Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP7325

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
642123 az 11-18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Voorwaardelijk gedaan ontbindingsverzoek toegewezen op grond van dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 642123 AZ VERZ 11-18

beschikking d.d. 8 maart 2011

inzake

de besloten vennootschap HET WITTE PAARD B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Etten-Leur,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. E. Schouten, advocaat te Etten-Leur,

tegen

[verweerder],

wonende te [adres],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. L.F.J. Simonis-De Graaf, advocaat te Breda.

Partijen zullen hierna “Het Witte Paard” en “[verweerder]” worden genoemd.

1. Het verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van 27 juli 2011, met producties;

- het daarop ontvangen verweerschrift, met producties;

- het faxbericht van mr. Schouten van 9 februari 2011, met producties;

- de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling ter zitting van donderdag 10 februari 2011 en de ter gelegenheid van die zitting door mr. Schouten overgelegde pleitaantekeningen;

- het faxbericht van mr. Simonis-de Graaf van 15 februari 2011.

1.2 De inhoud van genoemde stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

Het Witte Paard verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk te ontbinden op grond van gewichtige redenen, primair bestaande in een dringende reden en subsidiair in gewijzigde omstandigheden, zonder toekenning van een beëindigingsvergoeding en met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

[verweerder] voert verweer.

3. De beoordeling

3.1 Vaststaat dat Het Witte Paard, [verweerder], die tenminste tot dan toe in haar hotel werkzaam was als bedrijfsleider, bij brief van 6 september 2010 op staande voet heeft ontslagen. Het ontbindingsverzoek van het Witte Paard is voorwaardelijk gedaan, namelijk voor het geval achteraf (door de bodemrechter) mocht worden vastgesteld dat dit ontslag op staande voet geen stand kan houden en de arbeidsovereenkomst tussen partijen derhalve nog bestaat.

3.2 De geldigheid van het aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet is tussen partijen eerder onderwerp van geschil geweest in een kort geding procedure, die [verweerder] op 26 oktober 2010 bij deze rechtbank tegen Het Witte Paard aanhangig heeft gemaakt. In die procedure (hier bekend onder zaaknummer 627001 VV 10-87) is op 8 december 2010 vonnis gewezen, waarbij de door [verweerder] gevorderde (loon)voorziening is geweigerd. De inhoud van dat vonnis, waarvan een afschrift is aangehecht, wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. Overigens is van dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Op dat beroep is (nog) niet beslist.

3.3 Wat betreft een aantal tussen partijen vaststaande feiten neemt de kantonrechter over de opsomming zoals gegeven in vermeld kort geding vonnis van 8 december 2010. Daaraan wordt in het kader van deze procedure het navolgende toegevoegd:

• De echtelieden [x], eigenaren van Het Witte Paard, hebben meerdere hotels in de regio, waaronder het Trivium Hotel&Spa in Etten-Leur (nader “het Trivium”).

• [verweerder] is oorspronkelijk bij Het Witte Paard in dienst getreden als afwasser en is opgeklommen tot bedrijfsleider, in welke functie hij per 1 december 2007 bij Het Witte Paard is gestart.

• Op 24 augustus 2010 is aan [verweerder] kenbaar gemaakt dat hij per 1 september 2010 zou worden overgeplaatst naar het Trivium in de functie van Restaurantchef.

• Eenendertig augustus 2010 was de laatste werkdag van [verweerder] bij Het Witte Paard; zijn dienst zou die dag rond 23.00 uur eindigen.

• Na sluitingstijd heeft tot diep in de nacht een borrel/samenzijn plaatsgevonden, waarbij [verweerder] aanwezig was.

• De volgende dag, 1 september 2010, is [verweerder] op non-actief gesteld, waarna hij bij brief van 6 september 2010 op staande voet is ontslagen.

• In de ontslagbrief wordt [verweerder] in essentie verweten, dat hij zonder toestemming en in strijd met de huisregels, na afloop van de werkzaamheden, een borrel heeft toegelaten waarbij -op kosten van Het Witte Paard- (veel) drank is genuttigd en waarbij vele A-4tjes en viltjes zijn opgehangen en weggelegd verspreid door het pand met daarop onacceptabele -door de eigenaren [x] als kwetsend, beledigend en bedreigend ervaren- teksten.

