Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP5212

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
02/801182-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige staandehouding in het kader van Mobiel Toezicht Vreemdelingen is een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Het rechtsgevolg is in casu niet bewijsuitsluiting, maar strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/801182-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in de PI Vught te Vught,

raadsman mr. Stolk, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 februari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

809 gram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

ten aanzien van feit 2:

een vals rijbewijs heeft gebruikt

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de staandehouding

De officier van justitie voert aan dat de staandehouding van verdachte op grond van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (hierna: MTV) rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 december 2010 valt het een en ander af te dingen.

Volgens de officier van justitie miskent de Afdeling het onderscheid tussen enerzijds waarborgnormen (die direct door het individu op grond van het Schengen-acquis zouden kunnen worden ingeroepen tegen de overheid die overgaat tot bestendige binnengrenscontrole) en anderzijds interstatelijke instructienormen met betrekking tot (het nalaten van) die controle.

De Schengenstaten hebben onderling elkaar gegarandeerd van die controle af te zien. Zij beoogden daarmee niet voor personen die niet geacht kunnen worden “lawful resident” binnen het gemeenschappelijk Schengenrechtsgebied te zijn automatisch ook waarborgnormen in het leven te roepen die met zich zouden brengen dat het individu er aanspraak op mag maken dat deze controles worden nagelaten. Staten kunnen elkaar daarop onderling aanspreken, personen kunnen dat niet jegens die staten. Daarom leidt strijd met de Schengenuitvoeringsovereenkomst (hierna: SUO) ten aanzien van die controles niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de aanwending van dwangmiddelen volgend op die controles. De Afdeling gaat daar juist wél vanuit.

Volgens de officier van justitie kan daarom verdachte, die als illegale vreemdeling de grens passeerde, geen aanspraak maken op Schengenwaarborgen. De staandehouding heeft volgens de officier van justitie op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 plaatsgehad en is derhalve rechtmatig. Dit betekent dat de bij die gelegenheid aangetroffen bewijsmiddelen voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Ten aanzien van het bewijs

De officier van justitie acht beide feiten (vervoeren van cocaïne en gebruik maken van een vals rijbewijs) wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 1 baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van aanhouding, het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee en het deskundigenverslag van het NFI waaruit blijkt dat hetgeen verdachte bij zich had, cocaïne was. Voorts wijst de officier van justitie op de ongeloofwaardige verklaring van verdachte, namelijk dat hij niet wist wat er in het pakketje zat en dat hij het op het centraal station in Amsterdam moest afleveren aan iemand die een mintgroen/kanariegeel tenue zou dragen.

Met betrekking tot feit 2 wijst de officier van justitie op het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat het rijbewijs dat verdachte in bezit had vals was.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de staandehouding

De verdediging heeft zich ten aanzien van de rechtmatigheid van de staandehouding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte onzorgvuldig en onnadenkend is geweest door het pakketje mee te nemen uit België om het op het Centraal Station van Amsterdam af te geven. De raadsman stelt zich echter op het standpunt dat er geen sprake is geweest van opzet. De rechtbank kan volgens de raadsman wel tot de culpoze variant van het tenlastegelegde opiumdelict komen.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat op 18 juli 2007 een nieuw rijbewijs is afgegeven. Hiervan heeft de raadsman de bevestiging van de autoriteiten van Curaçao aan de rechtbank overgelegd. Het enige wat niet aan de bevestiging klopt is dat erop is vermeld dat het rijbewijs enkel is afgegeven voor categorie A. Verdachte heeft echter ook categorie B gehaald. Het rijbewijs dat de verbalisanten in beslag hebben genomen is een nieuw rijbewijs en door de autoriteiten van Curaçao afgegeven.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de staandehouding

In het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee met daarin de bevindingen van de controle op 2 november 2010 is het volgende gerelateerd.

De verbalisanten waren die dag belast met de taakuitoefening van het MTV en in het bijzonder met de bestrijding van illegale immigratie. De verbalisanten zagen een blauwe Volkswagen Bora de Belgisch-Nederlandse grens passeren. Zij volgden deze Volkswagen en gaven aan de bestuurder een volgteken. De bestuurder voldeed hieraan en volgde de verbalisanten naar de afslag 30 van de Rijksweg A4 te Hoogerheide. Daar stond een controleploeg klaar om de bestuurder te gaan controleren. De verbalisanten hielden verdachte staande als de bestuurder van de Volkswagen en controleerden hem op zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status. Verdachte overhandigde aan de verbalisanten een rijbewijs dat was afgegeven door het Eilandgebied Curaçao. De verbalisanten vermoedden dat het rijbewijs vals was en legden daarom contact met het bureau falsificaten te Schiphol om te horen aan welke echtheidskenmerken het rijbewijs diende te voldoen. Zij zagen dat de doorgegeven echtheidskenmerken niet aanwezig waren op het door verdachte overhandigde rijbewijs. Daarom hielden zij verdachte aan op verdenking van valsheid in geschrift en namen zij het rijbewijs in beslag. Verdachte kon zich niet op een andere manier identificeren. In de auto troffen de verbalisanten autopapieren aan van een Volkswagen Bora met een ander kenteken en met een andere kentekenhouder.

Zij namen verdachte mee naar de brigade om hem daar voor te geleiden aan een hulpofficier van justitie.

Om de identiteit van verdachte vast te stellen onderwierpen de verbalisanten zijn kleding en tas aan een onderzoek op grond van artikel 55b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. In de tas troffen de verbalisanten een pakket met vermoedelijk cocaïne aan.

De rechtbank constateert dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 december 2010 , kort samengevat, heeft geoordeeld dat de wijze van uitoefening van controles in het kader van het MTV, zoals die thans is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000, niet voldoet aan het vereiste dat deze in een wettelijk voorschrift moet zijn vastgelegd. Hiernaast moet de bestaande regeling voor de wijze van uitoefening van het MTV worden aangepast, aangezien deze onvoldoende waarborgt dat de MTV-controles feitelijk hetzelfde effect kunnen hebben als de door de SUO verboden grenscontroles.

Indien de staandehouding van een persoon die de grens is gepasseerd, heeft plaats gehad in het kader van het MTV dient deze volgens de Afdeling als onrechtmatig te worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak verdachte als grensganger is staande gehouden in het kader van het MTV en gecontroleerd op zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status.

In het licht van de genoemde uitspraak van de Afdeling kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat de bestuursrechtelijke staandehouding in het kader van de Vreemdelingenwet 2000, onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Dit levert op een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2002, LJN: AE8808. De Hoge Raad overwoog in dit arrest dat “een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter (…), mede met het oog op het voorkomen van strijdige uitspraken, mee(brengt) dat in het geval de daartoe bij uitstek aangewezen hoogste bestuursrechter in een met voldoende waarborgen omklede bestuurlijke rechtsgang onherroepelijk de onverbindendheid van een algemeen verbindend voorschrift heeft uitgesproken, de strafrechter - behoudens bijzondere omstandigheden - in beginsel van het oordeel van deze bestuursrechter dient uit te gaan en zich niet opnieuw zelfstandig een oordeel over de onverbindendheid van het desbetreffende voorschrift vormt”.

Vervolgens moet worden bezien of, en zo ja welk rechtsgevolg daaraan moet worden verbonden, zoals niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting of strafvermindering. Nu het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt, dient de rechtbank hierbij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren. Het rechtsgevolg moet immers door deze factoren worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Voorts is van belang dat - gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in het eerdergenoemde artikel - het wettelijk stelsel aldus moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen.

De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in het eerdergenoemd artikel voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Er dient te worden voldaan aan het zogeheten Zwolsmancriterium, namelijk dat het vormverzuim hierin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in de onderhavige zaak niet aan de orde.

In zijn algemeenheid geldt dat bewijsuitsluiting als rechtsgevolg niet al te lichtvaardig moet worden toegepast. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376, ro. 3.6.4. overwogen:

“Bewijsuitsluiting kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.”

Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat staandehoudingen op basis van het MTV onrechtmatig zijn omdat ze in beleidsregels zijn neergelegd in plaats van in een wet en onvoldoende is gewaarborgd dat geen sprake is van “verkapte” grenscontroles. Dergelijke controles zijn strijdig met de SUO. Deze raken namelijk de verblijfsrechtelijke status en de bewegingsvrijheid van personen; vreemdelingen kunnen hierdoor bijvoorbeeld uitgezet worden. In de onderhavige zaak is de norm van vrij verkeer van personen dan ook geschonden. Voorts stelt de rechtbank vast dat er een causaal verband bestaat tussen de normschending en het bewijsmateriaal. Verdachte heeft het rijbewijs immers aan de verbalisanten afgegeven ter identificatie naar aanleiding van de staandehouding.

Echter, de rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten hierbij te goeder trouw handelden. Zij hebben verdachte staande gehouden en gecontroleerd op de wijze zoals deze al jaren werd gehanteerd. Eerst door de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling is gebleken dat deze wijze niet is toegestaan.

Bovendien ontstaat, nadat verdachte het rijbewijs heeft aangeboden en dit vals lijkt te zijn, een verdenking van het strafbare feit genoemd in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Deze verdenking houdt in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen verband met de verblijfsrechtelijke status van de staande gehouden persoon. In het kader van de strafrechtelijke verdenking kunnen de verbalisanten gebruik maken van andere bevoegdheden, namelijk strafvorderlijke bevoegdheden. Op dat moment is de norm van vrij verkeer van personen niet langer richtinggevend.

De rechtbank merkt in dit verband op dat het belang van verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Een eventuele schending van dat belang als gevolg van een vormverzuim levert dus niet een nadeel op als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Bezien in het licht van het vorenstaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat de staandehouding door de schending van eerdergenoemde bestuursrechtelijke norm weliswaar onrechtmatig is, maar dat gezien de aanwezige strafvorderlijke bevoegdheden dit vormverzuim niet een bewijsuitsluiting rechtvaardigt. Wel is het door verdachte ondervonden nadeel geschikt voor compensatie door strafvermindering. Strafvermindering is in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en gelet op de ernst van het verzuim ook gerechtvaardigd.

Ten aanzien van het bewijs

Zoals hiervoor overwogen heeft de rechtbank bij de beoordeling van het bewijs de bevindingen van de verbalisanten bij de controle van verdachte op 2 november 2010 te Hoogerheide in aanmerking genomen. Verder heeft de rechtbank voor het bewijs van de feiten 1 en 2 de volgende omstandigheden in haar oordeel betrokken.

Het rijbewijs dat verdachte aan de verbalisanten had overhandigd werd nader onderzocht. Het werd vergeleken met een origineel door de autoriteiten van Curaçao afgegeven rijbewijs. Bij de aanstraling met een ultraviolette lichtbron vertoonde verdachtes rijbewijs een afwijkende reactie ten opzichte van het origineel. De ondergrondbedrukking van verdachtes rijbewijs was met een printtechniek aangebracht, terwijl die van het origineel met een druktechniek was aangebracht. Op grond hiervan kon worden vastgesteld dat het door verdachte overhandigde rijbewijs vals was.

Het pakket met vermoedelijk cocaïne dat in verdachtes tas was aangetroffen, werd eveneens onderzocht. Bij weging bleek dat het witte poeder een netto totaal gewicht had van 809 gram.

Vier willekeurig gekozen brokjes werden aan de indicatieve M.M.C. International Cocaïne test onderworpen. Het resultaat van elke test was positief op de aanwezigheid van cocaïne. Uit het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) bleek dat het witte poeder cocaïne bevatte.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij een pakketje van ene [naam] in Gent, België, had aangenomen en had toegezegd dat hij dat pakketje aan een persoon zou afgeven op het Centraal Station te Amsterdam. Hij zou die persoon ontmoeten bij de poortjes en deze persoon zou gekleed zijn in de nationale kleuren van Brazilië, namelijk geel en groen. Verder wist verdachte niets van deze man. Verdachte wist ook niets meer van [naam] dan zijn voornaam, maar hij had geen reden om [naam] te wantrouwen. Hij kende hem twee weken. Toen hij het pakketje van [naam] aannam, heeft verdachte niet gevraagd wat er in zat. Daar had hij volgens hem ook geen reden toe omdat het pakket niet poederig, maar als een boek aanvoelde. Ook heeft hij het pakket niet gecontroleerd. Verdachte komt uit Suriname en is gewend dat pakketjes “goed” worden ingepakt.

De hiervoor weergeven verklaring, en in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte het pakket niet van te voren op inhoud heeft gecontroleerd, brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij verdovende middelen binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer ten aanzien van feit 1.

Wat betreft de stelling van de verdediging dat het rijbewijs authentiek is, is de rechtbank van oordeel dat aan de hand van het proces-verbaal met de bevindingen van het onderzoek naar het rijbewijs vast staat dat het rijbewijs vals is. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 02 november 2010 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht (autosnelweg A4), opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van

de Opiumwet, ongeveer 809 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk in een personenauto vanuit België, deze cocaïne naar Nederland getransporteerd;

ten aanzien van feit 2:

op 02 november 2010 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht (autosnelweg A4), opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals rijbewijs, - zijnde een geschrift dat

bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift

echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat dit rijbewijs ter

identificatie en/of ter vaststelling van de rijbevoegdheid aan een

opsporingsambtenaar werd aangeboden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

8 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting de eis van de officier van justitie te hoog is. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen dan heeft hij verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne vanuit België. Het ging om ruim 800 gram cocaïne, die verdachte binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Daarnaast heeft verdachte gebruik gemaakt van een vals rijbewijs.

De rechtbank is van oordeel dat het invoeren van harddrugs een ernstig feit is. Cocaïne is immers een stof die schadelijk is voor de gezondheid en sterk verslavend is. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving, doordat de criminaliteit erdoor in de hand wordt gewerkt. Dit geldt te meer als het om internationale handel gaat. Er gaan immers grote geldbedragen in die handel om en met die handel worden grote winsten gemaakt die dan vervolgens in het zwartgeldcircuit verdwijnen. Ten aanzien van het valse rijbewijs overweegt de rechtbank dat dergelijke documenten het vertrouwen ondergraven dat in onze maatschappij moet kunnen worden gesteld in documenten waarmee de rijvaardigheid en identiteit van een persoon kan worden vastgesteld. Ook dit acht de rechtbank een ernstig feit.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met zijn blanco strafblad.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf in beginsel voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

Gelet echter op hetgeen hiervoor overwogen is omtrent de te verbinden rechtsgevolgen aan het geconstateerde vormverzuim, zal de rechtbank een lagere straf opleggen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

De voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 91 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerp:

- een vals rijbewijs;

- een personenauto Volkswagen Bora, gekentekend [( - - )].

Dit vonnis is gewezen door mr. Combee, voorzitter, mr. Van Oijen en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Rasing, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 02 november 2010 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht

(autosnelweg A4), in ieder geval in Nederland, opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van

de Opiumwet, ongeveer 809 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk in een (personen)auto vanuit

België, althans vanuit het buitenland, deze cocaïne naar Nederland

getransporteerd;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 02 november 2010 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht

(autosnelweg A4), in ieder geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft

gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) rijbewijs, - zijnde een geschrift dat

bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift

echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat dit rijbewijs ter

identificatie en/of ter vaststelling van de rijbevoegdheid aan (een)

opsporingsambtena(a)r(en) werd getoond en/of aangeboden;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht