Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP5694

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
02/800894-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een loslating van het achterste glasvocht membraan wordt door de rechtbank niet als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt. De rechtbank acht een poging tot zware mishandeling bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800894-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught

raadsman mr. Bunge, advocaat te Venlo

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 februari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Van Setten, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Primair: heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden;

Subsidiair: [slachtoffer] ernstig letsel heeft toegebracht;

Tweede subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer] ernstig letsel toe te brengen;

Derde subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld.

Feit 2:

meermalen medewerkers van de GGZ-instelling Jan Wier heeft bedreigd;

Feit 3:

[initialen]. [naam verpleger] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1:

De officier van justitie vordert vrijspraak van het primair tenlastegelegde: poging tot doodslag. Naar haar mening kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling, zoals subsidiair is tenlastegelegd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaringen van diverse getuigen die bij het incident aanwezig zijn geweest en de medische informatie terzake het toegebrachte letsel aan het slachtoffer. Zij is van oordeel dat de bij het slachtoffer geconstateerde achterste glasvocht membraan loslating als zwaar lichamelijk letsel kan worden beschouwd en dat dit letsel, volgens de medische informatie van de oogarts, ook door de mishandeling door verdachte is veroorzaakt en niet door ouderdom is ontstaan.

De officier van justitie acht het trappen tegen het hoofd van het slachtoffer niet bewezen.

Feit 2:

Gelet op de aangiften van de verschillende slachtoffers, in onderlinge samenhang bezien, acht de officier van justitie de tenlastegelegde bedreigingen wettig en overtuigend bewezen. Bovendien heeft zij hiervoor in ogenschouw genomen de opmerking van verdachte ter zitting dat hij inspeelde op de heersende angst jegens hem bij het verplegend personeel van Jan Wier. Hij heeft volgens de officier van justitie dan ook doelbewust medewerkers van Jan Wier bang gemaakt.

Feit 3:

De officier van justitie acht de tenlastgelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte, getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1:

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de poging tot doodslag. Door het slaan en het duwen van verdachte had de dood bij het slachtoffer niet kunnen intreden. Het letsel bij het slachtoffer wijst evenmin op genoemde kwalificatie. Verdachte moet daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde, de zware mishandeling, heeft de verdediging aangevoerd dat niet vast is komen te staan dat het oogletsel bij het slachtoffer het gevolg is van het slaan door verdachte. Gezien de 60-jarige leeftijd van het slachtoffer, acht zij niet ondenkbaar dat dit letsel reeds vóór het incident aanwezig is geweest. Tevens heeft de verdediging opgemerkt dat zowel het oogletsel als de gebroken neus niet als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken. Een dergelijk oogletsel wordt slechts als hinderlijk ervaren. In de neus heeft geen botverplaatsing plaatsgevonden. Evenmin is sprake geweest van een operatieve ingreep. De verdediging pleit dan ook voor vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde.

Het onder tweede subsidiair tenlastegelegde feit kan naar haar mening worden bewezen.

Feit 2:

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreigingen gericht tegen medewerkers van Jan Wier, nu deze medewerkers geen reële vrees hadden te verwachten van verdachtes uitingen. Deze uitingen zijn telkens gedaan in het bijzijn van diverse andere collega’s en achter de ‘dikke stalen deur’ van de isolatiekamer van Jan Wier. Bovendien wijst de verdediging in dit verband op de omstandigheid dat de medewerkers niet direct aangifte hebben gedaan van bedreiging, maar pas na het incident op 12 augustus 2010 (feit 1). Voorts is de verdediging van mening dat het werken bij een dergelijke psychiatrische zorginstelling enige mate van geweld en intimidatie door patiënten met zich kan brengen, aan welk geweld en welke intimidatie niet veel waarde dient te worden gehecht.

Feit 3:

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde mishandeling, gelet op de omstandigheid dat het voorval op 4 augustus 2010 heeft plaatsgevonden en hiervan pas op

23 augustus 2010, na het incident op 12 augustus 2010, aangifte is gedaan. Daarnaast verwijst zij naar de opmerkingen die zij terzake van feit 2 heeft gemaakt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De feiten en omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld kunnen worden.

Feit 1:

Vastgesteld kan worden dat op 12 augustus 2010 een geweldsincident heeft plaatsgevonden op het terrein van de GGZ-instelling Jan Wier te Tilburg tussen verdachte en

[slachtoffer]. [slachtoffer] is werkzaam als psychiater bij genoemde kliniek. Uit zijn aangifte blijkt dat hij omstreeks 14.00 uur bij de ingang van de kliniek arriveerde, van waaruit verdachte in zijn richting kwam gelopen. [slachtoffer] viel op enig moment op de grond tussen de fietsen en verdachte sloeg hem tegen zijn gezicht en op meerdere plaatsen van zijn bovenlichaam. Toen hij er uiteindelijk in slaagde om op te staan, zag hij dat het bloed van zijn lichaam afdroop.

Getuige [getuige 1] , werkzaam bij Jan Wier, zag dat verdachte op een bepaald ogenblik een klap op het linkeroog van [slachtoffer] gaf, waardoor [slachtoffer] tussen de fietsen viel. Daarna werd [slachtoffer] volgens [getuige 1] op zijn kaak, armen, rug en oog geslagen.

Een andere medewerker, getuige [getuige2] , zag dat verdachte op een bepaald ogenblik [slachtoffer] bij zijn nek wist vast te pakken en hem hardhandig tegen de grond smeet. [getuige2] zag eveneens dat verdachte, terwijl [slachtoffer] op de grond lag, met geschoeide voet meermalen tegen [slachtoffer]’ buik schopte.

Verdachte heeft bevestigd dat hij [slachtoffer] een klap heeft gegeven en hem heeft geduwd. Kort na het ongeval heeft verdachte tegenover de politie gezegd “ik pak de volgende keer weer een psychiater” en “dan moet ik de volgende keer dus harder slaan. De volgende die ik pak is [naam]” .

Volgens de medische gegevens van de spoedeisende hulp in het ziekenhuis werden bij [slachtoffer] ontvellingen in de hals, op de elleboog en op de knieën geconstateerd, evenals een kneuzing in de linkerzij, drukpijn bij de neus en letsel aan het linkeroog .

Uit latere medische informatie van KNO-arts [naam arts] volgt dat [slachtoffer] een gebroken neus, zonder verplaatsing van botfragmenten, had opgelopen. De geschatte duur van genezing was volgens [naam arts] 6 weken tot 3 maanden.

Volgens oogarts [naam oogarts] betreft het oogletsel van [slachtoffer] een achterste glasvocht membraan loslating, ontstaan ten gevolge van het geweldsincident. [naam oogarts] omschrijft dit voorts als een letsel waardoor weliswaar het gezichtsvermogen niet wordt beschadigd, maar wel hinderlijke vlekken kunnen ontstaan. Een dergelijk loslating is volgens [naam oogarts] een natuurlijk fenomeen dat uiteindelijk bij ieder mens optreedt tijdens het ouder worden. Genezing daarvan is niet mogelijk.

Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt, hem bij de nek heeft vastgepakt en tegen de grond heeft gegooid/geduwd, en hem tegen de buik heeft geschopt.

Uit de aangehaalde verklaringen en de medische gegevens volgt niet het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geschopt, zoals ook door de officier van justitie naar voren is gebracht.

Is er sprake van poging tot doodslag?

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de handelwijze van verdachte als een poging tot doodslag is te kwalificeren. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen gestompt, hem één keer in de buik geschopt en hem ten slotte tegen de grond geduwd. Deze handelingen leveren onder voornoemde omstandigheden niet de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer komt te overlijden.

De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van de poging tot doodslag, zoals primair is tenlastegelegd.

Is er sprake van zware mishandeling?

Om tot een bewezenverklaring van zware mishandeling te kunnen komen, dient de vraag te worden beantwoord of het letsel dat het slachtoffer is toegebracht is op te vatten als zwaar lichamelijk letsel. Uit de medische gegevens volgt dat geen operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest ten behoeve van het letsel aan de neus, van welk letsel volledig herstel was te verwachten. De rechtbank beschouwt daarom de neusbreuk in dit geval niet als een vorm van zwaar lichamelijk letsel. Nu uit de informatie van de voornoemde oogarts naar voren komt dat de loslating van het achterste glasvocht membraan niet een ernstige vorm van invaliditeit, maar een lichte, hinderlijke aandoening oplevert, beschouwt de rechtbank het oogletsel evenmin als zwaar lichamelijk letsel. Zij heeft daarvoor tevens in ogenschouw genomen dat voor deze aandoening kennelijk geen chirurgische ingreep mogelijk is (geweest) en dat mensen op oudere leeftijd, zoals ook [slachtoffer], met deze aandoening worden geconfronteerd.

De rechtbank beschouwt het neus- en oogletsel noch afzonderlijk noch tezamen als zwaar lichamelijk letsel.

Voor de rechtbank staat overigens niet ter discussie dat de gedragingen van verdachte het oogletsel bij [slachtoffer] hebben veroorzaakt, nu de oogarts in zijn rapport heeft opgenomen dat dit letsel door het geweldsincident is veroorzaakt.

Nu het delictsbestanddeel zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen, spreek de rechtbank verdachte vrij van zware mishandeling, onder 1 subsidiair tenlastegelegd.

Is er sprake van poging tot zware mishandeling?

Voor een veroordeling wegens een poging tot zware mishandeling moet het opzet van de verdachte gericht zijn geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte zich, gelet op zijn gedragingen, willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou optreden. Verdachte heeft die kans welbewust aanvaard en op de koop toe genomen.

Het letsel bij [slachtoffer] had vele malen ernstiger kunnen zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich dan ook schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, zoals onder het tweede subsidiair is tenlastegelegd.

Feit 2:

Uit diverse aangiften en verklaringen is de rechtbank gebleken dat verdachte in 2010 tot het moment van zijn aanhouding, na de gebeurtenis van 12 augustus 2010, medewerkers van Jan Wier te Tilburg heeft bedreigd met de dood. De rechtbank heeft ten aanzien van feit 2 de volgende aangiften en verklaringen in aanmerking genomen:

- [getuige2], hoofd behandeling bij Jan Wier, heeft verklaard op 12 augustus 2010 dat verdachte tijdens zijn behandeling binnen de kliniek al maandenlang verschillende personeelsleden bedreigde. Door verdachte werd volgens [getuige2] onder meer gezegd: “Ik steek je aan het mes!” “Ik maak je dood!” “Ik ga mensen dood maken om terug te kunnen naar de Koepel!”.

- [naam verpleegkundige], verpleegkundige, heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte haar op 28 juli 2010 bij het afsluiten van de separeerruimte, waarin hij zich op dat tijdstip bevond, had bedreigd met de woorden: “[voornaam verpleegkundige], als ik je buiten tegenkom, rijg ik je aan mijn mes, maak ik je af en zal het pijn doen.” [naam verpleegkundige] heeft daarbij aangegeven dat verdachte deze bedreiging geheel onder controle en kalm uitte en dat zijn stem rustig maar dwingend klonk. Omdat hij ook in het bijzonder haar naam noemde, kwam deze uiting zeer intimiderend op haar over.

- [naam verpleegkundige 2], verpleegkundige, heeft aangegeven dat verdachte op 4 augustus 2010 vanuit de separeercel zijn collega, arts [naam arts 2], bedreigde met de woorden “als ik buiten kom dan snij ik je strot door”. [naam arts 2] heeft in zijn aangifte aangegeven dat hij vanaf 27 juli 2010 frequent door verdachte is bedreigd.

De rechtbank heeft daarnaast in aanmerking genomen de verklaring van verdachte ter zitting , dat hij wel dingen naar de medewerkers heeft geroepen en dat hij daarmee bewust heeft ingespeeld op een bepaalde angstbeleving over hem die onder het personeel heerste.

Gezien het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging, dat de uitingen van verdachte niet een zodanige indruk kunnen hebben gemaakt op het verplegend personeel dat er werkelijk vrees is gewekt, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte geuite bedreigingen op ieder normaal denkend mens bedreigend moeten zijn overgekomen en daarmee een reële vrees hebben doen ontstaan. Dit geldt ook voor hulpverleners. Zij stellen zich doorgaans terughoudend op bij het doen van aangifte tegen patiënten. Door het incident tussen verdachte en psychiater [slachtoffer] op 12 augustus 2010, kunnen de eerder gedane bedreigingen jegens het personeel van Jan Wier achteraf meer zijn ingekleurd, waardoor de bedreigingen ook meer gewicht hebben gekregen. De medewerkers hebben daarom mogelijk alsnog aangifte gedaan. [naam verpleegkundige] had overigens reeds op 7 augustus 2010, dus vóór het voorval van 12 augustus 2010, aangifte van bedreiging gedaan.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Feit 3:

[naam verpleger] , een verpleger van de Jan Wier kliniek, heeft aangifte gedaan van een voorval met verdachte dat op 4 augustus 2010 te Tilburg heeft plaatsgehad. In de separeercel werd verdachte agressief en begon wild om zich heen te slaan en te schoppen. [naam verpleger] kreeg daarbij een schop tegen zijn linkerheup, hetgeen bij hem enkele dagen pijn veroorzaakte.

Collega’s van [naam verpleger], de verpleegkundigen [naam verpleegkundige 2] en [naam verpleegkundige 3] , zagen dat verdachte [naam verpleger] schopte. [naam verpleegkundige 3] heeft in dat verband opgemerkt dat [naam verpleger] aan de linkerzijde van zijn lichaam werd geraakt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich de gebeurtenis van 4 augustus 2010 kan herinneren, dat medewerkers hem toen probeerden een injectie te geven en dat hij vervolgens een medewerker schopte.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer van de raadsman treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, gezien hetgeen onder feit 2 is overwogen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1:

Tweede subsidiair:

hij op of omstreeks 12 augustus 2010 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde

[slachtoffer] meermalen, althans eenmaal

- (met kracht en/of gebalde vuist) in/tegen het gezicht/het hoofd, althans

het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- bij de nek/hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) tegen/op de grond heeft

gegooid/geduwd, en/of

- (met kracht en/of met geschoeide voet) in tegen de buik (en/of) het hoofd,

althans het lichaam heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 augustus 2010 te Tilburg één of meer medewerkers van de

GGZ-instelling Jan Wier/ de Jan Wierkliniek heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk een of meer van deze medewerker(s) dreigend de woorden

toegevoegd:

- "ik steek je aan het mes" en/of

- "ik maak je dood" en/of

- "ik ga mensen doodmaken om terug te kunnen naar de Koepel" en/of

- "Jou pak ik nog wel ooit" en/of

- "Dan moet ik de volgende keer dus harder slaan" en/of "de volgende die ik

pak is [naam]" en/of

- "Maak ik je af en zal het pijn doen"en/of

- "als ik buiten kom dan snij ik je strot door".

althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 3:

hij op of omstreeks 04 augustus 2010 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [initialen]. [naam verpleger]), (met kracht) heeft geschopt/getrapt tegen

de (linker)heup/(linker)zijde van het lichaam, althans tegen het lichaam, van

die [naam verpleger], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

21 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit een klinisch traject inhoudt.

Zij heeft daarbij in aanmerking genomen de ernst van het feiten, waaronder ook de omstandigheid dat de feiten tegen hulpverleners waren gericht. Tevens heeft zij rekening gehouden met de inhoud van de rapportages over de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De recidivekans wordt door de deskundigen hoog ingeschat, hoewel de officier van justitie twijfelt aan de motivatie van verdachte om te worden behandeld, wijkt zij niet af van de in de rapportages vermelde adviezen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zowel aan de rechtbank als aan zijn moeder wil bewijzen dat hij het serieus meent en geen strafbare feiten meer wil plegen. Verdachte wenst in de gelegenheid te worden gesteld, na het ondergaan van een korte detentie uit andere hoofde, zijn leven goed in te richten en zijn moeder te helpen. Hij is bereid mee te werken aan de geadviseerde reclasseringsbegeleiding in een ambulant kader. Indien dit noodzakelijk wordt bevonden, zal hij ook volledig meewerken aan een klinische opname. De door de officier van justitie gevorderde straf wordt door de verdediging buitensporig hoog geacht. Zij pleit voor een onvoorwaardelijke straf, welke (vrijwel) gelijk is aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf om reclasseringscontact mogelijk te maken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft een psychiater van de GGZ-kliniek Jan Wier gestompt, geschopt en geduwd en daarmee getracht hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ter zitting heeft verdachte duidelijk gemaakt dat hij het oneens was met het medicatiebeleid binnen Jan Wier. Dat de door hem aangevallen psychiater dit beleid hoofdzakelijk zou hebben bepaald, was voor verdachte het motief om hem te mishandelen.

Daarnaast heeft verdachte doodsbedreigingen geuit naar een aantal medewerkers van Jan Wier en heeft hij een verpleger geschopt.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. Ook hulpverleners van een

GGZ-kliniek dienen te worden beschermd tegen agressiviteit en intimidatie die zich op hen richt.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder voor bedreiging en geweldsdelicten is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapporten die over de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgesteld, zoals van psychiater [naam psychiater]

d.d. 12 november 2010, psycholoog [naam psycholoog], d.d. 18 november 2010 en Reclassering Nederland d.d. 5 november 2010.

[naam psychiater] en [naam psycholoog] concluderen beiden in hun rapportages dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken. Tevens is bij verdachte volgens de deskundigen een amfetamineafhankelijkheid aan de orde, waardoor hij psychotische gedragingen kan vertonen. Verdachte wordt door beiden als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. Zij adviseren verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde een klinische opname in een forensische psychiatrische verslavingskliniek. [naam psychiater] noemt daarbij ook reclasseringstoezicht.

De reclassering vermeldt in haar rapport dat verdachte op velerlei leefgebieden hulp behoeft. Zij stelt voor verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde verplicht toezicht van Novadic-Kentron, een meldingsgebod en opname in een Forensische Psychiatrische Afdeling voor Verslaafden (FPAV).

De rechtbank kan zich verenigen met de bevindingen en adviezen in deze rapporten en acht verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Alles overwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie. Gelet op de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd, zal de rechtbank de eis van de officier van justitie aanzienlijk matigen en volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf welke gelijk is aan de tijd die verdachte tot heden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Om verdachte te weerhouden van het plegen van soortgelijke delicten in de toekomst, legt zij daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen op. Met deze voorwaardelijke straf kan tevens de door de deskundigen en de reclassering geadviseerde klinische opname in een FPAV en toezicht door

Novadic-Kentron worden bewerkstelligd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 57, 63, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 tweede subsidiair: poging tot zware mishandeling;

Feit 2: bedreiging, meermalen gepleegd;

Feit 3: mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 284 dagen, waarvan 90 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich zal laten opnemen en behandelen in een Forensische Psychiatrische Afdeling voor Verslaafden (FPAV) dan wel soortgelijke instelling gedurende de termijn van twee jaar of zoveel korter als de leiding van de inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Novadic-Kentron;

* dat verdachte zich binnen drie dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden en in vrijheid is gesteld, zal melden bij deze reclasseringsinstelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gessel, voorzitter, mr. Kok en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Feit 1:

Primair:

hij op of omstreeks 12 augustus 2010 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven

te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal;

- (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/het hoofd, althans

het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of

- bij de nek/hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) tegen/op de grond heeft

gegooid en/of

- (met kracht en/of met geschoeide voet) in/tegen de buik en/of het hoofd,

althans het lichaam, heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 12 augustus 2010 te Tilburg aan een persoon genaamd

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus,

loszittend glasvocht in het linkeroog), heeft toegebracht, door deze

opzettelijk meermalen, althans eenmaal

- (met kracht en/of gebalde vuist) in/tegen het gezicht/het goofd, althans het

lichaam te slaan en/of te stompen, en/of

- bij de nek/hals te pakken en/of (vervolgens) tegen/op de grond te gooien/te

duwen, en/of

- (met kracht en/of met geschoeide voet) in/tegen de buik en/of het hoofd,

althans het lichaam, te trappen/schoppen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Tweede subsidiair:

hij op of omstreeks 12 augustus 2010 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde

[slachtoffer] meermalen, althans eenmaal

- (met kracht en/of gebalde vuist) in/tegen het gezicht/het hoofd, althsans

het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- bij de nek/hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) tegen/op de grond heeft

gegooid/geduw, en/of

- (met kracht en/of met geschoeide voet) in tegen de buik (en/of) het hoofd,

althans het lichaam heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Derde subsidiair:

hij op of omstreeks 12 augustus 2010 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal,

- (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen het gezicht/het hoofd, althans

het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of

- bij de nek/hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) tegen/op de grond heeft

gegooid en/of

- (met kracht en/of met geschoeide voet) in/tegen de buik en/of het hoofd,

althans het lichaam, heeft gescopt/getrapt,

waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 2:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 augustus 2010 te Tilburg één of meer medewerkers van de

GGZ-instelling Jan Wier/ de Jan Wierkliniek heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk een of meer van deze medewerker(s) dreigend de woorden

toegevoegd:

- "ik steek je aan het mes" en/of

- "ik maak je dood" en/of

- "ik ga mensen doodmaken om terug te kunnen naar de Koepel" en/of

- "Jou pak ik nog wel ooit" en/of

- "Dan moet ik de volgende keer dus harder slaan" en/of "de volgende die ik

pak is [naam]" en/of

- "Maak ik je af en zal het pijn doen"en/of

- "als ik buiten kom dan snij ik je strot door",

althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 3:

hij op of omstreeks 04 augustus 2010 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [initialen]. [naam verpleger]), (met kracht) heeft geschopt/getrapt tegen

de (linker)heup/(linker)zijde van het lichaam, althans tegen het lichaam, van

die [naam verpleger], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht