hij bij de politie heeft gezegd dat hij 80 tot 90 procent kan geven. De getuige heeft aangegeven dat hij blijft bij zijn verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd dat hij maar één Antilliaan kent die met Turken omgaat. Verder is aangegeven dat de politie hem heeft gezegd dat zij van anderen hadden gehoord dat de schutter een babyface had.

Bij de rechter-commissaris heeft de getuige vervolgens verklaard dat de man die is neergeschoten met Turken omging en dat de schutter zelf ook met Turken omging. Zo is het gekomen dat hij een link heeft gelegd tussen Turken en de schutter. Toen hij de schutter zag wegrennen had hij alleen het idee dat hij hem bekend voorkwam. De schutter had een pet met klepjes op. Het gezicht van de schutter heeft hij toen niet gezien, aldus de getuige bij de rechter-commissaris.

Door wat hij heeft gezien en de latere verhalen en die verklaring van het gezicht kwam in zijn hoofd de persoon die hij al in zijn hoofd had maar niet voor 100 procent. Door de verhalen die er later bijkwamen werd het voor de getuige 100 procent. Toen hij later ook nog eens het verhaal hoorde over de babyface en dat wat hij al dacht, dacht hij aan een Antilliaanse jongen die met Turken omging. De getuige heeft ten slotte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij vervolgens stuk voor stuk is gaan puzzelen met de gedachten die hij al in zijn hoofd had. Op de vraag waarom hij tijdens de fotoconfrontatie heeft verklaard “Dat is hem”, heeft hij geantwoord dat hij bedoelde dat het de persoon was die hij al in zijn hoofd had zitten, kijkend naar wat hij in zijn hoofd had voor informatie en ook het verhaal over de babyface.

De rechtbank hecht grote waarde aan de verklaring die de getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Verklaard is dat de schutter een pet met klepjes op had en dat de getuige het gezicht van de schutter toen niet heeft gezien. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 4] en de fotoherkenning dient dan ook als uitgangspunt genomen te worden dat [getuige 4] het gezicht van de schutter ten tijde van het schietincident niet heeft gezien. De schutter werd enkel herkend aan zijn houding, de lengte, zijn manier van wegrennen en zijn huidskleur voor zover deze te zien was. De getuige heeft niet uit eigen waarneming kunnen verklaren dat het verdachte is geweest die geschoten heeft op [slachtoffer].

Door hetgeen de getuige na de schietpartij heeft gehoord van [getuige 6] dat het een Antilliaan zou zijn, door hetgeen hij heeft gehoord dat de schutter een babyface zou hebben en door de link die hij zelf heeft gelegd doordat zowel [slachtoffer] als verdachte contacten hebben met Turken, is de verdachte aangewezen als de schutter.

De rechtbank acht, gelet op beeld dat de getuige heeft gehad van de schutter en gelet op hetgeen hij daarna heeft gehoord over de schutter, de verklaringen van de getuige [getuige 4] en de daarop gevolgde fotoconfrontatie onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. De rechtbank laat derhalve deze verklaringen en fotoconfrontatie buiten beschouwing.

De getuige [vorrnaam] [getuige 5]

Ook deze getuige is diverse keren gehoord door de politie. Ook heeft met haar een fotoconfrontatie plaatsgevonden.

Op 6 juli 2009 is deze getuige voor de eerste gehoord. Verklaard is dat zij een hele donkere man aan zag komen lopen en dat hij af vanaf een afstand begon te schieten. Gezien werd dat hij in de richting van een man en een auto schoot. Verklaard is dat zij denkt dat zij de man niet terug zou herkennen. De man had een bol gezicht dat aan de onderzijde smal werd.

Op 17 september 2009 heeft zij verklaard dat zij de hele schietpartij heeft gezien en dat het gezicht van de man keidonker was. De pet die de man droeg was heel laag, verder kon ze niets zien. De getuige weet niet of ze de man weer zou herkennen als ze hem tegen zou komen. Diezelfde dag heeft met deze getuige een meervoudige fotoconfrontatie plaatsgevonden. De getuige zijn 10 foto’s getoond. De foto van verdachte [verdachte] was daarbij geplaatst op nummer 7. De getuige heeft toen verklaard: “wat ik denk was het foto nummer 7 omdat hij zo donker is. De andere foto’s vind ik de mannen te licht van huid.”.

Ter aanvulling op haar verklaring tijdens de fotoconfrontatie heeft de getuige op 28 oktober 2009 bij de politie verklaard dat met name de kaaklijn van degene die zij had aangewezen, overeen kwam met hetgeen ze van het gezicht van de schutter had gezien. Andere gezichtskenmerken waren volgens haar niet goed te zien omdat de schutter een baseballcap droeg.

Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris heeft de getuige verklaard dat zij tegen de politie heeft gezegd dat zij eigenlijk geen foto’s wilde zien omdat ze het gezicht van de schutter niet goed had gezien. De politie zou haar toen gezegd hebben dat zij mocht aangeven als zij iemand zag die in de buurt van de schutter kwam. Toen zij de foto’s bekeek heeft zij de persoon met het meest donkere en bolle gezicht aangewezen als degene die het meest in de buurt kwam. Verklaard is dat zij bij het aanwijzen van de foto tegen de politie heeft gezegd dat zij er niet zeker van was dat die persoon de schutter was. Als zij dat toen zeker had geweten, dan had zij dat ook gezegd.

Uit deze fotoconfrontatie kan naar het oordeel van de rechtbank alleen worden vastgesteld dat de schutter lijkt op de verdachte omdat de persoon op de foto de meest donkere huidskleur heeft.

De rechtbank acht de verklaringen van deze getuige en de naar aanleiding daarvan gehouden fotoconfrontatie onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken.

De overige bewijsmiddelen

Het dossier bevat een aantal aanwijzingen die zouden kunnen wijzen op betrokkenheid van verdachte bij de dood van [slachtoffer].

Door de officier van justitie is gewezen op het motief dat verdachte zou kunnen hebben. Uit het dossier kan inderdaad afgeleid worden dat sprake is geweest van een ruzie over een ketting tussen verdachte en [slachtoffer]. Dit volgt onder meer uit de verklaring van Thea [slachtoffer]r, de verklaring van [getuige 2] en de verklaring van mevrouw [getuige 1]. Ook blijkt dit uit een op 7 mei 2009 verzonden sms-bericht van [getuige 2] aan [slachtoffer].

Verder stelt de rechtbank vast dat kort voor en na de schietpartij telefonisch contact is geweest tussen [slachtoffer] en [mededader 2], tussen [getuige 6] en [mededader], tussen verdachte en [mededader] en tussen [voornaam mededader 2] en [mededader]. Ook kan uit een onderzoek naar mastlocaties vastgesteld worden dat de bij verdachte in gebruik zijnde gsm rond het tijdstip van de schietpartij in de nabijheid van de Tartinistraat in Tilburg is geweest.

De getuige [getuige 6], die de schietpartij heeft gezien, heeft verklaard dat de schutter voor 90 procent op [alias] lijkt.

De getuige [getuige 7] heeft eveneens verklaard dat hij getuige is geweest van de schietpartij. Met hem is ook een fotoconfrontatie gehouden. Verdachte heeft hij hierbij niet herkend.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan weliswaar afgeleid dat [slachtoffer] is vermoord en dat verdachte hierbij mogelijk een rol heeft gespeeld, echter niet overtuigend kan worden vastgesteld dat hij op [slachtoffer] heeft geschoten als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam] vordert een schadevergoeding van € 8.978,00.

Verdachte wordt vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

6 De overwegingen omtrent het beslag.

6.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat deze voorwerpen tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd. Verdachte is weliswaar vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit, maar de rechtbank stelt vast dat wel een strafbaar feit is begaan. Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

6.2 De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen.

7 De toepasselijke wetsartikelen.

De maatregel berust op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 135335, 135337, 78827, 78827a, 78827b, 78846, 78846a, 78846b, 78849 en 78849a;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 182123 en 182136;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde part[slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt de benadeelde part[slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

Voorlopige hechtenis

- heft op de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Schotanus en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is bij vervroeging uitgesproken ter openbare zitting op 14 maart 2011.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Hij op of omstreeks 5 juni 2009 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [initialen]

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op het lichaam van

[initialen] [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht