Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP4045

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
984802-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor de overtreding van artikel 10a van de Opiumwet, te weten het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van amfetamine, en het vervaardigen van amfetamine).

Vrijspraak voor overtreding van artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Verdachte heeft immers geen handelingen ten aanzien van geregistreerde stoffen verricht met het oog op het afleveren hiervan aan een ander, maar met het doel om deze zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen. Dit betekent dat verdachte niet als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004 kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 984802-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en [adres]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Zuketto, advocaat te Maastricht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 januari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Lemstra, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

amfetamine heeft vervaardigd;

Feit 2:

strafbare voorbereidingshandelingen heeft verricht ten aanzien van Opiumwetfeiten;

Feit 3:

niet voldaan heeft aan de inlichtingsverplichting met betrekking tot de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle drie de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 (productie van amfetamine) baseert zij zich op de bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Landelijke Faciliteit en Ondersteuning Ontmantelen (LFO), waaruit blijkt dat er in de nacht van 13 op 14 januari 2010 vermoedelijk alleen is gewerkt met 4-methyl BMK, hetgeen geen strafbaar product oplevert. Uit de andere aangetroffen stoffen kan echter wel worden afgeleid dat er eerder “gewone” amfetamine is geproduceerd. Zij wijst hiervoor op het feit dat er BMK en N-Formylamfetamine is aangetroffen. Voorts wijst de officier van justitie op het kladblok dat is aangetroffen op een werkbank waarin aantekeningen staan die te relateren zijn aan de productie van amfetamine en wel aan de uit te voeren kookstappen voor de synthese van amfetamine. Verder kan uit deze aantekeningen worden afgeleid dat 6 à 7 keer is begonnen met de eerste kookstap en zo’n 7 keer met de tweede kookstap. Bij de tweede kookstap wordt de N-Formylamfetamine omgezet in amfetamine. Na de tweede kookstap ontstaat derhalve het strafbare product amfetamine en is er sprake van een voltooid delict. Voor de betrokkenheid van verdachte bij deze productie wijst de officier van justitie op de getuigenverklaring van [verdachte], het proces-verbaal van gehouden observaties en het NFI rapport waaruit blijkt dat er DNA materiaal van verdachte is aangetroffen op twee gelaatsmaskers waarop ook sporen van amfetamine zijn aangetroffen. Uit de observaties blijkt onder andere dat de bus met kenteken [ - - ] in december een paar keer bij de woning van medeverdachte [mededader 1] stond geparkeerd, terwijl de bus op dat moment was gehuurd door verdachte. Voorts is begin januari gezien dat [mededader 1] en verdachte betrokken zijn geweest bij het vervoer van chemicaliën naar de loods.

Ter zake van feit 2 (voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs) baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van doorzoeking, waaruit blijkt dat er verschillende chemicaliën zijn aangetroffen die nog gebruikt kunnen worden voor de productie van amfetamine. Verdachte en [mededader 1] hebben de hardware en chemicaliën voorhanden gehad om amfetamine te vervaardigen en [mededader 1] heeft de loods met dat doel gehuurd.

Met betrekking tot feit 3 (overtreding van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën) stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën zich ook richt tegen de personen die zich bezig houden met de illegale productie van synthetische drugs.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en vraagt vrijspraak voor alle tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 (productie van amfetamine) heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte pas begin januari in beeld is gekomen. In de nacht van 13 januari op 14 januari 2010 is er geen amfetamine vervaardigd. De amfetamine moet derhalve eerder zijn vervaardigd. Niet vast staat door wie dit is gedaan en waar dit heeft plaatsgevonden. Niet gebleken is dat verdachte dit heeft gedaan en hiertoe in een nauwe en bewuste samenwerking heeft gehandeld. Met betrekking tot de aangetroffen DNA-profielen van verdachte op de gelaatsmaskers heeft de raadsman aangevoerd dat dit niks zegt over de betrokkenheid van verdachte. Hetzelfde geldt voor het aangetroffen kladblok. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat op geen enkele wijze is komen vast te staan dat verdachte gedurende een lange periode in Yerseke is geweest, waardoor hij niet in staat is geweest iets strafbaars te doen. Ook voor het aanwezig hebben van amfetamine acht de raadman onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig. Hij is van mening dat geen bewijs voorhanden is dat verdachte boze opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van amfetamine. Ook van voorwaardelijk opzet is naar de mening van de raadsman geen sprake. Degene die betrokken is geweest bij de vervaardiging van amfetamine is kennelijk niet in staat geweest om de olie volledig te scheiden van het afvalproduct. Verdachte heeft derhalve geen beschikking gehad over amfetamine.

