Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP3621

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
800591/09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beide verdachten worden veroordeeld voor poging tot doodslag en verboden wapenbezit tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De verdachte hebben op de parkeerplaats voor de Mediamarkt te Breda beiden vier keer op elkaar geschoten. Verdachte werd drie keer geraakt, terwijl de andere verdachte ongedeerd bleef. In beiden zaken werd noodweer/noodweerexces aangevoerd. In de zaak tegen de ene verdachte heeft de officier van justitie dit verweer gevolgd en heeft in die zaak voor de poging tot doodslag ontslag van rechtsvervolging gevorderd.

De rechtbank heeft in beide zaken het beroep op noodweer/noodweer exces verworpen en acht beide verdachten daarom strafbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800591/09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en pl[adres]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Kuijpers, advocaat te ‘s-Hertogenbosch

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 en 25 januari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

heeft geprobeerd [slachtoffer] te vermoorden door met een vuurwapen op [slachtoffer] te schieten. Impliciet subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot doodslag en subsidiair als bedreiging van [slachtoffer] met een misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2

een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de poging tot doodslag en het voorhanden hebben van het wapen en munitie wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte, de verklaring van [slachtoffer] en het proces-verbaal met betrekking tot het aangetroffen vuurwapen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair ten laste gelegde. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet verder is gekomen dan een aantal malen over een auto schieten, waar [slachtoffer] achter gehurkt zat. Omdat verdachte niet gericht heeft kunnen schieten op [slachtoffer], kan naar de mening van de verdediging niet bewezen worden dat verdachte het opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer]. Hetgeen verdachte heeft gedaan valt volgens de verdediging, juridisch niet anders te duiden dan als bedreiging. Met betrekking tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 6 juni 2009 vindt een schietpartij plaats op de Kruisvoort te Breda . Verbalisanten treffen op de parkeerplaats aldaar een persoon aan die was neergeschoten. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 6 juni 2009 bij de deuropening van de Mediamarkt stond en dat hij schoten hoorde. Vervolgens ziet hij een man in een zilverkleurige auto instappen en wegrijden. Het slachtoffer ziet hij in elkaar zakken ter hoogte van de wielkast van een Porsche. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij op 6 juni 2009 naar de Mediamarkt is gereden om een conflict met [slachtoffer] uit te praten. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens die ontmoeting meerdere keren op [slachtoffer] heeft geschoten en dat [slachtoffer] ook meerdere keren op hem heeft geschoten. Uit het sporenonderzoek op de plaats delict is vast komen te staan dat zowel met het vuurwapen van verdachte, als met het vuurwapen van [slachtoffer] vier keer werd geschoten. Over de manier waarop verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten, heeft hij verklaard dat hij beschutting zocht achter de Volkswagen Golf en dat hij over het dak van die Volkswagen Golf in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande de ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen. Door met een vuurwapen op vrij korte afstand meerdere keren te schieten in de richting van [slachtoffer], heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er voor of tijdens het conflict tussen verdachte en [slachtoffer], bij verdachte een moment is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Derhalve kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven te beroven.

Bij het technisch onderzoek op 6 juni 2009 op de plaats delict Kruisvoort te Breda, werd op de rand van de strook die de scheiding vormt tussen de parkeerplaats en het fietspad een pistool aangetroffen van het merk Crvena Zastava, model 70, kaliber 7,65 mm. In de kamer van het pistool was een patroon aanwezig en in de houder waren 4 patronen aanwezig.

Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat het vuurwapen dat in de groenstrook bij de parkeerplaats werd gevonden, zijn wapen was en dat hij met dat wapen op [slachtoffer] heeft geschoten. Voorts is uit onderzoek aan het pistool en de munitie vast komen te staan dat het wapen van het merk Crvena Zastava cal 7.65 mod. 70 een vuurwapen is in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. De munitie is geschikt voor vuurwapens van de categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair:

op 06 juni 2009 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

meermalen met een vuurwapen heeft geschoten in de richting

van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

2.

op 06 juni 2009 te Breda een wapen van categorie III, en munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat aan verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt. Verdachte zou volgens de verdediging op 6 juni 2009 naar de parkeerplaats voor de Mediamarkt zijn gereden om met [slachtoffer] een probleem uit te praten. Dit zou volgens de verdediging een als rechtmatig te betitelen ontmoeting worden. Omdat [slachtoffer] degene was die gewapend uit zijn auto is uitgestapt en zijn vuurwapen heeft doorgeladen, was verdachte op dat moment genoodzaakt zich te verdedigen en komt hem een beroep op noodweer toe. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte straffeloos dient te blijven wegens noodweerexces, indien geoordeeld zou worden dat verdachte te ver zou zijn gegaan in zijn verdediging.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat hij zelf de situatie heeft geënsceneerd waarin hij een aanval van [slachtoffer] kon verwachten.

Daartoe voert zij aan dat er eerder die dag al een confrontatie was geweest tussen verdachte en [slachtoffer]. Voorts wist verdachte dat hij [slachtoffer] zou verrassen omdat [slachtoffer] de vriendin van verdachte verwachtte. Verder had verdachte volgens de officier speciaal voor deze ontmoeting met [slachtoffer] een vuurwapen meegenomen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Voor de beoordeling van het door de verdediging gevoerde verweer omtrent de strafbaarheid van verdachte zal de rechtbank eerst bespreken hetgeen aan de confrontatie op de parkeerplaats op 6 juni 2009 vooraf is gegaan. De rechtbank splitst dit in a) het treffen bij HDS en b) de aanloop tot het vertrek van verdachte naar de parkeerplaats bij de Mediamarkt. Vervolgens komt de rechtbank te spreken over c) de ontmoeting/het schietincident tussen verdachte en [slachtoffer] op de parkeerplaats voor de Mediamarkt.

a) het treffen bij HDS

Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt dat hij op 6 juni 2009 verdachte had gebeld om naar het kantoor van HDS te komen om te praten over de Porsche Cayenne. Deze Porsche Cayenne was van HDS en [getuige 2] wilde die auto verkopen aan [slachtoffer]. Tijdens die bijeenkomst bij HDS heeft, zo blijkt uit de verklaringen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], tussen verdachte en [slachtoffer] een worsteling plaatsgevonden waarbij verdachte en [slachtoffer] over en weer hebben geroepen “ik maak je af” of “ik maak je kapot”.

b) de aanloop tot het vertrek van verdachte naar de parkeerplaats bij de Mediamarkt

[getuige 2] heeft verklaard dat hij nog met verdachte had gebeld en dat ze, na de ontmoeting bij HDS, nog hebben afgesproken bij de Kentucky Fried Chicken. [getuige 2] is daar samen met [getuige 4] naar toegegaan. Volgens [getuige 2] was verdachte op dat moment agressief en opgefokt.

[voornaam] [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte hem had gebeld en dat verdachte druk op zoek was naar [slachtoffer] en dat verdachte boos was. Ook [getuige 5] zou volgens [getuige 3] veel mensen hebben gebeld omdat ze [slachtoffer] wilde spreken. [getuige 5] heeft verklaard dat verdachte haar had verteld van de ruzie en dat zij daarop heeft geprobeerd om aan het telefoonnummer van [slachtoffer] te komen. Later heeft [slachtoffer] met [getuige 5] telefonisch contact opgenomen, waarbij [slachtoffer] begon te dreigen tegenover haar en de kinderen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] tijdens dit gesprek zo luid sprak dat hij dit grotendeels kon verstaan. Verdachte vond dit gesprek bedreigend. [getuige 5] heeft met [slachtoffer] afgesproken bij de Mediamarkt, omdat ze [slachtoffer] niet aan de deur wilde hebben. Verdachte heeft haar tegengehouden om naar de Mediamarkt te gaan en [getuige 5] heeft verklaard dat [slachtoffer] op het moment dat hij belde agressief was. In plaats van [getuige 5] is verdachte naar de Mediamarkt gegaan, terwijl [slachtoffer] daar niet van op de hoogte was.

Verdachte heeft, zo heeft hij verklaard, een vuurwapen meegenomen omdat hij wist dat [slachtoffer] vuurwapengevaarlijk is en hij noemt hem een gevaarlijke gek. Ook [slachtoffer] heeft een vuurwapen bij zich gestoken voordat hij naar de afspraak met [getuige 5] gaat. Als [slachtoffer] op het parkeerterrein aankomt, is daar niemand en hij parkeert zijn auto op een dusdanige manier dat hij overzicht heeft over het kruispunt voor de parkeerplaats, zodat hij [getuige 5] aan ziet komen rijden. [slachtoffer] hoort plotseling het geluid van de Porsche Cayenne die hem voorbij komt rijden. [slachtoffer] rijdt achter de Porsche Cayenne aan en verdachte parkeert de Porsche Cayenne op de parkeerplaats bij de Mediamarkt. [slachtoffer] parkeert zijn auto in de directe nabijheid van de Porsche Cayenne.

c) de ontmoeting/het schietincident tussen verdachte en [slachtoffer] op de parkeerplaats voor de Mediamarkt

Verdachte is vervolgens uit zijn auto gestapt, waarbij hij zijn vuurwapen al had gepakt en had doorgeladen. Tijdens het verhoor op 23 juni 2009 houden de verbalisanten verdachte samenvattend voor dat “op het moment dat ik uitstapte heb ik mijn wapen in mijn hand en laadde ik door en [slachtoffer] stapt uit en toen ik naar hem keek zag ik dat hij een wapen vast houdt.”, gevolgd door de vraag “Dan lijkt het erop alsof jullie gelijkertijd uitstappen en jullie ook min of meer hetzelfde moment het wapen vast hebben ?”. Verdachte antwoordt hierop bevestigend.

Op grond van de hiervoor geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich er voorafgaande aan het schietincident van bewust is geweest dat het heel wel mogelijk was dat zijn ontmoeting met [slachtoffer] zou uitmonden in een gewelddadig treffen. Dit scenario was naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte voorzienbaar en hij heeft aan het uit de hand lopen ook een belangrijke bijdrage geleverd. Bij dit oordeel komt, naast de eerdere confrontatie die dag waarbij volgens meerdere getuigen over en weer doodsbedreigingen zijn geuit, veel gewicht toe aan het bedreigende telefoongesprek tussen [getuige 5] en [slachtoffer], waarvan verdachte deels getuige is geweest. Volgens verdachte’s verklaring ter zitting werd [getuige 5] tijdens dat telefoongesprek respectloos behandeld. Verdachte was boos en angstig, zo heeft hij verklaard. Vrijwel onmiddellijk daarna en in die gemoedstoestand is verdachte naar de Mediamarkt vertrokken. Onderweg van huis naar de Mediamarkt heeft verdachte zich nog kunnen bedenken, maar hij heeft dit niet gedaan. Verder is van belang de wetenschap bij verdachte dat [slachtoffer] vuurwapengevaarlijk was en het feit dat verdachte zijn eigen wapen ter hand heeft genomen, dit heeft doorgeladen en op die wijze [slachtoffer] tegemoet is getreden. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gewapende confrontatie heeft opgezocht. In een dergelijk geval kan niet van een noodweersituatie worden gesproken en heeft een beroep op noodweer geen kans van slagen.

Nu geen sprake was van een noodweersituatie kan evenmin met vrucht een beroep worden gedaan op noodweerexces.

Er zijn dan ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat verdachte ten aanzien van feit 1 primair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft daarom geen standpunt ingenomen met betrekking tot een strafmodaliteit. Subsidiair is verzocht om strafvermindering omdat gesprekken, gevoerd door de vriendin van verdachte met geheimhouders, zijn opgenomen en daarmee naar de mening van de verdediging een norm is geschonden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 6 juni 2009 zou [getuige 5] op de parkeerplaats van de Mediamarkt een ontmoeting hebben met [slachtoffer] om met hen te praten over problemen die [slachtoffer] eerder die dag had gehad met verdachte. Verdachte heeft echter niet toegestaan dat zijn vriendin met [slachtoffer] ging praten en hij is zelf, met medeneming van een vuurwapen, naar de Mediamarkt gereden. Op die parkeerplaats is het tot een worsteling gekomen tussen verdachte en [slachtoffer] en heeft een vuurgevecht plaatsgevonden, waarbij door beiden in totaal vier keer werd geschoten. Verdachte heeft ook verklaard dat hij in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten. De rechtbank is van oordeel dat een poging tot doodslag als de onderhavige, waarbij van dichtbij gericht op een andere persoon werd geschoten, een ernstig feit is waarvoor een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Bij de strafbepaling zal de rechtbank ook het gewelddadige karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijk onrust die daarvan het gevolg is, zwaar mee laten wegen. Die maatschappelijke onrust wordt met name veroorzaakt door de omstandigheden waaronder deze schietpartij heeft plaatsgevonden, namelijk op een parkeerplaats waarlangs drukke wegen en fietspaden lopen. Het was daarom zeker niet ondenkbaar dat in het vuurgevecht tussen verdachte en [slachtoffer] onschuldige voorbijgangers zouden worden geraakt. Daar komt nog bij dat ook kogelinslagen in een winkel van Xenos, direct aan het parkeerterrein en in een aan de overzijde van de weg liggend kantoorpand zijn aangetroffen en ook daar hadden onschuldige slachtoffers kunnen vallen.

Voorts zal de rechtbank mee laten wegen dat verdachte degene is geweest die gewapend naar een ontmoeting is gegaan om een persoon te spreken waarmee hij eerder die dag een conflict heeft gehad, terwijl zijn opponent hem aanvankelijk niet verwachtte. Anderzijds zal de rechtbank ook bij de strafbepaling mee laten wegen dat verdachte een gering strafblad heeft en hij degene is geweest die door deze schietpartij zware verwondingen heeft opgelopen. Alles overziend zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

Voor wat betreft het verzoek van de verdediging om strafvermindering in verband met opgenomen geheimhoudersgesprekken en dat daardoor de norm is geschonden, is de rechtbank van doordeel dat het enkele feit dat er op enig moment tijdens het voorbereidend onderzoek geheimhoudersgesprekken zijn opgenomen, nog niet wil zeggen dat daarmee vormen zijn verzuimd die niet kunnen worden hersteld. Mocht er al sprake zijn van enig vormverzuim in de vorm van het te laat vernietigen van geheimhoudersgesprekken, dan is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze gebleken dat die gesprekken als sturingsinformatie of anderszins in het voorbereidend onderzoek zijn gebruikt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit strafmaatverweer van de verdediging geen doel treft.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45, 57, 91 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1. primair; Poging tot doodslag;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bakx, voorzitter, mr. Dekker en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 februari 2011.

Mr. Prenger is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 06 juni 2009 te Breda ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen althans eenmaal met een vuurwapen heeft geschoten in de richting

van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 06 juni 2009 te Breda [slachtoffer] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, met een

vuurwapen geschoten in de richting van die [slachtoffer];

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 06 juni 2009 te Breda een of meer wapens van categorie II

en/of III, en/of munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie