Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP3480

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
228794 KG ZA 10-763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Eisende partij is een te London gevestigde financiële organisatie met 2000 werknemers, met een klantenbestand dat voornamelijk bestaat uit klanten die afkomstig zijn uit Somalië.

Gevorderd wordt gedaagde, een in [woonplaats] woonachtige Somaliër, een verbod op te leggen om op internet artikelen te plaatsen waarin een verband wordt gelegd tussen Dahabshill en het financieren van terroristische organisaties, het aanzetten tot strafbare feiten, waaronder het uitlokken van moord op een bekende Somalische zangeres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 228794 / KG ZA 10-763

Vonnis in kort geding van 8 februari 2011

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

DAHABSHIIL TRANSFER SERVICES LIMITED,

gevestigd te Londen,

eiseres,

advocaat mr. D.P. Joosten,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M. Koedooder.

Partijen zullen hierna Dahabshiil en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 december 2010 met producties genummerd 1 tot en met 12;

- de brief van 21 januari 2011 van de zijde van Dahabshiil met producties genummerd 13 tot en met 23;

- het faxbericht van 24 januari 2011 van de zijde van Dahabshiil met bijlage;

- het e-mailbericht van 24 januari 2011 van de zijde van [gedaagde] met producties genummerd 1 tot en met 24;

- de mondelinge behandeling van 25 januari 2011;

- de pleitnota van Dahabshiil;

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Tijdens de behandeling van de zitting heeft mr. Koedooder bezwaar gemaakt tegen door mr. Joosten per e-mail van 25 januari 2011 ingediende stukken. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat deze stukken niet 24 uur voor de zitting zijn ingediend en laat deze stukken, gelet op de eisen van een goede procesorde, buiten beschouwing.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. Dahabshiil vordert, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

i) uitingen waarin een verband wordt gelegd tussen Dahabshiil en het financieren van terroristische organisaties met onmiddellijke ingang achterwege te laten;

ii) uitingen waarin een verband wordt gelegd tussen Dahabshiil en het aanzetten tot strafbare feiten en het belonen van strafbare feiten met onmiddellijke ingang achterwege te laten;

iii) overige onrechtmatige uitingen over Dahabshiil met onmiddellijke ingang achterwege te laten;

iv) om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis bij de exploitanten van de websites, onder toezending van afschrift van het te wijzen vonnis, een schriftelijk verzoek in te dienen tot het verwijderen en verwijderd houden van de op http://www.[site X].com en http://www.[site Y].com gepubliceerde artikelen, met gelijktijdig afschrift van die schriftelijke verzoeken aan de advocaat van Dahabshiil;

v) de aangehechte rectificatie in de Engelse en Somalische taal op http://www.[site X].com en http://www.[site Y].com en te publiceren, onafgebroken 24 uur per dag op elke kalenderdag gedurende een

periode van 30 kalenderdagen na betekening van het te wijzen vonnis op de eerst zichtbare pagina, zonder pop-ups en zonder enig commentaar op internet of in de gedrukte media, omgeven door een zwart kader, in zwarte letters, met lettertype Arial in puntsgrootte 12, op een witte achtergrond en Dahabshiil daarvan op elke kalenderdag gedurende genoemde periode per fax [nummer] het bewijs van plaatsing (digitale screenshots of papieren kopieën) van onderstaande tekst te leveren:

“RECTIFICATIE INZAKE DEHABSHIIL”

Mijn naam is [gedaagde], geboren op [datum], wonend te [woonplaats]. In diverse publicaties op de websites http://www.[site X].com en http://www.[site Y].com heb ik Dahabshiil opzettelijk in verband gebracht met het financieren van terroristische organisaties, dan wel tot het uitlokken van strafbare feiten door middel van een beloning daarvan.

Ik ben voor voornoemde artikelen op de websites http://www.[site X].com en http://www.[site Y].com veroordeeld bij vonnis van de Voorzieningenrechter van de sector civiel recht van de Rechtbank Breda, Nederland, zaak-/rolnummer 228794 / KGZA 10-763. Ook voor de overige verdachtmakingen jegens Dahabshiil op voornoemde websites heb ik geen enkel bewijs. Ik ben veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.

de heer [gedaagde] wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres]

[HANDTEKENING]

althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen tekst;

vi) tot het binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan Dahabshiil afgeven van een door [gedaagde] te ondertekenen rectifucatiebrief met onderstaande tekst:

“TO WHOM IT MAY CONCERN”

Ondergetekende, de heer [gedaagde] geboren op [datum], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], verklaar hierbij als volgt:

In mijn publicaties op de websites http://www.[site X].com en http://www.[site Y].com heb ik in 2010 Dahabshiil opzettelijk in verband gebracht met strafbare feiten door haar er vals van te beschuldigen dat zij strafbare fouten pleegt zoals het financieren van terrorisme, althans strafbare feiten uitlokt, zoals het uitlokken van moord op een Somalische zangeres. Ik ben voor die publicaties op voornoemde websites veroordeeld bij vonnis van de Voorzieningenrechter van de sector civiel recht van de Rechtbank Breda, Nederland, zaak-/rolnummer 228794 / KGZA 10-763. Ook voor de overige verdachtmakingen jegens Dahabshiil in mijn artikelen heb ik geen enkel bewijs. Hierbij rectificeer ik mijn onrechtmatige publicaties op http://www.[site X].com en http://www.[site Y].com en geef ik Dahabshiil, althans haar advocaten onherroepelijk toestemming tot publicatie en verspreiding van deze rectificatie.

De Voorzieningenrechter te Breda heeft mij veroordeeld deze brief te ondertekenen en aan Dahabshiil af te geven.

De heer [gedaagde] wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres]

[HANDTEKENING]

althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen tekst;

vii) het gevorderde sub i tot en met vi op straffe van verbeurte van een aan Dahabshiil te betalen dwangsom van EUR 10.000,- voor elke overtreding, vermeerderd met EUR 1.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat een overtreding voortduurt;

viii) in de buitengerechtelijke kosten, welke worden begroot op een bedrag van EUR 3.500,- althans op grond van Aanbeveling II van het Rapport Voorwerk II van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak inzaka buitengerechtelijke kosten (NVvR) op 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief en derhalve in totaal op EUR 1.632,- met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding;

ix) in de proceskosten van dit geding, primair op basis van de daadwerkelijk door Dahabshiil gemaakte en in prima op EUR 7.000,- te begroten proceskosten, subsidiair op basis van de te liquideren proceskosten; en

x) de kosten van dit geding aan Dahabshiil te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.

2.2. [gedaagde] voert verweer.

2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Dahabshiil is een financiële organisatie met wereldwijd 24.000 vestigingen. Het hoofdkantoor van Dahabshiil is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Dahabshiil maakt in Nederland gebruik van een tussenpersoon, genaamd [tussenpersoon]. Het klantenbestand van Dahabshiil bestaat voornamelijk uit Somaliërs.

- [gedaagde] is in 2007 uit Somalië gevlucht en verblijft als erkend vluchteling in Nederland.

- [gedaagde] is journalist en heeft de website www.[site X].com in eigendom.

- Bij brief van 8 oktober 2010 heeft de advocaat van Dahabshiil [gedaagde] en de webhosts gesommeerd om vier artikelen van de websites te verwijderen. [gedaagde] en heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.

3.2. Dahabshiil legt aan haar vordering onrechtmatig handelen van [gedaagde] ten grondslag. Zij stelt – samengevat – dat op de websites http://www.[site X].com en http://www.[site Y].com artikelen met onrechtmatige beweringen en verdachtmakingen over haar zijn geplaatst. [gedaagde] is registrant, dan wel de technische of administratieve contactpersoon van deze websites en daarmee verantwoordelijk voor de publicatie van de artikelen. Op voornoemde websites publiceert [gedaagde] zijn eigen artikelen. De inhoud van de artikelen, die worden gepresenteerd als nieuwsfeiten, is onjuist, vals en op geen enkel feit gebaseerd. De artikelen bevatten serieuze aantijgingen in ernstige bewoordingen aan het adres van Dahabshiil, welke nergens anders op het internet of in internationale professionele media zijn te vinden. [gedaagde] handelt in strijd met de beginselen van de journalistiek. De artikelen schaden de reputatie van Dahabshiil, zodat zij belang heeft bij rectificatie.

3.3. [gedaagde] voert hiertegen – samengevat – aan: de Nederlandse rechter komt in deze zaak geen rechtsmacht toe, evenmin is Nederlands recht van toepassing. Het spoedeisend belang ontbreekt en de zaak is te ingewikkeld voor behandeling in kort geding. [gedaagde] betwist dat hij onrechtmatig handelt. De door Dahabshiil aangehaalde artikelen zijn of niet van zijn hand, of niet gepubliceerd op zijn website, of niet te vinden op de gestelde website. De website http://www.[site Y].com is geen eigendom van [gedaagde], maar van een privaat mediabedrijf in Mogadishu. [gedaagde] schrijft, samen met 17 andere journalisten, artikelen voor [site Y]. [gedaagde] is technisch beheerder van http://www.[site Y].com, omdat hij zich als enige journalist buiten Afrika bevindt en dit voor ieders veiligheid daarom beter is.

3.4. Artikel 2 Rv bepaalt dat in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Dit is tevens de hoofdregel in het stelsel van de EEX-verordening (artikel 2 EEX), op welke verordening [gedaagde] zich ondermeer beroept. [gedaagde] woont in [woonplaats], zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

3.5. Het klantenbestand van Dahabshiil bestaat voornamelijk uit Somaliërs. De doelgroep van de websites betreft eveneens Somaliërs. Nu Dahabshiil stelt dat de inhoud van enkele artikelen op de websites haar goede naam bij haar Somalische klanten aantast en leidt tot reputatieschade, heeft Dahabshiil een spoedeisend belang bij haar vordering en kan zij hierin worden ontvangen.

3.6. Kern van deze kortgeding procedure is de vraag of [gedaagde] als schrijver van de door Dahabshiil overgelegde artikelen, dan wel als uitgever, eigenaar of anderszins verantwoordelijke van de websites waarop de artikelen zijn gepubliceerd, onrechtmatig jegens Dahabshiil handelt. De artikelen, die zijn overgelegd als productie 6 tot en met 9 bij dagvaarding, zullen hierna door de voorzieningenrechter worden beoordeeld, bij welke beoordeling Nederlands recht zal worden toegepast, zoals door Dahabshiil bepleit.

‘Dahabshiil customers taken over (ZAAD services project)’, 18 juni 2010, www.[site X].com

3.7. [gedaagde] voert aan dat hij dit artikel niet op zijn website www.[site X].com heeft kunnen vinden, maar hij betwist niet dat dit artikel door hem is gepubliceerd. In het artikel staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“ (…) A Telesom officer, who wishes to remain unnamed, said that Dahabshiil local customers had been taken over and that drove it to conduct derogatory propaganda against ZAAD services. (…)”

[gedaagde] verwijst in het artikel naar een anonieme bron. Dahabshiil betwist niet het bestaan van deze bron. Nu het artikel is terug te voeren tot een bron en binnen de context van de Somalische problematiek begrijpelijk is dat [gedaagde] als journalist die bron niet onthult, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde].

‘Dahabshiil CEO is reportedly promised $ 2,000,000 for anyone who kills singer [singer]’, 25 juli 2010, www.[site Y].com

3.8. [gedaagde] ontkent dat hij dit artikel geschreven heeft. Voor deze site van [site Y].com zou hij niet verantwoordelijk zijn. Dahabshiil heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] de auteur is van het artikel. De hoedanigheid van technisch beheerder is niet genoegzaam opgehelderd door Dahabshiil om daaruit verantwoordelijkheid af te leiden voor de publicatie. [gedaagde] stelt dat het niet die inhoud heeft en voor nadere bewijsvoering leent dit kort geding zich niet. Daarnaast geldt dat het artikel verwijst naar bronnen: “Local Somalia media’. Dahabshiil heeft niet gesteld dat deze bron niet bestaat. De voorzieningenrechter oordeelt onvoldoende basis aanwezig voor toewijzing van het gevorderde ten aanzien van deze publicatie.

‘[singer]’s head paged for two million dollars’, 25 juli 2010, www.[site Q].com

3.9. [gedaagde] ontkent dat hij dit artikel heeft geschreven en voert aan dat de website waarop dit artikel staat niet zijn eigendom is of anderszins onder zijn verantwoordelijkheid valt. Uit de door Dahabshiil gestelde feiten en overgelegde productie is dit onvoldoende aannemelijk geworden. Nu dit kort geding zich niet leent voor nader onderzoek naar feitelijkheden, wordt de vordering voor zover gebaseerd op dit artikel, afgewezen.

‘Somalia: Dahabshiil threatens media editors’, 16 oktober 2010, www.[site Y].nl

3.10. [gedaagde] ontkent dat hij dit artikel heeft geschreven en dat de website zijn eigendom is of anderszins onder zijn verantwoordelijkheid valt. Uit de door Dahabshiil gestelde feiten en overgelegde productie is dit onvoldoende aannemelijk, zodat hiervoor eveneens nader feitelijk onderzoek vereist is waarvoor een kort geding zich niet leent. De enkele verwijzing in dit artikel dat [gedaagde] hoofdredacteur is van www.[site X].com maakt dit niet anders.

3.11. Gelet op vorenstaande overwegingen worden de vorderingen van Dahabshiil afgewezen. Dahabshiil wordt in de proceskosten veroordeeld. Aan de zijde van [gedaagde] die procedeert met een toevoeging, worden deze kosten tot op heden begroot op EUR 886 (EUR 70 ter zake griffierecht en EUR 816,- ter zake salaris advocaat).

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Dahabshiil in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 886,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2011 in aanwezigheid van mr. Van Althuis.