• [verweerder] heeft de nietigheid van het hem gegeven ontslag ingeroepen en in -eerder vermeld- kort geding doorbetaling van loon gevorderd, met de uitkomst als hiervoor weergegeven.

3.4 Het Witte Paard heeft aan haar verzoek primair hetzelfde feitencomplex ten grondslag gelegd als eerder tot het ontslag op staande voet aanleiding heeft gegeven. Volgens Het Witte Paard zijn daarenboven aan het incident, dat zich heeft voorgedaan in de nacht van 31 augustus op 1 september 2010, meerdere incidenten voorafgegaan.

Subsidiair heeft zij gesteld, dat door de gedragingen van [verweerder], die als bedrijfsleider verantwoordelijk was voor de gang van zaken in het hotel en een voorbeeldfunctie had, ieder vertrouwen in hem en daarmee in een vruchtbare samenwerking is komen te vervallen.

3.5 [verweerder] stelt daartegenover, dat de gebeurtenissen in de nacht van 31 augustus op 1 september moeten worden geplaatst in het licht van de bijzondere omstandigheden van die avond. Gezien die omstandigheden, alsook zijn goede, althans in ieder geval voldoende functioneren, ontbreekt in zijn visie een dringende reden voor ontbinding. Temeer nu volgens hem geen sprake is van een reeks van incidenten, waarvan de nacht van 31 augustus/1 september de zogenoemde druppel zou zijn. [verweerder] heeft voorts een (her)start bij het Trivium hotel niet uitgesloten geacht. Indien niettemin zou worden besloten tot toewijzing van het ontbindingsverzoek verzoekt hij aan die ontbinding een vergoeding ten gunste van hem te verbinden van € 13.306,32 bruto.

3.6 Vooropgesteld wordt, dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met een verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.7 Onweersproken is dat de gedragingen, die [verweerder] in de ontslagbrief van 6 september 2010 in essentie zijn verweten, zijn verricht: in de bewuste nacht van 31 augustus op 1 september 2010 is na sluitingstijd een borrel/samenzijn georganiseerd, in de visie van [verweerder] ter gelegenheid van zijn afscheid bij Het Witte Paard; voor die borrel was geen toestemming gevraagd en/of verkregen van de eigenaren [x]; tijdens de borrel, die tot de vroege ochtend heeft geduurd, is (veel) drank genuttigd en zijn A-4tjes en viltjes beklad met teksten, die nadien zijn opgehangen, een en ander in aanwezigheid van [verweerder]. Anders dan [verweerder] meent, vinden die gedragingen geen rechtvaardiging in de emoties van die avond. Hoewel de overplaatsing van [verweerder] naar het Trivium door zijn collega’s is opgevat als een vertrek en die overplaatsing voor hen wellicht onverwacht kwam, heeft [verweerder] gaandeweg -mede uit het functioneringsverslag van 5 januari 2009- kunnen en moeten begrijpen dat die overplaatsing werd ingegeven door het feit, dat de functie van bedrijfsleider voor hem (nog) te hoog gegrepen bleek, temeer nu hij de doelstellingen, die voor hem en Het Witte Paard waren bepaald in het kader van een traject dat begin 2010 voor alle MT-leden was gestart onder leiding van Perficio adviseurs, per 1 juli 2010 niet -volledig- had behaald. Juist gelet op de hem niettemin geboden kans zijn dienstverband voort te zetten als restaurantchef bij het Trivium had het functioneren van [verweerder] nadien tot geen enkele klacht behoren te leiden. Temeer niet, nu -onweersproken- eerder sprake is geweest van een incident met [verweerder], zij het toen met betrekking tot hotelkamergebruik en hem reeds in 2004 ter gelegenheid van een beoordelings/functioneringsformulier is gezegd: “let op je drinken”.

3.8 Desondanks heeft [verweerder] niet ingegrepen op de borrel, die buiten medeweten van de eigenaren [x] om, op 31 augustus 2010 na sluitingstijd voor hem was georganiseerd in Het Witte Paard. Dat [verweerder] op dat moment zijn laatste werkdag als bedrijfsleider had afgesloten en daardoor formeel gezien geen bedrijfsleider meer was, doet er niet aan af, dat hij door zijn collega’s feitelijk nog wel als zodanig werd gezien en dat hij had kunnen en moeten ingrijpen. [verweerder] was immers -onbetwist- bekend met de huisregels van Het Witte Paard. Hij wist dat het op grond van die regels niet was toegestaan om langer dan een half uur na sluitingstijd aanwezig te zijn en (alcoholische) drank te nuttigen en dat bij die regels is bepaald, dat overschrijding van enige huisregel -in zijn algemeenheid- een ontslagreden kan geven.

Niet alleen heeft [verweerder] niet ingegrepen toen door de collega’s meer dan het gebruikelijke en toegestane sluitdrankje werd genuttigd -zoals volgens hem in de praktijk wel eens vaker gebeurde-, maar hij is -onbetwist- zelf -met enkele andere collega’s- blijven “hangen” tot de vroege ochtend 5.30 uur. Daarbij is hij -naar hij ter zitting heeft erkend- in de loop van de nacht, kennelijk om zich emotioneel te kunnen uiten, gestart met het beschrijven van bierviltjes, waarmee hij ook voor anderen de aanzet heeft gegeven tot het bekladden van die viltjes en A4-tjes (alsook van sinaasappels en wijnflessen) met teksten, die van kwaad tot erger zijn geworden. De daarop verschenen teksten als “HWP (“Het Witte Paard”, ktr.) RIP” en “JKF” (Jan Karel [x], ktr.) met symbolen als doodshoofdjes hoeft een werkgever niet te dulden, temeer niet als deze -zoals in dit geval- verspreid door een hotel worden aangetroffen door een ontbijtploeg, die er slechts ternauwernood voor heeft kunnen zorgen dat alles opgeruimd was, voordat de eerste hotelgasten vanaf 6 uur naar beneden kwamen voor het ontbijt.

3.9 Hoewel [verweerder] onderkent, dat hij zich in de nacht van 31 augustus op 1 september 2010 niet heeft gedragen als van een onberispelijk werknemer mag worden verwacht, acht hij een ontbinding op de primaire grondslag een te zware sanctie. De erkende gedragingen, bezien in onderling verband en tegen de achtergrond van de in deze overigens vaststaande feiten en omstandigheden, kunnen echter niet tot een ander oordeel leiden dan dat sprake is van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst tussen partijen onmiddellijk te beëindigen, voor zover die overeenkomst niet al is beëindigd door het ontslag op staande voet van 6 september 2010. Dat de gedragingen van andere collega’s die nacht niet met een ontslag op staande voet zijn gesanctioneerd, doet aan dit oordeel niet af, nu -nog daargelaten dat enkel deze zaak ter beoordeling voorligt- reeds de functie van [verweerder] en de omstandigheden waarin hij verkeerde een afwijkende beslissing rechtvaardigt.

De -voorbeeld-functie die [verweerder] binnen Het Witte Paard had, brengt voorts met zich, dat voor zover [verweerder] al niet zelf actief zou hebben deelgenomen aan de verspreiding van de beschreven bierviltjes en A4-tjes door het restaurant van het hotel, hij daarvoor tenminste -mede- verantwoordelijk kan worden gehouden. Bovendien stond die verspreiding niet op zich, maar was deze een uitvloeisel van het beschrijven van die viltjes en A4-tjes, waartoe -zoals opgemerkt- [verweerder] het startsein heeft gegeven.

3.10 Nu de ontbinding -voorwaardelijk- wordt toegewezen op de primaire grondslag, behoeft de subsidiair aangevoerde grondslag niet meer beoordeeld te worden en kan niet meer worden toegekomen aan de vraag of een vergoeding naar billijkheid aan [verweerder] toegewezen kan of moet worden. Overigens had een beoordeling van die subsidiaire grondslag evenmin tot een door [verweerder] gewenst resultaat geleid, nu Het Witte Paard -terecht- ieder vertrouwen in een vruchtbare samenwerking met [verweerder] is verloren en voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] in aanmerkelijke mate debet is aan het ontstaan van die vertrouwensbreuk.

4. Proceskosten

[verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze arbeidsovereenkomst nog mocht blijken te bestaan, wegens gewichtige redenen met ingang van de dag na heden, 9 maart 2011;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van dit geding aan de zijde van Het Witte Paard gevallen en tot op heden begroot op

€ 506,--, waaronder begrepen € 400,-- aan salaris voor de gemachtigde van Het Witte Paard.

Deze beschikking is gegeven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2011 door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.