Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP4346

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
984804-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor de overtreding van artikel 10a van de Opiumwet, te weten het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van amfetamine.

Vrijspraak voor overtreding van artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Verdachte heeft immers geen handelingen ten aanzien van geregistreerde stoffen verricht met het oog op het afleveren hiervan aan een ander, maar met het doel om deze zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen. Dit betekent dat verdachte niet als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004 kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 984804-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende aan de [adres]

raadsman mr. Van Doveren, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 januari 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Lemstra, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:

strafbare voorbereidingshandelingen heeft verricht ten aanzien van Opiumwetfeiten

Ten aanzien van feit 2:

niet voldaan heeft aan de inlichtingsverplichting met betrekking tot de Wet Voorkoming misbruik chemicaliën.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, namelijk dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Ten aanzien van dit feit baseert zij zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van gehouden observaties. Op 17 februari 2010 wordt in de productieruimte in de loods in Ulicoten de eerste kookstap van het productieproces van amfetamine verricht. Gedurende de tijd die dit in beslag neemt, bevinden verdachte en zijn medeverdachten [mededader 1] en [mededader 3] zich in de loods. Voorts wijst zij op de tapgesprekken. Hieruit komt naar voren dat medeverdachte [mededader 3] telefoongesprekken voert waaruit blijkt dat hij gaat werken samen met anderen en dat die anderen nieuwe glazen zijn gaan halen. Voorts wijst de officier van justitie op het feit dat verdachte de sleutels heeft van het cilinderslot op de toegangsdeur. Ten slotte wijst zij op het feit dat hij handschoenen draagt op het moment van aanhouding. Tevens acht de officier van justitie feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot dit feit stelt zij zich op het standpunt dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën zich ook richt tegen personen die zich bezig houden met de illegale productie van synthetische drugs.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten en wijst daarbij op het ontbreken van voldoende wettig bewijs.

Hij verzoekt daarom verdachte van beide feiten vrij te spreken. Er ligt een verklaring van de vader van medeverdachte [mededader 3], waarin wordt gesproken over een grote kale man waarmee verdachte zou worden bedoeld. De raadsman is van mening dat deze verklaring geen betrekking kan hebben op verdachte, gelet op de lengte van verdachte en stelt zich op het standpunt dat deze verklaring derhalve niet kan bijdragen aan het bewijs. Voorts wijst de raadsman er op dat er geen enkel DNA-profiel van verdachte is aangetroffen. Ten slotte wijst de raadsman op het ontbreken van de voor medeplegen benodigde nauwe en bewuste samenwerking. In de telefoongesprekken die medeverdachte [mededader 3] voert, wordt gesproken over het feit dat hij gaat werken samen met anderen. Er zijn meerdere verdachten in dit onderzoek aangehouden. Niet is komen vast te staan dat het gesprek van [mededader 3] duidt op verdachte. Verdachte is aanwezig geweest in de loods en had een sleutel van het cilinderslot in zijn zak. Ook hieruit blijkt niet dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Met betrekking tot feit 2 wijst de raadsman op een uitspraak van het Hof in Den Haag, inhoudende dat artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën zich niet richt op deelnemers aan het handelsverkeer die zich schuldig maken aan (voorbereiden of bevorderen van) de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen met behulp van de in de handel te brengen geregistreerde stoffen. Voorts stelt de raadsman dat sprake is van eendaadse samenloop.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Aantreffen amfetaminelaboratorium

Op 17 februari 2010 werd in een loods aan de [adres] een volledig ingerichte en in werking zijnde productielocatie voor amfetamine aangetroffen. Verdachte en medeverdachten [mededader 3] en [mededader 1] werden op diezelfde datum om 14.30 uur in de loods aangehouden.

De Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) heeft gerelateerd dat in de loods de eerste fase van het proces met betrekking tot de synthese van amfetamine volgens de zogeheten Leuckartmethode zeer recentelijk had plaatsgevonden. Ten tijde van de inval en de aanhouding van de verdachten was, gelet op de aangetroffen vloeistof en de temperatuur daarvan , net de eerste kookstap afgerond.

De loods in Ulicoten bestond uit verschillende gedeelten. Zo bevond de daadwerkelijke productieruimte zich – gezien vanaf de ingang – in een ruimte rechts achteraan in de loods (ruimte H1 genoemd), maar was er ook een ruimte (ruimte H4 genoemd) waarin onder meer Intermediate Bulk Containers (IBC’s), jerrycans en blauwe kunststofvaten stonden.

De jerrycans en vaten waren geheel of deels gevuld met afval (vloeistof) en chemicaliën.

In de jerrycans zaten onder meer zoutzuur, mierenzuur en restant van BMK.

In ruimte H1 zijn twee volle jerrycans met BMK aangetroffen.

De indeling van de loods en de situatie ter plaatse blijkt verder uit de foto’s die als bijlagen zijn gevoegd bij de rapportage van het LFO.

De rechtbank stelt vast dat de loods weliswaar uit verschillende ruimtes bestond, maar dat deze ruimtes vrij toegankelijk waren en het dus niet ging om geheel los van elkaar bestaande afgesloten ruimtes. Het LFO heeft beschreven dat zij al bij het betreden van de loods de hen bekende en kenmerkende geur van amfetamineachtige producten roken.

Op grond hiervan trekt de rechtbank de conclusie dat het op 17 februari 2010 onmogelijk moet zijn geweest om in de loods aanwezig te zijn, zonder kennis te dragen van de aanwezigheid van de productieplaats op zich en de eerste kookstap die daar op dat moment plaatsvond.

Observaties op 17 februari 2010 en aanhouding van verdachten

Enkele uren voor het aantreffen van het laboratorium werd middels een (technische) observatie waargenomen dat medeverdachte [mededader 3] in een huurauto met kenteken [( - - )] wegreed bij zijn woning en dat hij twee mannen ophaalde. Dit drietal reed vervolgens naar België, alwaar zij de huurauto inleverden, om vervolgens in de Citroën C5 met kenteken [( - - )], op naam van [mededader 3], terug te rijden naar Nederland. Ongeveer een uur later, omstreeks 11.00 uur ’s ochtends, arriveren de drie mannen bij de loods in Ulicoten. De loods is vervolgens vanaf dat moment tot aan het moment van aanhouding (om 14.30 uur, dus ruim drie uur later) continu in observatie geweest.

De observanten hebben gezien dat twee van de drie inzittenden van de Citroën C5 de loods zijn binnengegaan, en hebben niet gezien dat iemand op enig moment de loods heeft verlaten. Door de observanten is niet gezien dat de derde persoon ook de loods heeft betreden. De rechtbank leidt echter uit de omstandigheden dat er drie mannen in de auto zaten, dat er drie mannen in de loods zijn aangehouden en dat de genoemde Citroën C5 in de loods stond geparkeerd, af dat het hier steeds gaat om hetzelfde drietal, te weten de verdachten [mededader 3], [mededader 1] en [verdachte].

In het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de aanhouding wordt gerelateerd dat de verbalisant die de loods binnenging, zag dat de drie verdachten van rechts, achter de houten muur vandaan kwamen, dus vanuit de richting waar de productieplaats zich bevond.

Betrokkenheid verdachten bij voorbereidingshandelingen

De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of de drie verdachten – naast het feit dat zij in de loods zijn aangehouden – aan de daar aangetroffen chemicaliën, grondstoffen en hardware gelinkt kunnen worden. Hebben deze verdachten het voornoemde voorhanden gehad en kan gesproken worden van medeplegen? De rechtbank stelt hiertoe het navolgende vast.

Allereerst staat voor de rechtbank vast dat medeverdachte [mededader 3] de huurder van de loods is geweest. Getuige [getuige 1] , eigenaar van de loods, heeft dit verklaard, en in het dossier is een huurovereenkomst met betrekking tot de loods op naam van [mededader 3] opgenomen. Als huurder van de loods beschikte [mededader 3] ook over de sleutels van het cilinderslot van de toegangsdeur. Echter ook verdachte bleek sleutels van de toegangsdeur bij zich te dragen. Daarnaast droeg verdachte handschoenen op het moment dat hij werd aangehouden en uit de richting van de productieruimte kwam gelopen. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte handschoenen droeg om zichzelf te beschermen of ter voorkoming van sporen. Dit wijst erop dat hij die dag op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de eerste stap in het productieproces van amfetamine.

Van medeverdachte [mededader 1] is DNA-materiaal aangetroffen in de productieruimte, namelijk op twee Spa-flesjes en op een zestal sigarettenpeuken in een asbak die in de desbetreffende ruimte stond.

De rechtbank stelt vast dat de verdachten [mededader 3], [mededader 1] en [verdachte] op 17 februari 2010 samen via België naar Ulicoten zijn gereden en vervolgens enkele uren samen zijn geweest in de loods. Deze feiten en omstandigheden vragen om een nadere uitleg of toelichting van verdachte. Nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor voornoemde omstandigheden, leidt de rechtbank uit deze omstandigheden af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [mededader 3], [mededader 1] en [verdachte] en dat deze samenwerking gericht was op de productie van synthetische drugs. Op het moment dat zij werden aangehouden, hadden zij juist de eerste fase van het productieproces afgerond. Hiertoe hebben zij chemicaliën, grondstoffen en hardware bestemd voor die productie voorhanden gehad en de loods in Ulicoten gehuurd. Weliswaar is deze loods daadwerkelijk gehuurd door medeverdachte [mededader 3], maar gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten houdt de rechtbank ook [mededader 1] en [verdachte] hiervoor verantwoordelijk.

Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op

17 februari 2010 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 10a van de Opiumwet, te weten het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van amfetamine.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij als marktdeelnemer opzettelijk BMK, zoutzuur en andere stoffen heeft vervoerd, opgeslagen en voorhanden heeft gehad, zonder daarvan melding te maken aan de bevoegde instanties, terwijl er aanwijzingen waren dat de stoffen misbruikt zouden worden voor de vervaardiging van verdovende middelen.

Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën bepaalt dat het is verboden om te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 8 van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47) (hierna te noemen: Verordening nr. 273/2004). Artikel 8 van Verordening nr. 273/2004 schrijft voor dat marktdeelnemers de bevoegde instanties onverwijld in kennis stellen van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. In artikel 2, onderdeel d, van Verordening nr. 273/2004 is marktdeelnemer gedefinieerd als elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen. In onderdeel c van deze bepaling is in de handel brengen omschreven als elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Gemeenschap, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Gemeenschap, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte kan worden aangemerkt als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004. Voor het zijn van marktdeelnemer is vereist dat men betrokken is bij ofwel de levering van geregistreerde stoffen, ofwel de opslag, vervaardiging, productieverwerking, handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen. Ten aanzien van de tweede genoemde mogelijkheid geldt dat deze handelingen moeten zijn verricht met het oog op de levering van geregistreerde stoffen, zo leest de rechtbank deze definitie.

In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 779, nr. 5) is overwogen dat de wet, anders dan de Opiumwet, niet ziet op verboden (eind)producten, maar op grondstoffen. De regulering van de fabricage en de verhandeling van deze stoffen maakt het mogelijk om in te grijpen voordat het komt tot misbruik ervan. Verder is in de Memorie van toelichting bij de Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 329, nr. 3) vermeld dat een systeem noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de stoffen die nodig zijn om verdovende middelen te vervaardigen, niet in handen komen van personen die zich bezighouden met de illegale productie ervan. De rechtbank leidt hieruit af dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën ten doel heeft om te voorkomen dat grondstoffen terecht komen bij personen die zich bezighouden met de vervaardiging van verdovende middelen uit deze grondstoffen.

Mede gelet op het doel van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën is de rechtbank van oordeel dat met de levering van geregistreerde stoffen in Verordening nr. 273/2004 wordt gedoeld op het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander (handelaars, leveranciers, vervoerders) en niet op het in ontvangst nemen van deze stoffen met het doel deze vervolgens zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen (eindgebruikers). Om te kunnen worden aangemerkt als marktdeelnemer is dan ook vereist dat men betrokken is bij het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander dan wel bij de opslag, vervaardiging, productieverwerking, handel, distributie of handelsbemiddeling in geregistreerde stoffen met het oog op het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander.

Bij de bespreking van feit 1 heeft de rechtbank vastgesteld dat in de loods in Ulicoten apparatuur en chemicaliën, waaronder BMK en zoutzuur, zijn aangetroffen, die passen bij de productie van amfetamine. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de eerste stap in het productieproces van amfetamine. De rechtbank neemt daarom aan dat de in de loods in Ulicoten aangetroffen chemicaliën bestemd waren voor de productie van amfetamine en niet om te worden afgeleverd aan een ander. Ook overigens is niet gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander of handelingen met het oog op een dergelijke aflevering heeft verricht. Dit betekent dat verdachte niet als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004 kan worden aangemerkt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen, van amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten , dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

hebbende verdachte en zijn mededaders

- chemicalien en grondstoffen en hardware bestemd voor de productie

van synthetische drugs voorhanden gehad en

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat hij de eis van de officier van justitie veel te hoog vindt. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen dan wijst de raadsman op het feit dat het gaat om een periode van drie uur en dat de rol van verdachte in dat geval heel gering is geweest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in

artikel 10a van de Opiumwet. Verdachte heeft hiertoe voorwerpen en grote hoeveelheden chemicaliën voorhanden gehad waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor de productie van synthetische drugs.

De rechtbank acht het bewezenverklaarde feit ernstig. Verdachte heeft zich kennelijk ingelaten met deze criminele activiteiten om extra inkomsten te verwerven, zonder rekening te houden met de mogelijk negatieve effecten voor anderen. Zo brengt de opslag van chemicaliën en de productie van synthetische drugs gevaren met zich mee. Door het drugslaboratorium was er sprake van gevaar voor brand en/of ontploffing en/of het vrijkomen van giftige stoffen. Daarnaast leveren harddrugs voor de gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Voorbereidingshandelingen dienen krachtig te worden bestreden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ook de voorbereidingshandelingen voor de handel in drugs gepaard gaan met andere vormen van criminaliteit.

Alles overwegend kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De door de officier van justitie gevorderde straf doet voldoende recht aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte, ondanks het feit dat de rechtbank één feit minder bewezen heeft verklaard.

De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf van

18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pick, voorzitter, mr. Kok en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten en Van Rijs, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25

november 2009 tot en met 17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten

het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied

van Nederland brengen van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

(een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of

geld(en) en/of andere betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan

verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den)

te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en);

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)

- chemicalien en/of grondstof(fen) en/of hardware bestemd voor de productie

van synthetische voorhanden gehad en/of

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs;

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op een of meerdere tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 25 november

2009 tot en met 17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als marktdeelnemer, de bevoegde instanties opzettelijk niet onverwijld in

kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot geregistreerde

stoffen, dat/die er op wijs/wijzen of kan wijzen, dat deze in de handel te

brengen geregistreerde stoffen wellicht misbuikt zullen worden voor de

illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk een hoeveelheid

BMK (1-Fenyl-2-Propanon) en/of zoutzuur en/of andere stoffen vervoerd en/of

opgeslagen en/of voorhanden gehad;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik

chemicalien en de Verordening (EG) nummer 273/2004 van het Europees Parlement

en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren)

(artikel 2 onder a van de Wet voorkoming misbruik chemicalien jo art. 8 lid 1

van de EG-verordening nr. 273/2004)

art 4 lid 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliën