Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP3636

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
10/5150
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag politieagent. Eerdere waarschuwing en schriftelijke berisping. Aangifte tegen verzoeker naar aanleiding van verkeersincident. Verzoeker heeft door zijn handelwijze een voor aangeefster bedreigende situatie gecreëerd en laten voortduren. Plichtsverzuim. Niet aannemelijk dat verzoeker zich bedreigend heeft opgesteld en aangeefster heeft bedreigd. Voorzieningenrechter gaat dus deels uit van ander feitencomplex. Twijfel aan evenredigheid strafontslag. Toewijzing verzoek voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 5150 AW VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Rucphen, verzoeker,

gemachtigde mr. H.L.A. Ko,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Midden- en West-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 1 september 2010, verzonden 5 oktober 2010 (bestreden besluit), inzake onvoorwaardelijk strafontslag. Tevens heeft hij op 6 december 2010 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 januari 2011, waarbij aanwezig waren verzoeker en mr. M.T.P.H. Cleophas, kantoorgenoot van mr. H.L.A. Ko, en namens verweerder [woordvoerders verweerder].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is in 1977 in dienst getreden bij de politie. Hij is sinds 1 april 1994 aangesteld bij verweerder, laatstelijk in de functie van Basis Politie Functionaris C (BPF C).

Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft verweerder verzoeker een disciplinaire straf in de vorm van een schriftelijke berisping opgelegd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat verzoeker onacceptabel gedrag heeft vertoond bij een bezoek (in burger) aan de RDW. Daarnaast heeft verzoeker zich schuldig gemaakt aan het raadplegen van politiesystemen voor privédoeleinden. Gelet op verzoekers historie van incidenten en een door de districtschef gegeven ‘laatste waarschuwing’ op 21 oktober 2008, heeft verweerder verzoeker een laatste waarschuwing gegeven. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat als verzoeker zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan plichtsverzuim, zwaardere maatregelen niet kunnen uitblijven.

Op 26 maart 2010 heeft er een incident in het verkeer plaatsgevonden waarbij verzoeker en [naam aangeefster] (aangeefster) betrokken waren. Aangeefster heeft diezelfde dag een e-mail gestuurd naar verweerder om een afspraak te maken voor het doen van aangifte. Op 9 april 2010 heeft aangeefster aangifte gedaan tegen verzoeker van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Op 8 april 2010 is een strafrechtelijk/disciplinair onderzoek ingesteld naar verzoeker. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in onderzoeksrapport 2010/15. Het onderzoek is gesloten op 11 mei 2010.

Bij besluit van 20 mei 2010 heeft verweerder verzoeker buiten functie gesteld, is hem de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd en is het dienstwapen en legitimatiebewijs van verzoeker in beslag genomen. Verweerder heeft hierbij overwogen dat het vermoeden is gerezen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Verweerder heeft verzoeker ook meegedeeld voornemens te zijn hem te schorsen.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 mei 2010. Verzoeker heeft verder zijn bedenkingen geuit tegen het voornemen om tot schorsing over te gaan.

Bij brief van 27 mei 2010 heeft verweerder verzoeker meegedeeld voornemens te zijn hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Verweerder heeft hierbij overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker zich op 26 maart 2010 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van een bestuurder op de openbare weg in privétijd. Daarnaast heeft verzoeker het kenteken van aangeefster opgezocht in het Bedrijfsprocessensysteem (BPS), terwijl het raadplegen van het BPS voor privédoeleinden niet is toegestaan. Verweerder heeft dit aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Verweerder heeft verzoekers gedrag als strafverzwarend aangemerkt omdat verzoeker is aangesteld als medewerker BPF-C met het taakaccent ‘verkeerscoördinator’. Het past volgens verweerder dan niet dat juist verzoeker bedreigend en agressief gedrag in het verkeer heeft vertoond. Verweerder heeft verder gewezen op de omstandigheid dat verzoeker in het verleden vaker betrokken is geweest bij onprofessioneel en agressief gedrag en het feit dat verzoeker bij besluit van 5 augustus 2009 een laatste waarschuwing heeft gekregen. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk zijn zienswijze op dit voornemen naar voren te brengen.

Bij brief van 29 juni 2010 heeft verzoeker gebruik gemaakt van deze gelegenheid.

Bij besluit van 13 juni 2010 heeft verweerder verzoeker geschorst in het belang van de dienst. Daarnaast heeft verweerder besloten de ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen te laten voortduren.

Op 2 augustus 2010 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij verzoeker in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op het voorgenomen ontslag mondeling toe te lichten.

Verzoeker heeft zich op 1 september 2010 ziek gemeld.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker de disciplinaire straf opgelegd van oneervol ontslag met onmiddellijke ingang, wegens ernstig plichtsverzuim.

Bij besluit van 1 november 2010 heeft verweerder aangegeven dat er met ingang van 27 oktober 2010 geen sprake meer is van ziekte, gelet op het advies van de bedrijfsarts van die datum. Er bestaat vanaf dat moment voor verzoeker geen aanspraak meer op doorbetaling van zijn bezoldiging.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 november 2010.

2.2 Verzoeker heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft in het onderzoek de verklaring van aangeefster als leidend gebruikt en voor waar aangenomen. Verweerder heeft verzoekers omschrijving van de situatie nauwelijks in ogenschouw genomen. Verzoeker heeft zich niet bedreigend opgesteld tegenover aangeefster. Dit heeft verzoeker meerdere keren meegedeeld aan verweerder. De verslaglegging van het gesprek op 2 augustus 2010 is onvolledig. Verzoeker heeft op aanraden van zijn teamchef geen bezwaar gemaakt tegen de schriftelijke berisping van 5 augustus 2009. Verzoeker hoefde er geen rekening mee te houden dat deze berisping na twee jaar nog een rol zou spelen bij een besluit tot strafontslag. Er bestaat geen verband tussen het incident bij de RDW en de gebeurtenissen die aan het strafontslag ten grondslag liggen. Verzoeker ontkent dat er sprake is van meerdere incidenten en disciplinaire straffen. Verweerder heeft geen rekening gehouden met het feit dat verzoeker na 33 jaar trouw dienstverband oneervol wordt ontslagen. Er is geen sprake van een zorgvuldige afweging van de rechtstreeks betrokken belangen. Verzoeker is onevenredig getroffen door het ontslagbesluit, zeker gezien de lange duur van zijn dienstverband en zijn beperkte arbeidsgeschiktheid. Verzoeker heeft bovendien door het strafontslag geen recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Verzoeker heeft een beroep gedaan op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het bestreden besluit heeft voor verzoeker ernstige gevolgen voor zijn financiële en maatschappelijke positie. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen. Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om zijn werkzaamheden te hervatten, dan wel dat hem buitengewoon verlof wordt verleend onder doorbetaling van salaris en overige emolumenten.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van zijn verzoek om voorliggende voorziening, nu hij door het bestreden besluit zijn werk en zijn inkomen is kwijtgeraakt.

2.5 In artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft.

Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp is bepaald dat ontslag één van de straffen is die kan worden opgelegd.

In artikel 82 van het Barp is bepaald dat de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer wordt gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

2.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoeker disciplinair heeft ontslagen omdat verzoeker zich schuldig zou hebben gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder verzoeker verwijt dat hij door zijn handelwijze een klein verkeersincident uit de hand heeft laten lopen, waardoor aangeefster zich zodanig bedreigd voelde dat zij aangifte heeft gedaan tegen verzoeker.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker en aangeefster een andere lezing hebben over hetgeen op 26 maart 2010 heeft plaatsgevonden. Na bestudering van het procesdossier en het beluisteren van de geluidsopnames van de door verzoeker en aangeefster gevoerde gesprekken met de meldkamer, komt de voorzieningenrechter (kort samengevat) tot het volgende feitencomplex.

Aangeefster is met haar auto een kruispunt genaderd. Ze zag dat de auto van verzoeker het kruispunt van rechts naderde. Aangeefster heeft de inschatting gemaakt dat deze auto nog ver genoeg van het kruispunt verwijderd was en is de weg opgedraaid. Verzoeker heeft haar ingehaald. Uit onvrede met deze inhaalmanoeuvre heeft aangeefster met haar groot licht geknipperd. Verzoeker is vervolgens op de rijbaan gestopt. Aangeefster was daarom genoodzaakt om achter verzoekers auto te stoppen. Verzoeker is uit zijn auto gestapt en heeft de auto van verzoekster benaderd.

Verzoeker reed niet in een politieauto en was in burger. Hij heeft bij het benaderen van aangeefster zich niet gelegitimeerd als politieagent. Verzoeker heeft zich hiermee naar aangeefster toe als burger gepresenteerd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker door zijn handelwijze een voor aangeefster bedreigende situatie heeft gecreëerd. Aangeefster is door verzoeker gedwongen om te stoppen, nadat zij hem door middel van lichtsignalen heeft laten weten geïrriteerd te zijn over zijn rijgedrag. Verzoeker heeft hiermee de indruk gewekt dat hij bij aangeefster verhaal kwam halen. Verzoeker heeft zich vervolgens zeker 15 minuten opgehouden in de buurt van de auto van aangeefster. Nu verzoeker zich niet heeft gepresenteerd als politieagent, was het voor aangeefster niet zonder meer duidelijk dat er geen sprake was van een voor haar onveilige situatie. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het verzoeker aangerekend kan worden dat hij de voor aangeefster bedreigende situatie heeft laten voortduren. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verzoeker van het Districtelijk Service Centrum (DSC) te horen heeft gekregen dat het voor aangeefster zou helpen als hij zijn politielegitimatiebewijs zou tonen. Uit de geluidsopnames blijkt dat verzoeker te kennen heeft gegeven daar geen zin in te hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het op de weg van verzoeker gelegen om in ieder geval aan het verzoek van het DSC te voldoen om zodoende de gevoelens van onveiligheid bij aangeefster weg te nemen.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij is gestopt omdat aangeefster veelvuldig had geknipperd met haar groot licht en hij het gevoel had dat er iets met haar aan de hand was. Volgens verzoeker maakte aangeefster een verwarde indruk en zat zij gespannen in haar auto. Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat zijn houding en gedrag waren ingegeven uit bezorgdheid om het welzijn van aangeefster, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoekers stellingen op dit punt worden niet onderbouwd door objectiveerbare gegevens. Zo heeft verzoeker tijdens het gesprek met het DSC er geen blijk van gegeven zich zorgen te maken over de gemoedstoestand van aangeefster. De uitlating van verzoeker tegen de medewerkster van het DSC dat aangeefster een “zielig mens” is, alsmede de tekst van het handgeschreven briefje dat hij aan aangeefster heeft laten zien (“jammer van uw gedrag”), passen ook niet in het beeld dat verzoeker probeert te schetsen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het procesdossier en de geluidsopnames eerder naar voren komt dat verzoeker voor ogen had om met aangeefster het gesprek aan te gaan over de (naar zijn idee) door haar veroorzaakte onveilige verkeerssituatie. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, heeft verzoeker door zijn handelwijze een voor aangeefster bedreigende situatie doen ontstaan. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat op grond van de hem bekend zijnde feiten niet vast is komen te staan dat verzoeker zich ook daadwerkelijk bedreigend heeft opgesteld naar verzoekster toe. Zo staat voor de voorzieningenrechter niet zonder meer vast dat verzoeker tegen aangeefster heeft gezegd dat hij haar kenteken zou opzoeken en hij haar thuis op zou komen zoeken. Weliswaar heeft aangeefster dit in het gesprek met het DSC verklaard en is zij in haar aangifte bij deze verklaring gebleven, maar de voorzieningenrechter stelt vast dat uit de geluidsopnames ook blijkt dat aangeefster heeft gezegd dat zij verzoeker niet kon verstaan omdat de deuren en ramen van haar auto waren gesloten. De omstandigheid dat verzoeker haar kenteken ook daadwerkelijk in de politiesystemen heeft opgezocht met de bedoeling om haar te bellen dan wel met een collega bij haar langs te gaan om alsnog het gesprek met aangeefster aan te gaan, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om de tegenstrijdigheid in aangeefsters verklaring weg te nemen. Voor de voorzieningenrechter staat in voldoende mate vast dat verzoeker op het raam van aangeefsters auto heeft geklopt. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat verzoeker dit heeft gedaan om de aandacht van aangeefster te krijgen. Dit past naar het oordeel van de voorzieningenrechter binnen de context dat verzoeker heeft geprobeerd aangeefster ertoe te bewegen om met hem te communiceren over het gebeurde.

Verweerder heeft aangevoerd dat uit de geluidsopnames blijkt dat aangeefster zich bedreigd voelde. Zo heeft aangeefster de woorden “bang”, “doodeng” en “bedreigd” gebruikt. De voorzieningenrechter stelt vast dat het DSC het contact met aangeefster wilde verbreken op het moment dat verzoeker kenbaar had gemaakt een politieagent te zijn. Aangeefster heeft toen geprobeerd de medewerkster van het DSC aan de lijn te houden en heeft daarbij de bewoordingen “bang” en “doodeng” gebruikt. Zonder afbreuk te willen doen aan de gevoelens van onveiligheid van aangeefster, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze bewoordingen ook moeten worden bezien in het licht van de gewijzigde toon van het gesprek met de medewerkster van het DSC.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker in zijn privétijd door zijn handelen een voor aangeefster bedreigende situatie gecreëerd en laten voortduren. Deze gedraging is aan te rekenen als plichtsverzuim. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het plichtsverzuim verzoeker kan worden toegerekend. Weliswaar heeft verzoeker gesteld dat hij in 2006 een motorongeluk heeft gehad waarbij hij een uur buiten bewustzijn is geweest, hetgeen mogelijk een gedragsverandering bij hem heeft veroorzaakt, maar de voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de gedragingen hem niet toe te rekenen zijn. Verweerder was dan ook bevoegd om aan het plichtsverzuim een disciplinaire maatregel te verbinden.

Met betrekking tot de vraag of het opgelegde onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig is aan het plichtsverzuim, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker op 21 oktober 2008 een mondelinge waarschuwing heeft gekregen van zijn districtschef. Daarnaast blijkt uit het procesdossier dat verweerder verzoeker bij besluit van 5 augustus 2009 een schriftelijke berisping heeft opgelegd. In dit besluit heeft verweerder overwogen dat als verzoeker zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan plichtsverzuim, zwaardere maatregelen niet kunnen uitblijven. Verweerder heeft daarbij ook aangegeven dat de mogelijkheid van ontslag zal worden opengehouden. Het besluit van 5 augustus 2009 staat in rechte vast. Hetgeen verzoeker omtrent de schriftelijke berisping heeft aangevoerd, doet derhalve niet ter zake. Verweerder heeft in het voornemen (die als herhaald en ingelast moet worden beschouwd in het bestreden besluit) overwogen dat er sprake is van nog meer incidenten dan alleen de mondelinge waarschuwing en de schriftelijke berisping. Verweerder heeft bij brief van 24 januari 2011 enkele gespreksverslagen overgelegd, waaruit een en ander zou moeten blijken. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze gespreksverslagen eenzijdig zijn opgemaakt, waarbij verzoeker niet in de gelegenheid lijkt te zijn gesteld om te reageren op de inhoud (en daarmee de juistheid) van deze gespreksverslagen. Verzoeker heeft ter zitting de inhoud van de gespreksverslagen bestreden en daarbij aangegeven dat er bovendien geen volledig beeld wordt gegeven van hetgeen in het verleden heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter zal de gespreksverslagen en daarmee de eerdere incidenten dan ook buiten beschouwing laten.

Gelet op de eerdere waarschuwing en schriftelijke berisping, in combinatie met het feit dat er sprake is van drie incidenten in twee jaar tijd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder heeft kunnen overgaan tot het opleggen van een zwaardere straf dan de eerder gegeven schriftelijke berisping. Zoals hiervoor is overwogen, gaat de voorzieningenrechter echter voor een deel uit van een ander feitencomplex dan verweerder. Daarbij is vooral van belang dat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk acht dat verzoeker zich ten aanzien van aangeefster bedreigend heeft opgesteld en haar ook daadwerkelijk heeft bedreigd.

Onder deze omstandigheden staat vooralsnog onvoldoende vast dat het bestreden besluit in rechte stand zal houden. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker er zwaarwegend belang bij heeft dat hij in afwachting van nadere duidelijkheid over middelen van bestaan beschikt. De belangenafweging, die de voorzieningenrechter behoort te maken bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening, leidt tot toewijzing van dat verzoek, en tot het treffen van de hieronder beschreven voorzieningen.

2.8 Nu het verzoek wordt toegewezen dient het griffierecht aan verzoeker te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoeker, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de dag na verzending van de beslissing op verzoekers bezwaar;

bepaalt daarbij dat verweerder met ingang van 1 november 2010 de salarisbetaling voortzet tot de dag na de verzending van de beslissing op het bezwaar, als ware aan verzoeker geen ontslag verleend;

gelast dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 874,-.

Aldus gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, en door deze en E.C. Petrusma, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 9 februari 2011