Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP5208

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
02/800902-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Redelijk vermoeden van aanwezigheid verdovende middelen in auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800902-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

raadsman mr. Verhagen, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 februari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 15 augustus 2010 XTC-pillen heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/ of vervoerd, dan wel 60 XTC-pillen aanwezig heeft gehad;

2. op 15 augustus 2010 een revolver met vijf patronen heeft gedragen of voorhanden gehad;

3. op 15 augustus 2010 GHB heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/ of vervoerd, dan wel 4,5 liter GHB aanwezig heeft gehad;

4. op 10 november 2010 XTC-pillen en XTC/amfetamine-poeder heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/ of vervoerd, dan wel 37 XTC-pillen en 1,3 gram XTC/amfetamine-poeder aanwezig heeft gehad;

5. op 10 november 2010 GHB heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/ of vervoerd, dan wel 100 cc. GHB aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd verdachte vrij te spreken van het verwijt dat hij XTC en GHB op 15 augustus 2010 en 10 november 2010 heeft verkocht, afgeleverd of verstrekt, aangezien het bewijs voor deze gedragingen op de tenlastegelegde dagen ontbreekt. Dit geldt dus voor de feiten 1, 3, 4, en 5.

Ten aanzien van de feiten 1 en 3 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, kort gezegd, 60 XTC-pillen en 4,5 liter GHB heeft vervoerd en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte op de zitting, het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat die middelen bij verdachte zijn aangetroffen, de processen-verbaal van bevindingen met de voorlopige testresultaten van die middelen en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI-rapport) van 2 februari 2011 waaruit blijkt dat die middelen MDMA en GHB bevatten.

Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een revolver met vijf patronen voorhanden heeft gehad. Hierbij baseert hij zich op de bekennende verklaring van verdachte op de zitting, het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat de revolver en de patronen bij verdachte zijn aangetroffen en het proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek naar dat vuurwapen en die patronen.

De officier van justitie acht ten aanzien van de feiten 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, kort gezegd, 37 XTC-pillen, 1,3 gram XTC-poeder en 100 cc GHB aanwezig heeft gehad en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte op de zitting, het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat die middelen bij verdachte zijn aangetroffen, de processen-verbaal van bevindingen met de voorlopige testresultaten van die middelen en het NFI-rapport van 12 januari 2011 waaruit blijkt dat die middelen MDMA en GHB bevatten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 het bewijs onrechtmatig is verkregen. De verbalisanten die op 15 augustus 2010 de verdovende middelen in verdachtes auto aantroffen, konden niet redelijkerwijs vermoeden dat die middelen in de auto aanwezig waren. Er was namelijk niet meer bekend dan het feit dat er iemand in een auto lag te slapen, terwijl de verlichting van die auto nog brandde, en dat er achter de bestuurdersstoel een fles met een heldere vloeistof lag. De raadsman wijst erop dat het niet vreemd is dat er een fles water in een auto ligt. Dit wordt namelijk door de ANWB geadviseerd. Misschien zat er wel drinkwater voor de hond in de fles. Hieruit volgt echter nog geen redelijke verdenking van overtreding van de Opiumwet.

Volgens de raadsman dient het bewijs wat in de auto is gevonden, te worden uitgesloten, zodat verdachte van de feiten 1, 2 en 3 dient te worden vrijgesproken.

Indien de rechtbank van oordeel is dat dit bewijs wel rechtmatig is verkregen, is de verdediging net als de officier van justitie van mening dat er onvoldoende bewijs aanwezig is voor het verkopen, afleveren en verstrekken van XTC en GHB, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1, 3, 4 en 5.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Het redelijk vermoeden van aanwezigheid van verdovende middelen

Voor de beantwoording van de vraag of er een redelijk vermoeden van aanwezigheid van verdovende middelen in verdachtes auto was, zodat de verbalisanten de auto mochten doorzoeken, neemt de rechtbank de omstandigheden die de verbalisanten in hun proces-verbaal van bevindingen hebben gerelateerd, in aanmerking.