Ter zake van feit 2 (voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs) heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs voorhanden is dat verdachte de loods heeft gehuurd. Ter zake van het tweede gedachtestreepje in de tenlastelegging, te weten het voorhanden hebben van de chemicaliën heeft de raadsman gesteld dat er geen bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat deze chemicaliën bedoeld waren voor de voorbereidingshandelingen genoemd in artikel 10a van de Opiumwet.

Met betrekking tot feit 3 (overtreding van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën) heeft de raadsman aangevoerd dat dit feit niet op verdachte betrekking heeft. De wetgever richt zich in deze bepaling niet op deelnemers aan het handelsverkeer die zich schuldig maken aan de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychtrope stoffen met behulp van de in de handel te brengen geregistreerde stoffen. Mocht de rechtbank hier niet in mee gaan dan heeft de raadsman aangevoerd dat veroordeling in strijd is met het nemo-tenetur beginsel.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De situatie in de loods aan de [adres] te Yerseke

Op 14 januari 2010 wordt een doorzoeking verricht in een loods gelegen aan de [adres] te Yerseke. In de loods worden ondermeer 2 afgesloten, 40 voets zeecontainers aangetroffen, waarin zich een in werking zijnd drugslaboratorium en een chemicaliën opslag bevinden. In het laboratorium wordt een grote hoeveelheid chemicaliën, verpakkingsmaterialen, afvalstoffen en hardware gerelateerd aan de productie van amfetamine/synthetische drugs aangetroffen. [naam expert 1] en [expert 2], beide expert bij het LFO van het Korps Landelijke Politiediensten, hebben de loods nader onderzocht. Bij het betreden van voornoemde loods roken zij de hen bekende en kenmerkende geur van amfetamineachtige producten. In de eerste container, te weten locatie F, stonden chemicaliën opgeslagen. De tweede container, te weten locatie G, was gevuld met productieapparatuur en chemicaliën die vermoedelijk gebruikt waren en kunnen worden voor de illegale vervaardiging van amfetamine middels de Leuckart methode. In Container F stond ongeveer 2000 liter aan de productie van amfetamine gerelateerde afvalproducten. Voorts werd er ongeveer 75 liter zwavelzuur, ongeveer 325 liter formamide, ongeveer 750 liter mierenzuur, ongeveer 450 liter zoutzuur, ongeveer 1250 liter methanol en twee volle en 31 lege zakken van 25 kg caustic soda aangetroffen. Ook werden er ongeveer 35 jerrycans van 5-liter aangetroffen die vermoedelijk BMK hebben bevat. In container G, waar de productieapparatuur stond, werd waargenomen dat sommige vloeistoffen nog warm waren. Het NFI heeft in haar rapport de Leuckart methode zoals deze is toegepast in de loods in Yerseke nader omschreven. Het productieproces bestaat uit een aantal stappen. Na de eerste kookstap ontstaat N-Formylamfetamine. Bij de tweede kookstap wordt de

N-Formylamfetamine omgezet in amfetamine door het te verwarmen met een overmaat van zoutzuur. De productieopstelling zoals is aangetroffen in de loods in Yerseke is kenmerkend voor de eerste en tweede stap van de Leuckart methode. Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat in de loods in Yerseke een aanvang is genomen met de volgende stappen.

Onderzoek door het NFI heeft uitgewezen dat er gezien de verhoogde temperaturen in een aantal jerrycans recent nog productiegerelateerde activiteiten waren uitgevoerd. De samenstellingen van de warme mengsels waren allemaal terug te voeren op de vervaardiging van 4-methylamfetamine vanuit 4-methyl-BMK. Hieruit heeft het NFI geconcludeerd dat er in de loods 4-methylamfetamine werd vervaardigd vanuit 4-methyl-BMK. 4-methyl-BMK en 4-methylamfetamine, zijn stoffen die niet staan vermeld op een van de lijsten van de Opiumwet.

Verder stonden er in de containers verpakkingen met resten van de grondstof BMK en volle vaten met afval kenmerkend voor de productie van amfetamine uit BMK met een Leuckartreactie. In het afval werden amfetamine en N-Formylamfetamine aangetoond. In het wasvat dat was aangesloten op de metalen ketel (reactievat) werd een combinatie aangetroffen van voornamelijk BMK en in mindere mate 4-methyl-BMK. Hieruit valt af te leiden dat beide grondstoffen zijn gebruikt voor een Leuckartreactie. Gelet op het feit dat er geen afval met een mengsel van deze grondstoffen is aangetroffen, is het aannemelijk dat de productie in afzonderlijke stappen heeft plaatsgevonden. Op basis van de aangetroffen verpakkingen en afval heeft het NFI geconcludeerd dat er zo’n 200-300 liter BMK is verwerkt. Op grond van de richtlijnen die het NFI hanteert zou dat ongeveer 100 tot 150 kilo amfetaminesulfaat opleveren.

Vergelijkend onderzoek van het LFO heeft uitgewezen dat er overeenkomsten zijn tussen de witte jerrycans op de locatie [adres] te Yerseke en de aangetroffen witte jerrycans op de locatie [adres] in België. Gelet op deze overeenkomsten is het volgens het LFO aannemelijk dat de locatie [adres] in België is gebruikt om de chemicaliën vanuit 220 en 200 liter vaten over te pompen in jerrycans met een inhoudsmaat 25 liter, waarna deze vervoerd zijn naar de locatie in Yerseke.

[verdachte] heeft verklaard dat de loods gelegen aan de [adres] te Yerseke zijn eigendom is. Op 15 september 2009 heeft hij de loods verhuurd aan medeverdachte [mededader 1]. Ongeveer een maand geleden kwam [mededader 1] met een oplegger twee containers brengen die hij in zijn loodsgedeelte wilde hebben. [verdachte] heeft geholpen deze containers in de loods te zetten en zag dat deze containers op dat moment leeg waren. [verdachte] is op

14 januari 2010 door de politie gehoord. De rechtbank leidt hieruit af dat de containers in de maand december in de loods zijn gezet.

Bij de doorzoeking in de loods zijn onder andere handschoenen en twee gelaatsmaskers aangetroffen. Dit materiaal is door het NFI bemonsterd en onderzocht. Zowel op de handschoenen als op één van de gelaatsmaskers (met identiteitszegel AACH3265) zijn amfetaminesporen aangetroffen. De handschoenen en de gelaatsmaskers zijn tevens onderzocht op celmateriaal. Van het DNA op de gelaatsmaskers zijn volledige DNA-profielen verkregen. Deze DNA-profielen matchen met [mededader 1] en verdachte. Ten aanzien van het DNA-profiel van het celmateriaal op het gelaatsmasker met identiteitszegel AACH3265#01 is de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner dan één op één miljard. Ten aanzien van het gelaatsmasker met identiteitszegel AACH3262 geldt dat deze kans eveneens kleiner dan één op één miljard is. Voor [mededader 1] geldt dat er telkens sprake was van een hoofdprofiel en bij verdachte was sprake van een nevenprofiel.

Ook van het DNA op de handschoenen is een volledig DNA-profiel verkregen. Dit profiel matcht met het profiel van [mededader 1]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA-profiel van het celmateriaal op de handschoenen met identiteitszegel AACH3268 is kleiner dan één op één miljard. De rechtbank leidt hieruit af dat [mededader 1] en verdachte gebruik hebben gemaakt van de gelaatsmaskers die zijn gevonden in de loods. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat [mededader 1] ook gebruik heeft gemaakt van de hierboven genoemde handschoenen.

De rechtbank overweegt dat in de nacht van 13 op 14 januari 2010 vermoedelijk alleen is gewerkt met 4-methyl BMK, hetgeen geen strafbaar product oplevert. Het afval dat is aangetroffen duidt er echter op dat er eerder amfetamine is geproduceerd. Er zijn (restanten) BMK, N Formylamfetamine en ook amfetamine aangetroffen in de loods. Daar komt bij dat het wasvat dat was aangesloten op de metalen ketel (reactievat) voornamelijk BMK bevat. De rechtbank leidt hieruit af dat men eerder in deze productieopstelling bezig is geweest met de productie van amfetamine. Het aantreffen van N Formylamfetamine en amfetamine in het afval duidt erop dat de tweede kookstap is uitgevoerd. Tijdens deze productiefase wordt N-Formylamfetamine omgezet in amfetamine. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat na deze kookstap het strafbare product ontstaat. De Opiumwet vereist niet dat sprake is van direct consumeerbare amfetamine. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een voltooid delict. Op basis van aangetroffen verpakkingen en afval heeft het NFI geconcludeerd dat de productie zo’n 100 tot 150 kilo amfetaminesulfaat kan hebben opgeleverd.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze productie in de containers in de loods in Yerseke heeft plaatsgevonden. Hierbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat [verdachte] heeft verklaard dat de containers leeg waren op het moment dat deze werden geplaatst in de loods. De rechtbank acht het, gelet op de grote hoeveelheden aangetroffen afval, voorts niet aannemelijk dat het afval later naar de containers is gebracht.

Betrokkenheid van verdachte

Observaties van 15 december 2009

Van 30 november 2009 tot en met 17 december 2009 werd een Mercedes Vito met kenteken [ - - ] gehuurd door verdachte. Op 9 december 2009 werd gezien dat deze Mercedes Vito geparkeerd stond in de nabijheid van de woning van [mededader 1]. Ook op 10 en 11 december 2009 was dit het geval. In deze Mercedes Vito werd een registrerend baken geplaatst. Hieruit is gebleken dat de Mercedes Vito op 15 december 2009 om 9.31 uur stil stond bij de woning van [mededader 1]. Om 16.40 uur komt deze Mercedes Vito aan op de [adres] in Yerseke en om 16.57 uur rijdt deze Mercedes Vito weer terug naar Tilburg.

Observaties van 7 januari 2010

Gezien wordt dan medeverdachte [mededader 2] om 15.04 uur met een Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [ - - ] ter hoogte van de grensovergang Hazeldonk West in de richting van België rijdt. Er wordt gezien dat zij de grensovergang passeert en België vervolgens in rijdt. Door de Belgische observanten wordt om 15.25 uur gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [ - - ] bij de [adres] rijdt met [mededader 2] als bestuurster. Zij rijdt naar de achterkant van de loods. Om 15.42 uur verlaat zij het terrein en het voertuig lijkt op dat moment geladen te zijn. Gezien wordt dat [mededader 2] om 16.06 uur als bestuurster in de bus voorzien van het kenteken [ - - ] op de A16 ter hoogte van de grensovergang Hazeldonk Oost rijdt. Zij komt uit de richting van België. Ze passeert de grensovergang en rijdt Nederland binnen. Gezien wordt dat het voertuig kennelijk zwaar beladen is. Om 16.31 uur belt [mededader 2] ([GSM nummer]) naar [mededader 1] ([GSM nummer]) met de mededeling dat zij thuis is. Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [GSM nummer] in gebruik is bij [mededader 2] en dat het telefoonnummer [GSM nummer] in gebruik is bij medeverdachte [mededader 1]. [mededader 1] laat haar weten dat hij eraan komt. Om 16.35 uur parkeert [mededader 2] de bus voorzien van het kenteken [ - - ] in de [adres] en gaat haar woning binnen. Om 18.02 uur wordt gezien dat [mededader 1] met zijn Mercedes voorzien van het kenteken [ - - ] met een onbekende man (NN1) naar de [adres] rijdt. Later is NN1 herkend als verdachte. Om 18.30 uur wordt gezien dat [mededader 1] in de deuropening staat van de [adres]. Hij vertrekt in de [ - - ] en verdachte stapt in de [ - - ]. Om 20.03 uur ziet de verbalisant dat de auto voorzien van het kenteken [ - - ] in de richting [adres] 47 te Yerseke rijdt. Deze auto wordt gevolgd door de auto voorzien van het kenteken [ - - ]. Om 20.06 wordt gezien dat een auto over het terrein van de [adres] 47 rijdt, ter hoogte van de loods. Gezien wordt dat om 20.15 uur de roldeur van de loods op het terrein van de [adres] 47 open staat en dat beide voertuigen voorzien van de kentekens [ - - ] en [ - - ] in de loods rijden. Beide voertuigen staan kort stil in het midden van de loods. Om 20.16 uur rijden beide auto’s de loods weer uit en om 21.00 uur wordt gezien dat deze auto’s over de autosnelweg A58 ter hoogte van Gilze-Rijen rijden. Om 21.18 uur staan de auto’s weer geparkeerd aan de [adres] 8. De auto met kenteken 4-VGZ-69 wordt achtergelaten en [mededader 1] en verdachte rijden weg in de auto voorzien van het kenteken [ - - ]. Door de verbalisant werd door de achterruit van de auto met kenteken [ - - ] gezien dat de laadruimte leeg was.

Observaties van 11 januari 2010

Op 11 januari 2010 heeft de politie opnieuw een observatie gehouden. Door de Belgische observanten wordt om 11.55 uur gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [ - - ] stopt aan de achterzijde van Ecu Products. Om 12.04 uur rijdt deze Volkswagen Transporter het terrein [adres] op. Om 12.24 uur verlaat dit voertuig het terrein en hangt het duidelijk lager in de vering dan bij aankomst op het terrein te Rijkevorsel. Om 12.47 uur wordt de observatie van de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [ - - ] ter hoogte van de grensovergang Hazeldonk overgenomen van de Belgische politie. Gezien wordt dat de achterzijde van deze Transporter achterover helt. Het voertuig is in de achterzijde ver in de veren gezakt. Dit is niet het geval aan de voorzijde van het voertuig. De rechtbank leidt hieruit af dat de Volkswagen Transporter op dit moment geladen is. [mededader 2] bestuurt de Volkswagen Transporter. Gezien wordt dat [mededader 2] om 13.10 uur stil staat bij de [adres] Dit is het huis van de broer ([naam]) van [mededader 2]. Dit strookt met het telefoongesprek dat wordt gevoerd door [mededader 2] ([GSM nummer]) met [mededader 1] ([GSM nummer]). Hierin vraagt zij of hij naar [naam] wil komen en haar thuis wil brengen. Door de verbalisanten wordt om 13.23 uur gezien dat de bestuurder (NN2) van een auto met kenteken [ - - ] parkeert aan de Gramsbergenlaan 23 en dat hij naar dit huis loopt. NN2 wordt hierbij herkend als [mededader 1]. Hierna rijden [mededader 2] en [mededader 1] om 13.24 uur samen weg in de auto voorzien van het kenteken [ - - ]. Om 14.23 uur wordt gezien dat [mededader 2] terugkeert bij de Gramsbergenlaan 23 met een Mercedes voorzien van het kenteken [ - - ]. Om 16.47 uur komen [mededader 1] en een onbekende man (NN3) met een Mercedes voorzien van kenteken [ - - ] aan bij het dit adres. NN3 stapt vervolgens in de Transporter voorzien van het kenteken [ - - ]. Beide voertuigen rijden achter elkaar weg. NN3 wordt later herkend als verdachte. Om 16.56 uur rijdt de Transporter het hofje aan de [adres] in ter hoogte van nummer 16. Om 17.02 uur staat de Mercedes ook geparkeerd op dit adres. Door de verbalisant wordt gezien dat [mededader 1] en verdachte de [adres] 16 verlaten. [mededader 1] stapt in de Mercedes voorzien van het kenteken [ - - ] en om 17.06 vertrekt verdachte in de Transporter. Gezien wordt dat om 17.41 uur beide auto’s geparkeerd staan bij het Shell station Hoezaar langs de A58. Om 17.47 uur verlaten zij het tankstation. Om 18.27 uur ziet de verbalisant de auto’s voorzien van de kentekens [ - - ] en [ - - ] het terrein van de [adres] 47 oprijden. Vier mannen staan om 18.50 uur voor de roldeur van de loods en gaan daar naar binnen. De auto’s voorzien van de kentekens [ - - ] en [ - - ] rijden om 19.40 uur over de Hogeweg te Yerseke. Gezien wordt dat de Transporter voorzien van het kenteken [ - - ] niet meer achterover helt en dat het voertuig aan de achterzijde niet meer in zijn veren hangt. De rechtbank leidt hieruit af dat de bus inmiddels is gelost.

In aanvulling op bovengenoemde observaties heeft De [naam werknemer] verklaard dat hij werkzaamheden uitvoert voor de firma Ecu Products van [naam eigenaar]. [mededader 2] is verschillende keren bij de loods in Rijkevorsel geweest om chemicaliën te halen. Ze deed haar bestelling bij [naam eigenaar] en daarna kwam zij de producten afhalen bij De [naam werknemer]. De producten die zij meenam waren vaak zoutzuur, methanol, mierenzuur of formamide.

Betrokkenheid verdachte bij productie van amfetamine (feit 1)

Uit de observaties, de verschillende tapgesprekken en de verklaring van De [naam werknemer] leidt de rechtbank af dat verdachte op 7 en 11 januari 2010 chemicaliën naar de loods aan de [adres] 47 te Yerseke heeft gebracht die afkomstig zijn van Ecu Products in België.

Op 14 januari 2010 zijn verdachte en [mededader 1] samen aangehouden op de snelweg A58 onder Bergen op Zoom in de Mercedes van [mededader 1] voorzien van het kenteken [ - - ]. Bij onderzoek in deze Mercedes werden onder andere drie sleutels, een afstandbediening en een paspoort op naam van [mededader 1] aangetroffen en in beslag genomen. De afstandbediening bleek toegang te verschaffen tot de roldeur van de loods aan de [adres] 47 te Yerseke. De sleutels die werden aangetroffen in de auto bleken te passen op de sloten waarmee de genoemde containers van de loods werden afgesloten.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen voldoende bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken is geweest bij de productie van amfetamine in de loods in Yerseke. Gebleken is dat een auto die door verdachte is gehuurd, al op

15 december 2009 bij de loods in Yerseke is gesignaleerd. Uit de observaties en taps blijkt verder dat verdachte twee keer chemicaliën heeft gebracht naar de loods in Yerseke en dat hij daarvoor in de loods is geweest. Daarnaast is er DNA van verdachte aangetroffen op de gelaatsmaskers die in de loods in Yerseke zijn gevonden. Op één van deze maskers zijn sporen van amfetamine aangetroffen. Ten slotte is verdachte op 14 januari 2010 in de buurt van de loods aangehouden. Kort daarvoor had men zich in deze loods bezig gehouden met de productie van 4-methylamfetamine volgens een productieproces dat gelijk is aan het productieproces van amfetamine. Al deze omstandigheden bij elkaar vragen naar het oordeel van de rechtbank om een uitleg van verdachte, die er niet is gekomen. Het verweer van de raadsman dat er geen direct bewijs voorhanden is dat verdachte langere tijd in de loods is geweest, ondanks dat er is getapt en peilbakens zijn geplaatst, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Verdachte is immers niet continu onder observatie geweest en het is goed mogelijk dat er gebruik is gemaakt van andere auto’s en telefoons. Dit verweer zal derhalve worden verworpen.

Medeplegen

Anders dan de raadsman concludeert de rechtbank dat er sprake is geweest van medeplegen. Dit baseert de rechtbank onder andere op de observaties en de tapgesprekken. Hieruit blijkt dat verdachte en [mededader 1] hebben samengewerkt bij het vervoer van chemicaliën naar de loods aan de [adres] te Yerseke. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat van beide verdachten DNA is aangetroffen op de twee gelaatsmaskers die zijn aangetroffen in de loods. Op elk gelaatsmasker wordt zowel het DNA-profiel van verdachte als van [mededader 1] waargenomen. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte en [mededader 1] op

14 januari 2010 samen op de snelweg zijn aangehouden. Uit deze feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte en [mededader 1] nauw en bewust hebben samengewerkt en dat deze samenwerking uiteindelijk gericht was op de productie van synthetische drugs.

Conclusie feit 1

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande - alles in onderlinge samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander amfetamine heeft geproduceerd in de loods aan de Zweedijksweg te Yerseke. De rechtbank zal de periode laten aanvangen op 1 december 2009, gelet op de verklaring van [verdachte], dat de containers een maand voor zijn verhoor op 14 januari 2010 zijn geplaatst.

