Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP4358

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
02/984805-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor de overtreding van artikel 10a van de Opiumwet, te weten het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van amfetamine, en het vervaardigen van amfetamine .

Vrijspraak voor overtreding van artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Verdachte heeft immers geen handelingen ten aanzien van geregistreerde stoffen verricht met het oog op het afleveren hiervan aan een ander, maar met het doel om deze zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen. Dit betekent dat verdachte niet als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004 kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/984805-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [datum en plaats]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in de P.I. Vught, Nieuw Vosseveld 2 HvB Regulier

raadsman mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 januari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Lemstra, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:

strafbare voorbereidingshandelingen heeft verricht ten aanzien van Opiumwetfeiten

Ten aanzien van feit 2:

niet voldaan heeft aan de inlichtingsverplichting met betrekking tot de Wet Voorkoming misbruik chemicaliën.

Ten aanzien van feit 3:

amfetamine heeft vervaardigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Voor zover dit verweer van de raadsman ziet op de samenloop tussen voorbereidingshandelingen inzake de Opiumwet en een voltooid Opiumwetfeit, stelt de rechtbank vast dat de Hoge Raad in een uitspraak van 29 april 1997 (vindplaats: LJN ZD0697) reeds heeft bepaald dat voltooide delicten in het kader van de Opiumwet naast voorbereidingshandelingen kunnen worden tenlastegelegd, hetgeen tevens blijkt uit de memorie van toelichting bij artikel 10a van de Opiumwet.

Voor zover het verweer van de raadsman betrekking heeft op de samenloop tussen voorbereidingshandelingen en overtreding van artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, overweegt de rechtbank – daarbij verwijzend naar een arrest van het Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch van 20 april 2005 – dat beide feiten zelfstandige strafbare feiten van verschillend karakter opleveren, die elk een ander rechtsbelang beogen te beschermen en die derhalve onafhankelijk van elkaar kunnen worden gepleegd, zodat er geen sprake is van een zelfde feit in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, namelijk dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Op 17 februari 2010 wordt in de productieruimte in de loods in Ulicoten de eerste kookstap van het productieproces van amfetamine verricht. Gedurende de tijd die dit in beslag neemt, bevinden verdachte en medeverdachten [mededader 2] en [mededader 3] zich in de loods. Voorts wijst zij op de tapgesprekken. Hieruit komt naar voren dat verdachte telefoongesprekken voert waaruit blijkt dat hij gaat werken samen met anderen en dat die anderen nieuwe glazen zijn gaan halen. Uit observaties en taps blijkt dat verdachte bij de loods in Rijckevorsel chemicaliën heeft opgehaald. Ook de Belgische verdachte [mededader 1] heeft hierover verklaard. Verder blijkt dit uit aankoopbonnen die in de portemonnee van verdachte zitten. De loods in Ulicoten staat op naam van verdachte en hij heeft er de sleutels van. Uit observaties blijkt voorts dat verdachte in de periode vóór 17 februari 2010 vaker bij de loods is geweest.

Tevens acht de officier van justitie feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot dit feit stelt zij zich op het standpunt dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën zich ook richt tegen personen die zich bezig houden met de illegale productie van synthetische drugs.

Op basis van hetgeen aan stoffen, hardware en chemicaliën is aangetroffen kan ook feit 3, de productie van amfetamine, volgens de officier van justitie bewezen worden verklaard. Dat verdachte hierbij betrokken is geweest, leidt zij af uit het feit dat de loods door verdachte wordt gehuurd, dat er rond de zomer van 2009 opeens een nieuw slot op de deur zat waarvan verdachte een sleutel had, dat verdachte al vanaf november 2009 bij de loods in Rijckevorsel is gezien en dat er op 17 februari 2010 geen stappenplan is gevonden, hetgeen zou betekenen dat men precies wist waar men mee bezig was en ervaren was op het gebied van de productie van amfetamine.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het dossier op bepaalde onderdelen onvolledig is. Zo is niet komen vast te staan hoe alle stoffen in de loods in Ulicoten terecht zijn gekomen. Van de door verdachte gehuurde auto is onduidelijk wie telkens de bestuurder was. Ook is de auto maar korte periodes bij de loods geweest. De tijd dat verdachte wel in de loods is geweest, is volgens de raadsman onvoldoende om tot een volledig vervaardigingsproces van amfetamine te kunnen komen. Dat er op 17 februari 2010 twee andere mannen samen met verdachte in de loods zijn aangehouden, biedt steun voor de veronderstelling dat verdachte het niet alleen af kon en dat er vóór 17 februari dus niets strafbaars heeft plaatsgevonden in de loods. De rol die verdachte zou hebben gehad is veel kleiner dan justitie veronderstelt. Geen van de medeverdachten heeft verklaard dat zij verdachte kennen. De verklaring van [mededader 1] is ongeloofwaardig omdat hem op sturende wijze informatie is voorgehouden door de Belgische recherche. Daarnaast zijn de verklaringen van [mededader 1] niet consistent.

Uit de tapgesprekken is geen communicatie vast te stellen tussen verdachte enerzijds en de medeverdachten of ECU Products anderzijds.

Feit 1: voor het bewerken van amfetamine is alleen bewijs voor de datum 17 februari 2010. Het voorhanden hebben is zeker niet eerder dan 7 januari 2010 geweest, aldus de raadsman.

Feit 3: volgens de raadsman is onduidelijk wie de amfetamine heeft geproduceerd en wanneer de productie exact heeft plaatsgevonden. Enkele aanwijzingen in de richting van verdachte gelden immers ook voor de medeverdachten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Aantreffen amfetaminelaboratorium

Op 17 februari 2010 werd in een loods aan de [adres] een volledig ingerichte en in werking zijnde productielocatie voor amfetamine aangetroffen. Verdachte en medeverdachten [mededader 2] en [mededader 3] werden op diezelfde datum om 14.30 uur in de loods aangehouden.

De Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) heeft gerelateerd dat in de loods de eerste fase van het proces met betrekking tot de synthese van amfetamine volgens de zogeheten Leuckartmethode zeer recentelijk had plaatsgevonden. Ten tijde van de inval en de aanhouding van de verdachten was, gelet op de aangetroffen vloeistof en de temperatuur daarvan , net de eerste kookstap afgerond.

De loods in Ulicoten bestond uit verschillende gedeelten. Zo bevond de daadwerkelijke productieruimte zich – gezien vanaf de ingang – in een ruimte rechts achteraan in de loods (ruimte H1 genoemd), maar was er ook een ruimte (ruimte H4 genoemd) waarin onder meer Intermediate Bulk Containers (IBC’s), jerrycans en blauwe kunststofvaten stonden.

De jerrycans en vaten waren geheel of deels gevuld met afval (vloeistof) en chemicaliën.

In de jerrycans zaten onder meer zoutzuur, mierenzuur en restant van BMK.

In ruimte H1 zijn twee volle jerrycans met BMK aangetroffen.

De indeling van de loods en de situatie ter plaatse blijkt verder uit de foto’s die als bijlagen zijn gevoegd bij de rapportage van het LFO.

De rechtbank stelt vast dat de loods weliswaar uit verschillende ruimtes bestond, maar dat deze ruimtes vrij toegankelijk waren en het dus niet ging om geheel los van elkaar bestaande afgesloten ruimtes. Het LFO heeft beschreven dat zij al bij het betreden van de loods de hen bekende en kenmerkende geur van amfetamineachtige producten roken.

Op grond hiervan trekt de rechtbank de conclusie dat het op 17 februari 2010 onmogelijk moet zijn geweest om in de loods aanwezig te zijn, zonder kennis te dragen van de aanwezigheid van de productieplaats op zich en de eerste kookstap die daar op dat moment plaatsvond.

Observaties op 17 februari 2010 en aanhouding van verdachten

Enkele uren voor het aantreffen van het laboratorium werd middels een (technische) observatie waargenomen dat verdachte in een huurauto met kenteken [( - - )] wegreed bij zijn woning en dat hij twee mannen ophaalde. Dit drietal reed vervolgens naar België, alwaar zij de huurauto inleverden, om vervolgens in de Citroën C5 met kenteken [( - - )], op naam van verdachte, terug te rijden naar Nederland. Ongeveer een uur later, omstreeks 11.00 uur ’s ochtends, arriveren de drie mannen bij de loods in Ulicoten. De loods is vervolgens vanaf dat moment tot aan het moment van aanhouding (om 14.30 uur, dus ruim drie uur later) continu in observatie geweest.

De observanten hebben gezien dat twee van de drie inzittenden van de Citroën C5 de loods zijn binnengegaan, en hebben niet gezien dat iemand op enig moment de loods heeft verlaten. Door de observanten is niet gezien dat de derde persoon ook de loods heeft betreden. De rechtbank leidt echter uit de omstandigheden dat er drie mannen in de auto zaten, dat er drie mannen in de loods zijn aangehouden en dat de genoemde Citroën C5 in de loods stond geparkeerd, af dat het hier steeds gaat om hetzelfde drietal, te weten de verdachten [verdachte], [mededader 2] en [mededader 3].

In het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de aanhouding wordt gerelateerd dat de verbalisant die de loods binnenging, zag dat de drie verdachten van rechts, achter de houten muur vandaan kwamen, dus vanuit de richting waar de productieplaats zich bevond.

Betrokkenheid verdachten bij voorbereidingshandelingen

De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of de drie verdachten – naast het feit dat zij in de loods zijn aangehouden – aan de daar aangetroffen chemicaliën, grondstoffen en hardware gelinkt kunnen worden. Hebben deze verdachten het voornoemde voorhanden gehad en kan gesproken worden van medeplegen? De rechtbank stelt hiertoe het navolgende vast.

De verdediging heeft zich gerefereerd met betrekking tot een bewezenverklaring van feit 1 op de pleegdatum 17 februari 2010. De rechtbank acht echter ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte al in een eerder stadium voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet heeft verricht en dat de pleegperiode derhalve langer is. De rechtbank leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden.

Allereerst staat voor de rechtbank vast dat verdachte de huurder van de loods is geweest. Getuige [getuige 1] , eigenaar van de loods, heeft dit verklaard, en in het dossier is een huurovereenkomst met betrekking tot de loods op naam van verdachte opgenomen. Als huurder van de loods beschikte verdachte ook over de sleutels van het cilinderslot van de toegangsdeur. [getuige 1] heeft verder verklaard dat hij in het voorjaar van 2009 in de loods kwam en toen zag dat voorbij het voorste gedeelte een hangslot op de deur zat.

Wat betreft de bewijsmiddelen tegen verdachte is de verklaring van de Belgische medeverdachte [mededader 1] van evident belang. [mededader 1] heeft verklaard dat verdachte al in november 2009 bij de loods in Rijckevorsel kwam om formamide, zoutzuur en caustic soda op te halen. Ook op 7 januari 2010 heeft verdachte volgens [mededader 1] acht vaten formamide afgehaald met een gehuurde vrachtwagen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank geenszins gebleken dat [mededader 1] tijdens één van zijn verhoren is gestuurd of gevoerd met informatie uit het onderzoek. [mededader 1] noemt immers steeds details die hem niet gevoerd kunnen zijn. Daarbij komt dat de informatie die wel aan [mededader 1] is voorgehouden, juist het soort informatie is waardoor je je als getuige weer dingen gaat herinneren. [mededader 1] verklaart naar het oordeel van de rechtbank gedetailleerd en consistent en belast bovendien ook zichzelf in zijn verklaringen. De rechtbank acht de verklaringen van [mededader 1] derhalve betrouwbaar en geloofwaardig en zij zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.

De verdediging heeft nog de vraag gesteld of [mededader 1] wel weet wie verdachte is en of hij steeds over dezelfde persoon spreekt. Dit te meer omdat aan [mededader 1] op enig moment de naam [verdachte] wordt voorgehouden, en [mededader 1] dan aangeeft deze naam niet te kennen. [mededader 1] herkent [verdachte] wel van een hem getoonde foto. De rechtbank stelt daarnaast vast dat [mededader 1] heeft verklaard dat de persoon [verdachte] zich verplaatst met een stationwagen waarvan een achterlicht kapot is. Ook is hem een foto getoond waarop de wagen van [verdachte], een Citroën C5, staat afgebeeld. [mededader 1] herkende deze wagen alszijnde eigendom van de persoon welke vergezeld was van [mededader 4] en welke aan de loods chemicaliën kwam ophalen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat [mededader 1] steeds over dezelfde persoon spreekt en dat deze persoon verdachte [verdachte] betreft.

De verklaringen van [mededader 1] komen overeen met (technische) observaties die zijn gedaan bij de loods van ECU Products in Rijckevorsel. Zo is de Citroën C5 op naam van verdachte op 30 november 2009 en 17 december 2009 bij de loods waargenomen. Hetzelfde geldt voor een bestelwagen van het merk Fiat met kenteken [( - - )], die op 7 januari 2010 bij de loods is gezien. Uit gegevens van het verhuurbedrijf komt naar voren dat deze bestelwagen op die bewuste dag van 07.30 uur tot 12.15 uur is gehuurd door verdachte, die zich bij het huren heeft gelegitimeerd. Gelet op dit alles houdt de rechtbank het er voor dat verdachte zelf de bestuurder van beide voertuigen is geweest. Mocht dit anders zijn dan zou het op de weg van verdachte hebben gelegen om ten minste een verklaring te geven waarin hij aangeeft wie dan wel de bestuurder is geweest.

Verdachte heeft in de periode van 10 tot en met 16 februari 2010 diverse telefoongesprekken met zijn vader en vriendin gevoerd. In deze gesprekken geeft verdachte telkens aan dat hij gaat werken of gewerkt heeft. Dit wordt nog eens bevestigd door de technische observaties op 13 en 16 februari 2010, waaruit is gebleken dat de Seat met kenteken [( - - )] op beide dagen bij de loods in Ulicoten is geweest.

Uit de verklaring van [mededader 1], de observaties en de tapgesprekken leidt de rechtbank af dat verdachte in elk geval vanaf 30 november 2009 bij ECU Products is geweest om chemicaliën te halen. Derhalve zal de rechtbank de pleegperiode bewezen verklaren zoals is tenlastegelegd, dus van 25 november 2009 tot en met 17 februari 2010, de dag dat het laboratorium werd aangetroffen en de verdachten werden aangehouden.

Medeplegen

Op 17 februari 2010 werd verdachte in de loods in Ulicoten aangehouden samen met de medeverdachten [mededader 2] en [mededader 3]. Deze medeverdachten zijn net als verdachte aan de loods te linken. Zo bleek ook [mededader 3] sleutels van de toegangsdeur bij zich te dragen. Daarnaast droeg [mededader 3] handschoenen op het moment dat hij werd aangehouden en uit de richting van de productieruimte kwam gelopen. Op een linker- en een rechterlashandschoen, aangetroffen in de productieruimte, is DNA-materiaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van verdachte (frequentie DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard). Van [mededader 2] is DNA-materiaal aangetroffen in de productieruimte, namelijk op twee Spa-flesjes en op een zestal sigarettenpeuken in een asbak die in de desbetreffende ruimte stond. De rechtbank leidt uit de observaties af dat de verdachten [verdachte], [mededader 2] en [mededader 3] op 17 februari 2010 enkele uren samen zijn geweest, in eerste instantie in de auto’s naar Ulicoten via België en later een aantal uren in de loods.

Uit voornoemde omstandigheden concludeert de rechtbank dat op 17 februari 2010 sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte], [mededader 2] en [mededader 3] en dat deze samenwerking gericht was op de productie van synthetische drugs. Op het moment dat zij werden aangehouden, hadden zij juist de eerste fase van het productieproces afgerond. Hiertoe hebben zij chemicaliën, grondstoffen en hardware bestemd voor die productie voorhanden gehad en de loods in Ulicoten gehuurd.

Ten aanzien van de periode voorafgaand aan 17 februari 2010 is voorts nog van belang dat verdachte het in één van de getapte telefoongesprekken heeft over het feit dat hij samen met anderen heeft gewerkt en de verklaring van [mededader 1] waarin hij aangeeft dat verdachte op een dag in november 2009 samen met een onbekende in een gehuurde vrachtwagen is langs geweest en dat hij toen vaten formamide en zoutzuur en zakken caustic soda in de vrachtwagen heeft geladen. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank ook de nauwe en bewuste samenwerking met anderen (wiens identiteit niet is vastgesteld) vóór

17 februari 2010 wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt ten slotte dat zij de verdediging kan volgen in de stelling dat ook anderen dan verdachte betrokken kunnen zijn geweest bij deze feiten. Dit maakt de rol van verdachte echter niet kleiner.

Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 25 november 2009 tot en met 17 februari 2010 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 10a van de Opiumwet, te weten het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van amfetamine.

Ten aanzien van feit 3:

In de productieruimte aan de [adres] zijn onder andere tien 120-literwijddekselvaten gevonden die gebruikt worden voor de neutralisatie van de amfetamineolie na de tweede kookstap van de Leuckart methode. Een aantal van deze vaten bevat afval dat gerelateerd is aan deze productiefase. Ook bevatten deze vaten amfetamine. Voorts werden in de aangetroffen glasbodemrondkolven residuen aangetroffen die op de uitvoering van fase twee wijzen. Na deze tweede fase is sprake van amfetamine en daarmee van een strafbaar product. Verder waren in de loods alle stoffen en apparatuur aanwezig om alle stappen van de Leuckart methode te doorlopen. Ten slotte is amfetamine aangetroffen in een doos gevuld met bruine pasta en in de vloeistof in het 1000 liter IBC.

Op basis van deze gegevens trekt de rechtbank de conclusie dat er in de loods amfetamine is vervaardigd. Dat verdachte hierbij betrokken is geweest leidt de rechtbank af uit het feit dat de loods gehuurd werd door verdachte , dat hij van deze loods de sleutels had en dat verdachte al vanaf november 2009 bij de loods in Rijckevorsel is geweest om chemicaliën op te halen die bestemd waren voor de productie van amfetamine. Dit zijn feiten en omstandigheden die vragen om een nadere uitleg of toelichting van verdachte. Nu verdachte deze niet heeft gegeven, houdt de rechtbank verdachte onder deze omstandigheden verantwoordelijk voor de vervaardiging van de amfetamine.

Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 30 november 2009 tot 17 februari 2010 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van amfetamine.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij als marktdeelnemer opzettelijk BMK, zoutzuur en andere stoffen heeft vervoerd, opgeslagen en voorhanden heeft gehad, zonder daarvan melding te maken aan de bevoegde instanties, terwijl er aanwijzingen waren dat de stoffen misbruikt zouden worden voor de vervaardiging van verdovende middelen.

Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën bepaalt dat het is verboden om te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 8 van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47) (hierna te noemen: Verordening nr. 273/2004). Artikel 8 van Verordening nr. 273/2004 schrijft voor dat marktdeelnemers de bevoegde instanties onverwijld in kennis stellen van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. In artikel 2, onderdeel d, van Verordening nr. 273/2004 is marktdeelnemer gedefinieerd als elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen. In onderdeel c van deze bepaling is in de handel brengen omschreven als elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Gemeenschap, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Gemeenschap, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte kan worden aangemerkt als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004. Voor het zijn van marktdeelnemer is vereist dat men betrokken is bij ofwel de levering van geregistreerde stoffen, ofwel de opslag, vervaardiging, productieverwerking, handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen. Ten aanzien van de tweede genoemde mogelijkheid geldt dat deze handelingen moeten zijn verricht met het oog op de levering van geregistreerde stoffen, zo leest de rechtbank deze definitie.

In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 779, nr. 5) is overwogen dat de wet, anders dan de Opiumwet, niet ziet op verboden (eind)producten, maar op grondstoffen. De regulering van de fabricage en de verhandeling van deze stoffen maakt het mogelijk om in te grijpen voordat het komt tot misbruik ervan. Verder is in de Memorie van toelichting bij de Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 329, nr. 3) vermeld dat een systeem noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de stoffen die nodig zijn om verdovende middelen te vervaardigen, niet in handen komen van personen die zich bezighouden met de illegale productie ervan. De rechtbank leidt hieruit af dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën ten doel heeft om te voorkomen dat grondstoffen terecht komen bij personen die zich bezighouden met de vervaardiging van verdovende middelen uit deze grondstoffen.

Mede gelet op het doel van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën is de rechtbank van oordeel dat met de levering van geregistreerde stoffen in Verordening nr. 273/2004 wordt gedoeld op het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander (handelaars, leveranciers, vervoerders) en niet op het in ontvangst nemen van deze stoffen met het doel deze vervolgens zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen (eindgebruikers). Om te kunnen worden aangemerkt als marktdeelnemer is dan ook vereist dat men betrokken is bij het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander dan wel bij de opslag, vervaardiging, productieverwerking, handel, distributie of handelsbemiddeling in geregistreerde stoffen met het oog op het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander.

Bij de bespreking van feiten 1 en 3 heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte in de loods in Ulicoten amfetamine heeft geproduceerd en chemicaliën bestemd voor de productie hiervan naar de loods heeft vervoerd en in de loods voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft dan ook geen handelingen ten aanzien van geregistreerde stoffen verricht met het oog op het afleveren hiervan aan een ander, maar met het doel om deze zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen. Dit betekent dat verdachte niet als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004 kan worden aangemerkt, zodat de rechtbank hem van feit 2 zal vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 25 november 2009 tot en met 17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen, van amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan

verdachte en verdachtes mededaders wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van dat

feit; hebbende verdachte en zijn mededaders

- chemicalien en grondstoffen en hardware bestemd voor de productie

van synthetische drugs voorhanden gehad en

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs.

3.

in de periode van 30

november 2009 tot 17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervaardigd

hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde

amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft. Daarnaast blijkt uit de reclasseringrapportage dat zijn detentie verdachte zeer zwaar valt, gelet op zijn medische toestand en de (financiële) situatie van zijn ouders. Volgens de raadsman zou een straf gelijk aan het voorarrest passend zijn, waarbij eventueel – gelet op het blanco strafblad – nog gedacht zou kunnen worden aan een voorwaardelijk deel. De eis van de officier van justitie staat niet in verhouding tot de strafeis tegen de medeverdachten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in

artikel 10a van de Opiumwet en de productie van amfetamine. Verdachte heeft hiertoe voorwerpen en grote hoeveelheden chemicaliën voorhanden gehad waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor de productie van synthetische drugs.

De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten ernstig. Verdachte heeft zich kennelijk ingelaten met deze criminele activiteiten om extra inkomsten te verwerven, zonder rekening te houden met de mogelijk negatieve effecten voor anderen. Zo brengt de opslag van chemicaliën en de productie van synthetische drugs gevaren met zich mee. Door het drugslaboratorium was er sprake van gevaar voor brand en/of ontploffing en/of het vrijkomen van giftige stoffen. Daarnaast leveren harddrugs voor de gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Voorbereidingshandelingen dienen krachtig te worden bestreden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ook de voorbereidingshandelingen voor de handel in drugs gepaard gaan met andere vormen van criminaliteit.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het niet passend zou zijn om aan verdachte een gelijke straf op te leggen als aan de twee medeverdachten die ook in de loods in Ulicoten zijn aangehouden. De rechtbank acht bij verdachte immers als extra feit de productie van amfetamine bewezen. Ook komt de rechtbank bij de medeverdachten tot een bewezenverklaring van slechts een bepaalde pleegdatum, terwijl zij in het geval van verdachte een langere pleegperiode bewezen acht.

Alles overwegend kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een forse gevangenisstraf. De door de officier van justitie gevorderde straf doet voldoende recht aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, ondanks het feit dat de rechtbank één feit minder bewezen heeft verklaard.

De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Een gedeelte van deze straf, te weten 12 maanden, zal zij voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank wijkt hiermee enigszins af van de eis van de officier van justitie, daarbij rekening houdend met het vrijwel blanco strafblad van verdachte. Hierbij merkt de rechtbank overigens op dat het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde straf feitelijk even lang is als de door de officier van justitie geëiste straf. Door een groot deel voorwaardelijk op te leggen wordt bewerkstelligd dat dit deel van de straf verdachte gedurende de proeftijd van 2 jaar boven het hoofd blijft hangen. Hiermee beoogt de rechtbank te voorkomen dat verdachte besluit zijn financiële problemen op te lossen door het plegen van nieuwe strafbare feiten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pick, voorzitter, mr. Kok en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten en Van Rijs, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25

november 2009 tot en met 17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten

het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied

van Nederland brengen van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

(een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of

geld(en) en/of andere betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan

verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den)

te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en);

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)

- chemicalien en/of grondstof(fen) en/of hardware bestemd voor de productie

van synthetische voorhanden gehad en/of

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs;

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op een of meerdere tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 25 november

2009 tot en met 17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als marktdeelnemer, de bevoegde instanties opzettelijk niet onverwijld in

kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot geregistreerde

stoffen, dat/die er op wijs/wijzen of kan wijzen, dat deze in de handel te

brengen geregistreerde stoffen wellicht misbuikt zullen worden voor de

illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk een hoeveelheid

BMK (1-Fenyl-2-Propanon) en/of zoutzuur en/of andere stoffen vervoerd en/of

opgeslagen en/of voorhanden gehad;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik

chemicalien en de Verordening (EG) nummer 273/2004 van het Europees Parlement

en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren)

(artikel 2 onder a van de Wet voorkoming misbruik chemicalien jo art. 8 lid 1

van de EG-verordening nr. 273/2004)

art 4 lid 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliën

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30

november 2009 tot 17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, in

elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervaardigd (een)

hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde

(telkens) amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 1 ahf/ond a alinea Opiumwet