De verbalisanten zagen op 15 augustus 2010 om 03:40 uur dat een auto op de stoep van de Dorpstraat in Sint Willebrord geparkeerd stond. De dimlichten van de auto brandden nog en achter het stuur van de auto zat verdachte, die in diepe slaap leek te zijn. De verbalisanten zijn ermee bekend dat in de omgeving van Sint Willebrord gedurende de nachtelijke uren regelmatig personen worden aangetroffen die GHB gebruiken. Die personen zijn dan vaak in een diepe slaap. De verbalisanten zagen verder dat achter de bijrijderstoel een Liptonice-fles stond met daarin een heldere vloeistof. Zij weten dat Liptonice geen heldere vloeistof betreft. Deze omstandigheden maakten dat zij het vermoeden kregen dat verdachte onder invloed van GHB verkeerde en dat er GHB in die fles zat.

De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten op grond van de genoemde omstandigheden redelijkerwijs de aanwezigheid van verdovende middelen in verdachtes auto konden vermoeden en de auto mochten doorzoeken. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdovende middelen en de revolver met de patronen rechtmatig in de auto van verdachte zijn aangetroffen. Van onrechtmatig verkregen bewijs is derhalve geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

4.3.2 Het bewijs

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat onvoldoende bewijs aanwezig voor het verwijt dat verdachte XTC en GHB heeft verkocht, afgeleverd of verstrekt. De rechtbank spreekt verdachte in zoverre vrij.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 augustus 2010 in Sint Willebrord 60 XTC-pillen heeft vervoerd, een revolver met vijf centraalvuur kogelpatronen voorhanden heeft gehad en ongeveer 4,5 liter GHB heeft vervoerd, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 7 februari 2011;

- het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat die verdovende middelen en de revolver met de kogelpatronen bij verdachte zijn aangetroffen;

- het NFI-rapport van 2 februari 2011, waaruit blijkt dat die middelen MDMA en GHB bevatten;

- het proces-verbaal van het onderzoek naar het vuurwapen en de patronen.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 november 2010 in Sint Willebrord 37 XTC-pillen, 1,3 gram XTC-poeder en 100 cc GHB heeft vervoerd, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 7 februari 2011;

- het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat die verdovende middelen bij verdachte zijn aangetroffen;

- het NFI-rapport van 12 januari 2011, waaruit blijkt dat die middelen MDMA en GHB bevatten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 15 augustus 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, opzettelijk heeft vervoerd 60, zogenaamde XTC-pillen, bevattende MDMA , zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 15 augustus 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, op

de openbare weg, nl. de Dorpsstraat, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1

categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in

de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een revolver met daarbij voor dat wapen geschikte munitie te weten vijf centraalvuur kogelpatronen voorhanden heeft gehad;

3.

op 15 augustus 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 4,5 liter gamma hydroxy butyraat (GHB), zijnde gamma hydroxy butyraat (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

4.

op 10 november 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, opzettelijk heeft vervoerd 37 zogenaamde XTC-pillen en/of 1,3 gram poeder, beiden zowel de XTC-pillen als

het poeder bevattende MDMA , zijnde MDMA een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

op 10 november 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 100 cc, gamma hydroxy butyraat (GHB), zijnde gamma hydroxy butyraat (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

In de tenlastelegging zijn taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven. Aan het voorwaardelijke gedeelte dient de bijzondere voorwaarde te worden verbonden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij De Ponder.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht voor het geval de rechtbank tot de bewezenverklaring van alle feiten komt, het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf te beperken tot de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven. Dit kan eventueel worden aangevuld met een voorwaardelijke straf. Aan de voorwaardelijke straf kunnen enige bijzondere voorwaarden worden verbonden aangezien verdachte openstaat voor reclasseringstoezicht. Hij wil zich - zo nodig - laten opnemen in een forensisch psychiatrische kliniek.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich tot twee keer toe schuldig gemaakt aan het vervoeren van een behoorlijke hoeveelheid XTC en GHB. Hierdoor kan verdachte mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van dergelijke drugs worden veroorzaakt. Zoals verdachte zelf heeft ervaren, kan het veelvuldig gebruik van deze drugs een verslavende werking hebben en een gevaar voor de gezondheid opleveren. Het bezit van harddrugs dient dan ook krachtig te worden bestreden.

Verdachte was daarnaast in het bezit van een revolver die geladen was met kogelpatronen. Het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen levert potentieel (levens)gevaar op.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ten nadele van verdachte rekening gehouden met zijn strafblad. Daaruit blijkt dat verdachte in het verleden meermalen onherroepelijk voor opiumdelicten is veroordeeld. Ook weegt in zijn nadeel dat hij tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis toch weer in de fout is gegaan. De rechtbank beseft echter dat dit voor een groot deel te wijten is aan zijn drugsverslaving. Daarom weegt in zijn voordeel dat hij sinds hij weer gedetineerd is van de drugs is afgekickt. Hij heeft verklaard dat hij zich hier heel goed bij voelt. Om dit te bestendigen wil verdachte een behandeling in een forensische psychiatrische kliniek volgen. Hierbij kan hij ook zijn persoonlijkheids-problematiek, die mede bijdraagt aan zijn drugsverslaving, aan gaan pakken.

Verder heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken en met de omstandigheid dat aan verdachte een straf is opgelegd en hij nu schuldig wordt verklaard aan misdrijven die voor die strafoplegging zijn gepleegd.

De rechtbank legt, alles afwegende, aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de straf worden de bijzondere voorwaarden verbonden dat verdachte zich dient te laten opnemen in een forensisch psychiatrische kliniek zoals De Ponder te Eindhoven of een soortgelijke instelling en dat hij zich dient te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering.

De rechtbank constateert dat verdachte door de reclassering is aangemeld bij de Indicatiestelling Forensische Zorg en in afwachting is van een indicatiebesluit. De rechtbank doet een dringend beroep op de executerende instantie om de detentie van verdachte direct over te doen gaan in de klinische behandeling.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de hierna in de beslissing genoemde mobiele telefoon, aangezien dit voorwerp onder verdachte in beslag is genomen en niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 63, 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 11, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55, 56, 60 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feiten 1 en 4, telkens: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de

Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

feiten 3 en 5, telkens: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de

Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich zal laten opnemen en behandelen in een inrichting ter verpleging, te weten een forensisch psychiatrische kliniek zoals De Ponder te Eindhoven of een soortgelijke instelling, gedurende de termijn van twee jaar of zoveel korter dan de leiding van de inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon, Nokia N95, kleur grijs, met beschadigde toetsen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Oijen, voorzitter, mr. Combee en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Rasing, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 augustus 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, in

elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd een of meer (handels- en/of gebruikers)hoeveelheden

van een stof (zogenaamde XTC-pillen), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft

gehad, 60, althans een of meer (handels- en/of gebruikers)hoeveelheden van een

stof (zogenaamde XTC-pillen), bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of

MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of

MDEA (methyleen-dioxethyl en/of 4-broom-2,5dimethoxyfenethylamine 2 CB), zijnde

amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of 4-broom-2,5 dimethoxyfenethylamine (telkens) een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 15 augustus 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, op

de openbare weg, nl. de Dorpsstraat, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1

categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in

de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een revolver (merk

onbekend) met daarbij voor dat wapen geschikte munitie te weten vijf

centraalvuur kogelpatronen voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 15 augustus 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, in

elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd een of meer hoeveelhe(i)d(en) gamma hydroxy butyraat

en/of 4-hydroxy boterzuur (GHB), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid van ongeveer 4,5 liter, althans een hoeveelheid gamma hydroxy

butyraat en/of 4-hydroxy boterzuur (GHB), zijnde gamma hydroxy butyraat en/of

4-hydroxy boterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 10 november 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, in

elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd een of meer (handels- en/of gebruikers)hoeveelheden

van een stof (zogenaamde XTC-pillen) en/of een of meer een hoeveelheden

poeder, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 37, althans een of meer

(handels- en/of gebruikers)hoeveelheden van een stof (zogenaamde XTC-pillen)

en/of 1,3 gram, althans een hoeveelheid poeder, beiden zowel de XTC-pillen als

het poeder bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of

MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxethyl

en/of 4-broom-2,5dimethoxyfenethylamine 2 CB), zijnde amfetamine en/of

MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of 4-broom-2,5 dimethoxyfenethylamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

5.

hij op of omstreeks 10 november 2010 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, in

elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd een of meer hoeveelhe(i)d(en) gamma hydroxy butyraat

en/of 4-hydroxy boterzuur (GHB), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid van ongeveer 100 cc, althans een hoeveelheid gamma hydroxy

butyraat en/of 4-hydroxy boterzuur (GHB), zijnde gamma hydroxy butyraat en/of

4-hydroxy boterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet