Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP6468

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
10/2700
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking inlenersaansprakelijkheid onterecht nu schoonmaakwerkzaamheden niet onder toezicht

of leiding van belanghebbende hebben plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 718
V-N 2011/24.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/2700

Uitspraakdatum: 11 februari 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 21 mei 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking aansprakelijkstelling van 13 maart 2009 (beschikkingnummer [nummer].AS.18061).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan MOS Accountants & Adviseurs te [woonplaats], alsmede namens de ontvanger, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de beschikking aansprakelijkstelling;

-veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 874;

-gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 298 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende verricht haar werkzaamheden vanuit een kantoorpand. Voor de schoonmaak van het kantoorpand heeft belanghebbende onder meer in de periode 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2008 gebruik gemaakt van de diensten van [schoonmaakbedrijf X] B.V. voorheen [schoonmaakbedrijf Y] B.V. (hierna: [schoonmaakbedrijf Y]). De schoonmaakwerkzaamheden werden buiten kantoortijd verricht. Zeer incidenteel werd vanuit het schoonmaakbedrijf contact met belanghebbende gezocht om over de uitvoering van de werkzaamheden te overleggen.

2.2.Volgens de offerte van 15 augustus 1994 die aan de schoonmaakwerkzaamheden ten grondslag ligt, is onder meer het volgende overeengekomen:

“Schoonmaakprogramma:In de bijlage treft u het programma van schoonmaakwerkzaamheden aan, op basis waarvan de schoonmaakwerkzaamheden in uw gebouw zullen worden uitgevoerd.

(…)

Bedrijfsleiding: Onze bedrijfsleiding controleert steekproefsgewijze de schoonmaaktoestand in uw gebouw. Tevens onderhoudt zij het contact met u en uw interne dienst.

(…)

Logboek: In uw gebouw wordt gebruik gemaakt van een logboek. Het doet dienst als communicatiemiddel tussen de opdrachtgever en uitvoerder. Verzoeken, aanmerkingen, mededelingen, enz. kunnen hierin worden opgetekend. Ook bijzondere gebeurtenissen op het terrein van schoonhouden in uw gebouw, kunnen ter registratie in het logboek worden genoteerd. Het logboek wordt dagelijks door [schoonmaakbedrijf Y] ingezien. Het boek is doorlopend op een vaste plaats bereikbaar voor opdrachtgever en uitvoerder.”

Uit het ter zitting geraadpleegde logboek betreffende de onderhavige periode volgt dat in het logboek geen opmerkingen zijn geplaatst. Er staat enkel vermeld wie er op een bepaalde dag schoon hebben gemaakt. Voorts zijn de aflevering van een enkele bestelling en de vakanties aangegeven. Er wordt maandelijks gefactureerd. De creditnota’s zien enkel op de drie weken waarin het kantoor van belanghebbende in verband met vakantie was gesloten. Er zijn geen creditnota’s aanwezig in verband met het niet voldoen aan de afgesproken werkzaamheden. Het schoonmaakbedrijf zorgde zelf voor schoonmaakmaterialen.

2.3.Op [datum] 2008 is het faillissement van [schoonmaakbedrijf Y] uitgesproken. Nadat was gebleken dat [schoonmaakbedrijf Y] geen of nagenoeg geen verhaalsmogelijkheid bood, is belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een deel van de niet betaalde belastingschulden van [schoonmaakbedrijf Y] over de periode 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2008. Belanghebbende is uiteindelijk aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 6.058.

2.4.In geschil is of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld op grond van artikel 34 Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) voor een deel van de niet betaalde loonbelasting- en omzetbelastingschulden van [schoonmaakbedrijf Y]. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of de werknemers van [schoonmaakbedrijf Y] aan belanghebbende ter beschikking zijn gesteld in de zin van artikel 34, eerste lid, van de Wet. Tussen partijen is thans niet meer in geschil dat in dit geval geen sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk.

2.5.Voor beantwoording van de in geschil zijnde vraag dient in de eerste plaats te worden vastgesteld of sprake is van het door een werkgever ter beschikking stellen van werknemers aan een derde in de zin van dat artikel. Dat is het geval indien bedoelde werknemers de werkzaamheden rechtstreeks in opdracht van de derde verrichten. Pas indien de schoonmakers de werkzaamheden rechtstreeks in opdracht van belanghebbende hebben verricht, zijn zij door [schoonmaakbedrijf Y] aan belanghebbende ter beschikking gesteld in de zin van artikel 34, eerste lid, van de Wet.

2.6.De rechtbank is op grond van de in onderdelen 2.1 en 2.2 weergegeven feiten van oordeel dat vorenstaande vraag ontkennend moet worden beantwoord. Uit de genoemde feiten leidt de rechtbank af dat de werknemers van [schoonmaakbedrijf Y] de werkzaamheden niet rechtstreeks in opdracht van belanghebbende hebben verricht maar rechtstreeks in opdracht van [schoonmaakbedrijf Y]. De werknemers zijn derhalve niet door [schoonmaakbedrijf Y] aan belanghebbende ter beschikking zijn gesteld in de zin van artikel 34, eerste lid, van de Wet. De rechtbank acht hierbij van belang dat tijdens het schoonmaken normaal gesproken geen werknemers van belanghebbende in het gebouw aanwezig waren. Bovendien liepen volgens de offerte de contacten tussen de opdrachtgever en de schoonmakers via de bedrijfsleiding van [schoonmaakbedrijf Y]. Het gebruik van het zogenaamde logboek onderstreept deze werkwijze nu in een dergelijk geval direct contact tussen de schoonmakers en de opdrachtgever niet is vereist. Een dergelijk direct contact heeft volgens de geloofwaardige verklaring van belanghebbende ter zitting, ook niet plaats gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van werkzaamheden die onder toezicht of leiding van belanghebbende hebben plaatsgevonden. Dat belanghebbende bij het aangaan van de overeenkomst in 1994 een voorkeur heeft uitgesproken voor een aantal specifieke personen voor het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden, maakt dat niet anders.

2.7.Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank de beschikking aansprakelijkstelling vernietigd en het beroep gegrond verklaard.

2.8.De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze ondertekend. De griffier, mr. A.J.C. Perdaems is buiten staat dit proces-verbaal te ondertekenen.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 18 februari 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.