Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP5799

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
11/965
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking van de aanvraag om ontheffing van de Verordening ruimte Noord-Brabant ten behoeve van de uitbreiding van een intensieve veehouderij.

De aanvraag om intrekking was geschied door het college van burgemeester en wethouders. Om twijfel omtrent de vraag of hij daartoe wel bevoegd was weg te nemen, heeft het college aan verweerder (de gemeenteraad) verzocht de aanvraag om ontheffing te bekrachtigen. Omdat provinciale staten in hun vergadering van 10 december 2010 de criteria voor het in aanmerking komen van ‘lopende zaak’ hebben aangescherpt heeft verweerder besloten om in plaats van bekrachtiging de aanvraag in te trekken. Omdat inmiddels door gedeputeerde staten een verruiming van de criteria is voorgesteld en de invulling van het begrip ‘lopende zaak’ aan provinciale zaken is voorbehouden, zal ter voorkoming van onevenredig nadeel voor verzoekster de intrekking geschorst worden.

Het verzoek van verzoekster om verweerder te gelasten de aanvraag om ontheffing ook nog te bekrachtigen, wordt afgewezen. Het college van burgemeester en wethouders was op grond van de Verordening bevoegd een aanvraag om ontheffing in te dienen en zal te zijner tijd met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht eventueel gebruik kunnen maken van een verleende ontheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 11 / 965 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te Biest-Houtakker, verzoekster,

gemachtigde mr. E.R. Koster

en

de gemeenteraad van Hilvarenbeek,

verweerder.

1.Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 16 december 2010 (bestreden besluit), inzake de intrekking van de aanvraag om ontheffing van de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening) ten behoeve van de uitbreiding van een intensieve veehouderij voor de locatie [adres].

Tevens heeft zij op 16 februari 2011 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 februari 2011. Verzoekster is daarbij in persoon gehoord, bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [woordvoerders verweerder].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft haar bedrijf in Valkenswaard in het kader van de regeling Verplaatsing Intensieve Veehouderij in het voorjaar van 2010 verplaatst naar de locatie [adres]. Deze locatie heeft een bouwblok van ongeveer 1,4 ha en ligt in een zogeheten verwevingsgebied waar volgens de Verordening de bouwblokken maximaal 1,5 ha groot mogen zijn. Op 21 juli 2010 heeft verzoekster bij het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek een aanvraag om milieuvergunning ingediend voor een uitbreiding van het bestaande bouwblok die de 1,5 ha te boven gaat. Daarbij heeft zij tevens verzocht om aangemerkt te worden als ‘lopende zaak’, hetgeen betekent dat een beroep gedaan kan worden op de overgangsregeling die in de Verordening is opgenomen voor concrete initiatieven tot verplaatsing van een intensieve veehouderij met een bouwblok tot maximaal 2,5 ha. Op grond van de overweging dat op 22 september 2010 per e-mail bericht is ontvangen van provincieambtenaren waarin is gesteld dat de kans groot is dat voor het initiatief van verzoekster ontheffing verleend zal worden, heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek op 28 september 2010 besloten om bij gedeputeerde staten van Noord-Brabant te verzoeken om ontheffing van het in de Verordening opgenomen voorschrift dat een bestemmingsplan in een verwevingsgebied bepaalt dat bouwblokken voor intensieve veehouderij tot ten hoogste 1,5 ha mogen uitbreiden. Ingevolge de Verordening kan een ontheffing aangevraagd worden door zowel het college van burgemeester en wethouders als door de gemeenteraad, maar omdat twijfel gerezen was of voor (onder meer) de locatie [adres] het college wel bevoegd was de aanvraag in te dienen, is aan verweerder voorgesteld om de aanvraag van 28 september 2010 te bekrachtigen. Omdat in de Statenvergadering van 10 december 2010 de criteria voor het in aanmerking komen van ‘lopende zaak’ zijn aangescherpt, heeft verweerder bij het bestreden besluit van 16 december 2010 niet alleen besloten om de aanvraag van het college van 28 september 2010 niet te bekrachtigen, maar tevens het college opgedragen die aanvraag in te trekken. Bij brief van 3 januari 2011, verzonden 6 januari 2011, heeft het college uitvoering gegeven aan deze opdracht. Bij brief van 18 januari 2011, verzonden 20 januari 2011, hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant de ontvangst van het verzoek om intrekking bevestigd.

Bij brief van 3 februari 2011, verzonden 4 februari 2011, heeft verweerder zijn thans bestreden besluit van 16 december 2010 aan verzoekster toegezonden.

2.2 Verzoekster heeft aangegeven dat de door haar gewenste uitbreiding noodzakelijk is om haar bedrijf rendabel te kunnen exploiteren en dat dit belang spoedeisend is omdat daarvoor een ontheffing van de Verordening vereist is. Verzoekster heeft er in dit verband op gewezen dat een aanvraag om ontheffing vóór 1 januari 2011 moet zijn ingediend dat gedeputeerde staten naar verwachting op korte termijn zullen beslissen op de ingediende aanvragen.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen en verweerder op te dragen de aanvraag om ontheffing te bekrachtigen.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voor zover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Artikel 9.5, tweede lid, onder a, van de Verordening, bepaalt - voor zover hier van belang - dat een aanvraag om ontheffing tevens bevat een beschrijving van het feit dat er reeds vóór 20 maart 2010 voldoende concrete initiatieven waren ontplooid met het oog op de verplaatsing van een intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 9.5, vierde lid, van de Verordening, zoals deze bepaling thans luidt, is van een van voor 20 maart 2010 daterend concreet initiatief tot verplaatsing van een intensieve veehouderij als bedoeld in het tweede lid, onder a, sprake indien voor 20 maart 2010 het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat planologische medewerking aan deze verplaatsing zal worden verleend. Gerechtvaardigd vertrouwen kan slechts worden aangenomen voor zover sprake is van een voor 20 maart 2010 ingediende schriftelijke aanvraag tot verplaatsing van een intensieve veehouderij naar een concrete locatie en waarvan het college van burgemeester en wethouders c.q. de raad dan wel een daartoe krachtens een voor 20 maart 2010 genomen mandaatbesluit bevoegde ambtenaar schriftelijk te kennen heeft gegeven hieraan zijn medewerking te verlenen.

2.5 Verweerder heeft de aanvraag om ontheffing doen intrekken op grond van de overweging dat verzoekster vanwege de aangescherpte criteria toch niet in aanmerking kan komen voor een ontheffing. Verzoekster heeft niet vóór 20 maart 2010 een schriftelijke aanvraag ingediend zodat volgens de huidige redactie van artikel 9.4, vierde lid, van de Verordening niet gesproken kan worden van een concreet initiatief, aldus verweerder.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat gedeputeerde staten van Noord-Brabant hebben voorgesteld om artikel 9.5, vierde lid, zodanig te wijzigen dat de zinsnede “een voor 20 maart 2010 ingediende schriftelijke aanvraag” vervangen wordt door “voor 20 maart 2010 ingediende schriftelijke stukken”. Gedeputeerde staten hebben dit voorstel toegelicht met de opmerking dat in veel gevallen geen sprake is van een schriftelijke aanvraag om verplaatsing maar dat - vaak ook op initiatief van de overheid zelf – met een ondernemer wel is onderhandeld over een verplaatsing al dan niet gepaard gaande met een

uitbreiding waarvoor al overeenkomsten zijn gesloten of anderszins schriftelijke toezeggingen zijn gedaan.

Naar verzoekster heeft gesteld is dit laatste in haar geval van toepassing. Deze stelling wordt ondersteund door vorenbedoelde e-mail van 22 september 2010 waaruit blijkt dat van de zijde van de provincie op 14 april 2010 aan verzoekster is medegedeeld dat de verplaatsing van haar bedrijf bekend is en dat op grond van de tekst van de Verordening zoals die toen luidde deze verplaatsing wordt aangemerkt als een lopende zaak.

2.6 Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat, ook indien gedeputeerde staten de aanvraag om ontheffing inwilligen, verweerder niet gehouden is daar ook gebruik van te maken. Dit vergt te zijner tijd een zelfstandige afweging van belangen. In de thans te maken belangenafweging kan aan de opvatting van verweerder dat de aanvraag om ontheffing niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat deze niet zou zijn aan te merken als een ‘lopende zaak’, in het licht van het vorenstaande geen doorslaggevend gewicht worden toegekend.

Het ligt in de rede om de praktische invulling van dit begrip primair bij provinciale staten te leggen. Naar verwachting zullen zij in de vergadering van 25 februari 2011 een beslissing nemen omtrent het wijzigingsvoorstel van gedeputeerde staten.

De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om, ter voorkoming van onevenredig nadeel aan de zijde van verzoekster, het bestreden besluit te schorsen en verweerder op te dragen om onverwijld aan gedeputeerde staten kenbaar te maken dat de intrekking van de aanvraag met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt.

Het verzoek van verzoekster om verweerder te gelasten de aanvraag om ontheffing te bekrachtigen, komt niet voor inwilliging in aanmerking. Het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek was op grond van de Verordening bevoegd een aanvraag om ontheffing in te dienen en hij zal te zijner tijd met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht eventueel gebruik kunnen maken van een verleende ontheffing.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

schorst het bestreden besluit ;

gelast verweerder om onverwijld aan gedeputeerde staten van Noord-Brabant kenbaar te maken dat de intrekking van de aanvraag met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;

gelast dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 874,--.

Aldus gedaan door mr. Th. Peters, voorzieningenrechter, en door deze en mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 25 februari 2011