Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP6435

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
AWB 10-4605
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV8230, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft twee bouwvergunningen aangevraagd voor de bouw van 7 respectievelijk 89 woningen. Naar aanleiding van de hiervoor genoemde verleende vergunningen zijn door verweerder twee nota’s bouwleges in rekening gebracht. Vaststaat dat de bepaling in de Verordening waarop de heffing is gebaseerd een fout bevat. De rechtbank is van oordeel dat niet ieder fout, hoe klein ook, moet leiden tot onverbindendheid. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de Verordening in dit geval voldoende duidelijk dat voor een aanvraag van een reguliere bouwvergunning voor een woning, per woning een bedrag aan leges wordt geheven van € 3.216. Voorts is de rechtbank van oordeel dat van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel in het onderhavige geval geen sprake kan zijn. Ter zitting heeft verweerder namelijk geloofwaardig verklaard dat het voor niet-woningen, waarbij de tarieven gebaseerd worden op de bouwkosten, niet goed mogelijk is om een eenheidstarief te hanteren. Daarvoor is de verscheidenheid van deze categorie gebouwen te groot. Dit is anders bij woningen waarbij voor de aanvraag van een bouwvergunning veelal dezelfde werkzaamheden door de gemeente dienen te worden uitgevoerd. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat van gelijke gevallen geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 662
FutD 2011-1098
Belastingblad 2011/440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/4605

Uitspraakdatum: 7 februari 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 20 september 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar in rekening gebrachte bouwleges (notanummers: [nummers]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van haar directeur [directeur], vergezeld van de gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [advocatenkantoor] te Tilburg, alsmede namens de verweerder, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Op [datum] 2010 heeft belanghebbende een tweetal bouwvergunningen aangevraagd voor de bouw van 7 respectievelijk 89 woningen in [woonplaats]. De op de aanvraagformulieren opgegeven geraamde bouwkosten bedroegen € 835.000 respectievelijk € 9.823.000.

2.2.Met dagtekening [datum] 2010 zijn de bouwvergunningen aan belanghebbende verleend. De opschriften van de betreffende vergunningen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“gezien de aanvraag van: [belanghebbende] B.V.

postadres: [adres]

postcode en plaats: [adres] [woonplaats]

ontvangen: [datum] 2010

waarbij wordt gevraagd om een reguliere bouwvergunning voor het bouwen van 7 woningen op het perceel (…), plaatselijk bekend [perceel A]

en

“gezien de aanvraag van: [belanghebbende] B.V.

postadres: [adres]

postcode en plaats: [adres] [woonplaats]

ontvangen: [datum] 2010

waarbij wordt gevraagd om een reguliere bouwvergunning voor het bouwen van 89 woningen op het perceel (…), plaatselijk bekend [perceel B]

2.3.Naar aanleiding van de hiervoor genoemde verleende vergunningen zijn door verweerder twee nota’s bouwleges in rekening gebracht van € 18.940,77 respectievelijk € 229.799,20. De nota’s zijn, zakelijk weergegeven, als volgt opgebouwd:

Aanslagnummer: [nummer]

Omschrijving Aantal Tarief Bedrag

Leges externe advieskosten 1 € 646,17 € 646,17

Leges welstand 1 € 285,00 € 285,00

Korting van 20% 1 € 4.502,00 (-/-) € 4.502,00 (-/-)

Leges reguliere bouwaanvraag 7 € 3.216,00 € 22.512,00

Aanslagnummer: [nummer]

Omschrijving Aantal Tarief Bedrag

Leges Welstand 1 € 820,00 € 820,00

Korting van 20% 1 € 57.244,80 (-/-) € 57.244,80 (-/-)

Leges reguliere bouwaanvraag 89 € 3.216,00 € 286.224,00

2.4.In geschil tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is er een wettelijke basis voor heffing?

2. Is er sprake van een onredelijke en willekeurige heffing?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. Verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Wettelijke basis?

2.5.Belanghebbende heeft in het onderhavig geval betoogd dat de “Verordening op de heffing en de invordering van leges gemeente Moerdijk 2010” (hierna: Verordening) en de daarbij behorende Tarieventabel onverbindend dienen te worden verklaard. Daartoe stelt belanghebbende, zakelijk weergegeven, dat in artikel 2.2.3.3 van de Tarieventabel - het artikel waarop verweerder de heffing van leges in het onderhavige geval heeft gebaseerd - een verwijzing bevat naar artikel 1, eerste lid, onderdeel p van de Woningwet. Laatstgenoemd onderdeel van de Woningwet bevat een omschrijving van de lichte bouwvergunning. Dit terwijl belanghebbendes aanvragen zien op reguliere bouwvergunningen. Bovendien wijst belanghebbende erop dat in het onderhavige geval de kortingsregeling van artikel 2.11.6 van de Tarieventabel door verweerder is toegepast, in welk artikel eveneens wordt verwezen naar de aanvraag van een lichte bouwvergunning. Voorts geeft volgens belanghebbende de redactie van de van belang zijnde artikelen in de Tarieventabel voldoende aanleiding om te veronderstellen dat voor de aanvraag van een reguliere bouwvergunning niet artikel 2.2.3.3, doch artikel 2.2.3.4 van toepassing is. Laatstgenoemd artikel gaat voor de heffing van leges, in tegenstelling tot 2.2.3.3, niet uit van een vast eenheidstarief maar van een heffing op basis van een percentage van de bouwsom. Al met al bestaat er volgens belanghebbende zo veel twijfel over het belastbare feit en de tariefstelling in de Verordening (en de daarbij behorende Tarieventabel) dat deze vanwege de strijdigheid met het rechtzekerheidsbeginsel onverbindend dient te worden verklaard. In het geval de rechtbank de Verordening wel verbindend acht, stelt belanghebbende subsidiair dat heffing van leges plaats dient te vinden op basis van artikel 2.2.3.4.

2.6.De relevante bepalingen in de Tarieventabel luiden, voor zover hier van belang, als volgt.

“Artikel 2.2.2 Begripsbepaling bouwkosten

Het berekenen van de leges in 2.2.3.1 t/m 2.2.3.6 gebeurd op basis van de door het college van Burgermeester en Wethouders vastgestelde bouwkostenlijst Moerdijk, inclusief de daarin opgenomen uitgangspunten. Onder bouwkosten wordt verstaan: alle kosten die betrekking hebben op de bouw, behalve:

(…)

Artikel 2.2.3 Het tarief voor het in behandeling nemen van:

Artikel 2.2.3.1

Een aanvraag voor een lichte bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet:

€ 164

Artikel 2.2.3.2

Een aanvraag voor ene reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel o, van de Woningwet voor bouwwerken die qua aard en omvang passen binnen de omschrijving van een lichte bouwvergunning:

€ 164

Artikel 2.2.3.3

Een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p van de Woningwet bedraagt per volledige woning: € 3.216

Of bij een gefaseerde aanvraag voor één complete woning wordt het bedrag gefaseerd in rekening gebracht.

- Aanvraag voor een bouwvergunning eerste fase: € 934

- Aanvraag voor een bouwvergunning tweede fase: € 2.282

Artikel 2.2.3.4

Een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel o of artikel 45 eerste lid van de Woningwet, met uitzondering van de genoemde aanvragen in 2.2.3.2 of 2.2.3.3 bij een bouwsom van:

Kolom 1 Kolom 2 a b

€ 0,00 € 500.000,00 € 0,00 1,696% met een minimum

van € 164

(…)

De leges worden berekend over de bouwsom, tegen een tarief daarnaast vermeld waarbij in het tarief telkens is vermeld:

onder letter a de leges bij een bouwsom als daarnaast is vermeld in kolom 1

onder letter b het legespercentage over het gedeelte van de bouwsom,

gelegen tussen de daarnaast in de kolommen 1 en 2 vermelde bouwsommen.

(…)

Artikel 2.11.6

Op de leges voor de aanvraag om een bouwvergunning als bedoeld in 2.2.3.1 wordt een korting vertrekt van 20% indien meerdere woningen in één aanvraag worden aangevraagd. Deze korting geldt per vergelijkbare type woning (bijvoorbeeld twee-onder-één-kap of projectbouw).

(…)”

2.7. Artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat de legesverordening behalve het belastbare feit en de belastingplichtige ook de heffingsmaatstaf en het tarief dient te vermelden. Deze vereisten vormen een uitwerking van het legaliteitsbeginsel, dat enerzijds inhoudt dat de regelingsbevoegdheid inzake bepaalde essentiële elementen niet mag worden gedelegeerd aan derden en anderzijds, dat de burger zijn belastingverplichtingen moet kunnen opmaken uit de belastingverordening. Bepalingen die de burger onvoldoende duidelijkheid bieden omtrent het belastbare feit of tariefbepaling leiden tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dienen dan ook onverbindend verklaard te worden.

2.8.Het voorgaande betekent niet dat iedere fout in de regelgeving, hoe klein ook, moet leiden tot onverbindendheid. Indien het belastbare feit, ondanks een foutieve verwijzing, geacht moet worden voldoende helder te zijn omschreven, kan heffing niet achterwege blijven. De rechtbank stelt met partijen vast dat de verwijzing naar onderdeel p van artikel 1 van de Woningwet in artikel 2.2.3.2 van de Tarieventabel onjuist is. Tot 1 januari 2008 werd in het betreffende onderdeel p inderdaad een omschrijving gegeven van de reguliere bouwvergunning. In de sinds 1 januari 2008 geldende wettelijke regeling is deze bepaling door vernummering echter verplaatst en verschoven naar onderdeel o, welke wettelijke regeling inmiddels met terugwerkende kracht per 1 januari 2010 weer is gewijzigd. Inhoudelijk zijn met deze vernummeringen geen wijzigingen aangebracht.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit artikel 2.2.3.3 voldoende duidelijk dat voor een aanvraag van een reguliere bouwvergunning voor een woning, per woning een bedrag aan leges wordt geheven van € 3.216. Er wordt namelijk expliciet gesproken over een bouwvergunning voor een “volledige woning”. Daarbij overweegt de rechtbank dat de fout onmiskenbaar een gevolg is geweest van de vernummering per 1 januari 2008 in artikel 1 van de Woningwet, zodat het een ieder duidelijk moet zijn geweest dat hier sprake was van een fout die gelijk te stellen is met een verschrijving.

2.10.Anders dan belanghebbende stelt, is naar het oordeel van de rechtbank de bedoeling van artikel 2.2.2 van de Tarieventabel niet om een hoofdregel te formuleren voor het heffen van leges, doch om het begrip “bouwkosten” nader te definiëren c.q. af te bakenen. Pas vanaf 2.2.3 en verder - 2.2.3.1 tot en met 2.2.3.6 - zijn in de Tarieventabel regels geformuleerd met betrekking tot het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning. Voorts staat in de Bouwkostenlijst Moerdijk 2010 (hierna: Bouwkostenlijst) onder “uitgangspunten” vermeld dat de opgegeven inhoud van het bouwwerk dient te worden nagerekend, tenzij er met betrekking tot de heffing van leges een vaste prijs wordt vermeld in de Verordening. Daarbij komt nog dat in de Bouwkostenlijst geen tarieven zijn opgenomen voor woningen. Mede gelet hierop kan, tegenover de duidelijke bewoordingen van artikel 2.2.3.3, in redelijkheid niet worden gezegd dat de Verordening de suggestie zou wekken dat voor de aanvraag van een reguliere bouwvergunning voor een complete woning een andere maatstaf van heffing zou gelden dan het vaste eenheidstarief van artikel 2.2.3.3. De rechtbank concludeert dan ook dat er bij belanghebbende geen twijfel kon bestaan over welk belastbaar feit en welke tariefstelling op haar van toepassing waren. De omstandigheid dat in de kortingsregeling van artikel 2.11.6, kennelijk ten onrechte, wordt verwezen naar de bepaling inzake de lichte bouwvergunning, maakt dit niet anders. De eerst in geschil zijnde vraag moet dan ook bevestigend worden beantwoord.

Onredelijke of willekeurige heffing?

2.11.Belanghebbende stelt voorts dat het door verweerder gehanteerde eenheidstarief voor de berekening van leges leidt tot onredelijke en willekeurige belastingheffing. Door het hanteren van een eenheidstarief stijgen de kosten voor belanghebbende proportioneel, zonder dat sprake is van enige vorm van degressie. Bovendien staan de door verweerder in rekening gebrachte leges niet in verhouding tot de kosten die verweerder redelijkerwijs heeft moeten maken voor het behandelen van de aanvraag voor een bouwvergunning.

2.12.Aangaande dit standpunt van belanghebbende, overweegt de rechtbank het volgende. De Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel berusten op artikel 219 en 229 van de Gemeentewet. Deze artikelen geven een gemeente een grote vrijheid bij het vaststellen van de legestarieven. Zo valt noch uit de tekst van de wettelijke bepalingen, noch uit de daaraan ten grondslag liggende parlementaire behandeling af te leiden dat een gemeente verplicht is om een degressief tarief in de Verordening op te nemen of in de tariefstelling een limiet aan te brengen.

2.13. De vrijheid van de gemeente is echter niet absoluut. Allereerst dient zij zich bij het vaststellen van de legestarieven te houden aan artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet. Dit artikellid bepaalt dat in een verordening de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten. Deze toets dient te worden toegepast op het totaal van de geraamde baten en lasten van alle rechten die in een verordening zijn geregeld (Hoge Raad, 24 februari 2006, nr. 39 999, BNB 2006/173c). De eventuele omstandigheid dat met betrekking tot een of enkele rechten waarop de Verordening ziet de geraamde baten de geraamde lasten overtreffen, leidt aldus niet automatisch tot strijd met het bepaalde in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet. Bovendien geldt, dat tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds geen rechtstreeks verband is vereist.

2.14.In het onderhavige geval stelt belanghebbende in haar beroepschrift dat verweerder in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geraamde baten van de rechten de geraamde lasten niet overstijgen. Bij het verweerschrift heeft verweerder een overzicht gevoegd van de geraamde baten en lasten die betrekking hebben op de rechten die worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Uit dit overzicht is af te leiden dat de kostendekkendheid in het onderhavige geval 60% bedraagt. Mede gelet op de toelichting die verweerder ter zitting heeft gegeven, waarbij hij gemotiveerd is ingegaan op de vraagtekens die belanghebbende heeft geplaatst bij het overzicht, heeft de rechtbank onvoldoende reden te twijfelen aan de juistheid van dit overzicht. Gelet hierop, en gelet op het feit dat de verklaringen door de gemeente ter zitting onvoldoende zijn weersproken door belanghebbende, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de heffing van bouwleges op grond van de Verordening niet in strijd is met artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet.

2.15. Een andere beperking is dat een verordening onverbindend verklaard dient te worden indien ze in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, of indien duidelijk is (in die zin dat op voorhand duidelijk moet zijn geweest) dat zij moet leiden tot een legesheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van leges als in voormeld artikel 229 bedoeld niet op het oog kan hebben gehad.

2.16. Om een situatie zoals omschreven in rechtsoverweging 2.15 aan te kunnen nemen, is het niet voldoende dat de in een individueel geval in rekening gebrachte leges de door de gemeente voor de geleverde dienst gemaakte kosten overtreft, ook als dat in (zeer) ruime mate het geval is. De wetgever heeft hierin de gemeente nu juist een zeer grote vrijheid willen geven. Die grote vrijheid brengt ook met zich mee dat niet snel sprake zal zijn van discriminatie of een ongerechtvaardigde ongelijkheid. Pas als op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat een verordening leidt tot een apert buitensporige heffing voor een bepaalde categorie belastingplichtigen, is dat anders. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke situatie in het voorliggende geval geen sprake. Er is niet komen vast te staan dat belanghebbende en andere grote bouwers onevenredig en buitensporig veel moeten betalen vergeleken met diegenen die slechts terzake van een of enkele woningen een bouwvergunning aanvragen. Voorts heeft verweerder ter zitting geloofwaardig verklaard dat het voor niet-woningen, waarbij de tarieven gebaseerd worden op de bouwkosten, niet goed mogelijk is om een eenheidstarief te hanteren. Daarvoor is de verscheidenheid van deze categorie gebouwen te groot. Dit is, aldus verweerder, anders bij woningen waarbij voor de aanvraag van een bouwvergunning veelal dezelfde werkzaamheden door de gemeente dienen te worden uitgevoerd. De rechtbank is op basis van deze verklaring van verweerder met verweerder van oordeel dat de categorie woningen en de categorie niet-woningen dermate van elkaar verschillen dat van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel geen sprake kan zijn. Van gelijke gevallen is immers geen sprake.

2.17.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. A.W. Schep en mr. M.L. Weerkamp, rechters, en door de voorzitter en mr. M. Jansen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 15 februari 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.