Betrokkenheid verdachte bij de voorbereidingshandelingen (feit 2)

Bij de bespreking van feit 1 heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachte in de periode van 1 december 2009 tot en met 14 januari 2010 amfetamine hebben geproduceerd in de loods aan de [adres] te Yerseke. Tevens is daar vermeld dat in de productieruimte, alsook op andere plekken dan de productieruimte, chemicaliën zijn aangetroffen die geschikt zijn voor de productie van amfetamine. Daarnaast is gebleken dat de productieopstelling zoals deze is aangetroffen in de loods in Yerseke kenmerkend is voor de eerste en tweede stap van de productie van amfetamine volgens de Leuckart methode. Op grond van deze omstandigheden en nu een andere verklaring omtrent de bestemming van deze chemicaliën ontbreekt, neemt de rechtbank aan dat de in de loods aanwezige chemicaliën bestemd waren voor de productie van amfetamine.

Daarnaast heeft de rechtbank bij de bespreking van feit 1 vastgesteld dat [mededader 1] de huurder van de loods is geweest. Dit blijkt immers uit de verklaring van de eigenaar van de loods, [verdachte]. [mededader 1] beschikte over sleutels van de loods en een afstandbediening van de roldeur van de loods. Ten slotte is uit de observaties gebleken dat [mededader 1] en verdachte betrokken zijn geweest bij het vervoer van chemicaliën en in de loods aanwezig zijn geweest.

Voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de Opiumwet is opzet vereist; de dader moet daadwerkelijk de wetenschap hebben gehad van de omstandigheid dat hij met zijn handelingen de productie van drugs bevorderde. Verdachte heeft verschillende chemicaliën voorhanden gehad, die kunnen dienen voor de productie van amfetamine. Gelet op de door de rechtbank geconstateerde betrokkenheid van verdachte bij de productie van amfetamine kan het niet anders dan dat verdachte wist dat de chemicaliën die hij voorhanden had, bestemd waren voor de productie van drugs. Verdachte heeft ook geen verklaring gegeven waarvoor de chemicaliën anders bedoeld zouden zijn.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich in de periode 1 december 2009 tot en met

14 januari 2010 samen met ander schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel

10a van de Opiumwet, te weten het voorbereiden van de productie van amfetamine.

Ten aanzien van feit 3

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij als marktdeelnemer opzettelijk BMK, zoutzuur en andere stoffen heeft vervoerd, opgeslagen en voorhanden heeft gehad, zonder daarvan melding te maken aan de bevoegde instanties, terwijl er aanwijzingen waren dat de stoffen misbruikt zouden worden voor de vervaardiging van verdovende middelen.

Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën bepaalt dat het is verboden om te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 8 van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47) (hierna te noemen: Verordening nr. 273/2004). Artikel 8 van Verordening nr. 273/2004 schrijft voor dat marktdeelnemers de bevoegde instanties onverwijld in kennis stellen van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. In artikel 2, onderdeel d, van Verordening nr. 273/2004 is marktdeelnemer gedefinieerd als elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen. In onderdeel c van deze bepaling is in de handel brengen omschreven als elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Gemeenschap, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Gemeenschap, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte kan worden aangemerkt als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004. Voor het zijn van marktdeelnemer is vereist dat men betrokken is bij ofwel de levering van geregistreerde stoffen, ofwel de opslag, vervaardiging, productieverwerking, handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen. Ten aanzien van de tweede genoemde mogelijkheid geldt dat deze handelingen moeten zijn verricht met het oog op de levering van geregistreerde stoffen, zo leest de rechtbank deze definitie.

In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 779, nr. 5) is overwogen dat de wet, anders dan de Opiumwet, niet ziet op verboden (eind)producten, maar op grondstoffen. De regulering van de fabricage en de verhandeling van deze stoffen maakt het mogelijk om in te grijpen voordat het komt tot misbruik ervan. Verder is in de Memorie van toelichting bij de Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 329, nr. 3) vermeld dat een systeem noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de stoffen die nodig zijn om verdovende middelen te vervaardigen, niet in handen komen van personen die zich bezighouden met de illegale productie ervan. De rechtbank leidt hieruit af dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën ten doel heeft om te voorkomen dat grondstoffen terecht komen bij personen die zich bezighouden met de vervaardiging van verdovende middelen uit deze grondstoffen.

Mede gelet op het doel van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën is de rechtbank van oordeel dat met de levering van geregistreerde stoffen in Verordening nr. 273/2004 wordt gedoeld op het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander (handelaars, leveranciers, vervoerders) en niet op het in ontvangst nemen van deze stoffen met het doel deze vervolgens zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen (eindgebruikers). Om te kunnen worden aangemerkt als marktdeelnemer is dan ook vereist dat men betrokken is bij het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander dan wel bij de opslag, vervaardiging, productieverwerking, handel, distributie of handelsbemiddeling in geregistreerde stoffen met het oog op het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander.

Bij de bespreking van feiten 1 en 2 heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte in de loods in Yerseke amfetamine heeft geproduceerd en chemicaliën bestemd voor de productie hiervan naar de loods heeft vervoerd en in de loods voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft dan ook geen handelingen ten aanzien van geregistreerde stoffen verricht met het oog op het afleveren hiervan aan een ander, maar met het doel om deze zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen. Dit betekent dat verdachte niet als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004 kan worden aangemerkt, zodat de rechtbank hem van feit 2 zal vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

in de periode van 1 december 2009 tot en met 14 januari 2010 te Yerseke, gemeente Reimerswaal, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 december 2009 tot en met 14 januari 2010 te Yerseke, gemeente Reimerswaal, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk, bereiden van amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit hebbende verdachte en verdachtes mededader

- chemicalien en grondstoffen en hardware bestemd voor de productie van

synthetische drugs voorhanden gehad en

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen en heeft verzocht verdachte vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd. De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Wel heeft hij heeft hij aangegeven de eis van de officier van justitie buitensporig te vinden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Verdachte heeft hiertoe voorwerpen en grote hoeveelheden chemicaliën voorhanden gehad waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor de productie van synthetische drugs. Daarnaast heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het produceren van een grote hoeveelheid amfetamine.

De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten ernstig. Verdachte heeft zich kennelijk ingelaten met deze criminele activiteiten om extra inkomsten te verwerven, zonder rekening te houden met de mogelijk negatieve effecten voor anderen. Zo brengt de opslag van chemicaliën en de productie van synthetische drugs gevaren met zich mee. Door het drugslaboratorium was er sprake van gevaar voor brand, ontploffing en het vrijkomen van giftige stoffen. Daarnaast leveren harddrugs voor de gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Voorbereidingshandelingen dienen krachtig te worden bestreden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ook de voorbereidingshandelingen voor de handel in drugs gepaard gaan met andere vormen van criminaliteit.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat hij op

8 juni 2009, dus kort voor deze feiten, is veroordeeld wegens een vergelijkbaar Opiumwetdelict. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om zich wederom in te laten met soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn rol in het productieproces, waarbij de rechtbank er vanuit is gegaan dat verdachte niet degene zal zijn die het grootste deel van de winst van de geproduceerde amfetamine zal hebben ontvangen. Daarnaast zijn de straftoemetingsrichtlijnen die deze rechtbank hanteert in aanmerking genomen. Gelet hierop zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten;

- personenauto 81-ZR-TB;

- kentekenbewijs;

- verzekeringsbewijs.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben, voorzitter, mr. Kok en mr. Pick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten en Van Rijs, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 september

2009 tot en met 14 januari 2010 te Yerseke, gemeente Reimerswaal, in elk geval

in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(een) hoeveelhe(i)d(en) amfetamine in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 september

2009 tot en met 14 januari 2010 te Yerseke, gemeente Reimerswaal, in elk geval

in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of

geld(en) en/of andere betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan hij,

verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- chemicalien en/of grondstoffen en/of hardware bestemd voor de productie van

synthetische drugs voorhanden gehad en/of

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs;

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij op een of meerdere tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 25 november

2009 tot en met 17 februari 2010 te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als marktdeelnemer, de bevoegde instanties opzettelijk niet onverwijld in

kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot geregistreerde

stoffen, dat/die er op wijs/wijzen of kan wijzen, dat deze in de handel te

brengen geregistreerde stoffen wellicht misbuikt zullen worden voor de

illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk een hoeveelheid

BMK (1-Fenyl-2-Propanon) en/of zoutzuur en/of andere stoffen vervoerd en/of

opgeslagen en/of voorhanden gehad;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik

chemicalien en de Verordening (EG) nummer 273/2004 van het Europees Parlement

en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren)

(artikel 2 onder a van de Wet voorkoming misbruik chemicalien jo art. 8 lid 1

van de EG-verordening nr. 273/2004)

art 4 lid 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliën