Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP3420

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
09/4519
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting 2004. Belanghebbende oefent haar activiteiten uit in een kunstcentrum. Haar activiteiten bestaan uit de organisatie van publieksgerichte activiteiten, de verhuur van theater- en filmzalen en het beheer van het pand. De horeca-activiteiten zijn ondergebracht in een afzonderlijke vennootschap, waarvan belanghebbende enig aandeelhouder is. De middelen ter uitvoering van de culturele activiteiten worden onder meer verkregen middels subsidies van de gemeente, donaties en recettes. Vaststaat dat belanghebbende met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid deelneemt aan het economische verkeer.

Naar het oordeel van de rechtbank is bij belanghebbende, rekening houdend met de ontvangen subsidies, sprake van een winststreven, zodat haar activiteiten als het drijven van een onderneming in de zin van artikel 2, eerste lid aanhef en onderdeel d, van de Wet Vpb moeten worden aangemerkt. Belanghebbende kan geen geslaagd beroep doen op het subsidiebesluit, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze haar behaalde overschotten op grond van de subsidievoorwaarden dient aan te wenden overeenkomstig de subsidievoorwaarden, dan wel terug dient te betalen aan de subsidieverstrekker. Tevens voldoet belanghebbende niet aan het hoofdzakelijkheidscriterium.

Derhalve moet worden geoordeeld dat belanghebbende belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Wel is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende met haar activiteiten een algemeen maatschappelijk belang nastreeft. Partijen zijn het dan erover eens dat in het onderhavige jaar een bedrag van € 58.930 aan fictieve loonkosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel j, van de Wet Vpb (tekst 2004) in aanmerking moet worden genomen en een herbestedingsreserve als bedoeld in artikel 15ba, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Vpb (tekst 2004) voor een bedrag van

€ 39.589 kan worden gevormd.

Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende echter geen vrijgesteld lichaam als bedoeld in artikel 6 van de Wet Vpb. Het belastbaar bedrag in het onderhavige jaar, zonder rekening te houden met het bedrag welke aan de herbestedingsreserve toegevoegd mag worden, valt namelijk buiten de grenzen van artikel 1 van het Vrijstellingsbesluit Vpb.

Voorts kan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geen herbestedingsreserve vormen als bedoeld in artikel 15ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb (tekst 2004), nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat per project naar verwachting verlies zal worden geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/20.13 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/4519

Uitspraakdatum: 12 januari 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Stichting [belanghebbende], gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Oss,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.In 2006 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2003 en 2004, aangiften loonbelasting over het 2e tot en met het 4e kwartaal 2004 en aangiften omzetbelasting over het 1ste tot en met het 4e kwartaal 2004. Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek is aan belanghebbende over het jaar 2004 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 110.196 (aanslagnummer: [nummer]V.47.0112).

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 september 2009 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 oktober 2009, ontvangen bij de rechtbank op 20 oktober 2009, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 297.

1.4.De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010 te Breda. Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken, die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de procedurenummers 09/4519 en 09/4520. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van [directeur], directeur, ter bijstand vergezeld van [belastingadviseur], belastingadviseur te [woonplaats] en vergezeld van de gemachtigde van belanghebbende, [belastingadviseur], belastingadviseur te [woonplaats], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.6.Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 21 april 2010 naar partijen is verzonden.

1.7.De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het onderzoek aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar te overleggen en schriftelijke inlichtingen te verstrekken. Bij gezamenlijke brief van 29 juli 2010 hebben partijen hun inlichtingen verstrekt.

1.8.De inspecteur heeft vóór de nadere zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van de wederpartij wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.9.Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2010. Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken, die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de procedurenummers 09/4519 en 09/4520. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, [directeur] en [belastingadviseur] voornoemd, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.10.Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota met bijlagen voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde dag als deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is opgericht op [datum] 2002. Zij oefent haar activiteiten uit in een kunstencentrum dat gevestigd is in [woonplaats].

2.2.De activiteiten van belanghebbende, die per [datum] 2004 een aanvang hebben genomen, bestaan uit de organisatie van publieksgerichte activiteiten (zoals theatervoorstellingen, filmvertoningen, dansvormen, nieuwe podiumkunstontwikkelingen en horeca-activiteiten), de verhuur van theater- en filmzalen en het beheer van het pand. De horeca-activiteiten zijn ondergebracht in de [de BV] B.V. (hierna: de BV), waarvan belanghebbende enig aandeelhouder is.

2.3.De middelen ter uitvoering van de culturele activiteiten worden onder meer verkregen middels subsidies van de gemeente [woonplaats], donaties en recettes.

2.4.In de statuten van belanghebbende is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2

De stichting heeft ten doel:

a. het beheer en de exploitatie van het culturele centrum: “[belanghebbende]”;

b. de ontwikkeling, bevordering en aanbieding van diverse culturele activiteiten met name op het gebied van theater en film;

c. het (doen) financieren, ook door middel van zekerheden, van derden;

en voorts al hetgeen met een en ander rechtsreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de meest ruime zin."

Artikel 15

(…)

6. Een eventueel batig saldo van de ontbonden stichting wordt zoveel mogelijk besteed overeenkomstig het doel van de stichting.”

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1.Is belanghebbende met haar activiteiten belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting? Zo ja;

2.Is belanghebbende een vrijgesteld lichaam als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb)?

3.Kan belanghebbende ingevolge artikel 15ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb (tekst 2004) een herbestedingsreserve vormen voor een bedrag van € 11.677 voor uitgaven ter zake van projecten waarvoor zij naar verwachting een verlies zal leiden?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede en de derde vraag bevestigend. De inspecteur beantwoordt de vragen in tegengestelde zin.

Indien de rechtbank van oordeel is dat bij belanghebbende het algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat, zijn partijen het erover eens dat een bedrag van € 58.930 aan fictieve loonkosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel j, van de Wet Vpb (tekst 2004) in aanmerking moet worden genomen. Voorts zijn partijen het erover eens dat dan een herbestedingsreserve voor een bedrag van € 39.589 kan worden gevormd voor uitgaven ter zake van de aanschaf, voortbrenging of verbetering van bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 15ba, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Vpb (tekst 2004).

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede op hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Belastingplicht

4.1.1.Niet in geschil is dat belanghebbende met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid deelneemt aan het economische verkeer. Wel in geschil is het antwoord op de vraag of bij belanghebbende een winststreven aanwezig is, dan wel dat met de activiteiten in concurrentie wordt getreden in de zin van artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Wet Vpb.

4.1.2.Naar het oordeel van de rechtbank was het in het onderhavige jaar gerealiseerde voordeel niet incidenteel van karakter, nu ook in latere boekjaren (2005 tot en met 2007) een voordeel is behaald. Belanghebbende heeft daarmee een zeker eigen vermogen in de vorm van een reserve opgebouwd. Deze reserve wordt door belanghebbende nagestreefd en noodzakelijk geacht voor een verantwoorde bedrijfsvoering. Belanghebbende streeft aldus naar het behalen van exploitatieoverschotten. De rechtbank is van oordeel dat in dat geval, rekening houdend met de ontvangen subsidies, sprake is van een winststreven, zodat de activiteiten van belanghebbende als het drijven van een onderneming in de zin van artikel 2, eerste lid aanhef en onderdeel d, van de Wet Vpb moeten worden aangemerkt. De rechtbank

merkt op dat een eventuele bestemming van de overschotten niet van belang is voor de beantwoording van de vraag of naar winst wordt gestreefd (vergelijk Hoge Raad van 6 december 1989, nr. 25889, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/91).

4.1.3.De omstandigheid dat de doelomschrijving van belanghebbende, zoals genoemd in 2.4, niet tevens het streven naar winst vermeldt, doet aan vorenstaand oordeel niet af. Feitelijk streeft belanghebbende naar een zekere reserve welke wordt gevoed door exploitatieoverschotten. Dit feitelijk gegeven is voldoende om tot bovenstaand oordeel te komen.

4.2.1.Belanghebbende verwijst voor haar standpunt dat geen sprake is van winststreven naar de goedkeuring door de Staatssecretaris, opgenomen in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 23 december 2005, nr. CPP2005/2730M, gepubliceerd in VN 2006/6.18 (hierna: het Besluit):

”Van een winststreven is echter geen sprake voorzover gesubsidieerde instellingen,volgens statuten of subsidieregels, de behaalde overschotten moeten aanwenden overeenkomstig de subsidiedoeleinden of terug moeten betalen aan de subsidieverstrekker. Naast het feit dat de gevormde overschotten niet vrij besteedbaar zijn, wordt er geen voordeel beoogd en verwacht. Van het ontbreken van een winststreven kan ook sprake zijn als de instelling haar inkomsten met betrekking tot gesubsidieerde activiteiten hoofdzakelijk verkrijgt uit subsidies en daarnaast slechts eigen bijdragen ontvangt van degenen voor wie de instelling prestaties verricht. Uiteraard moet de instelling ook feitelijk conform deze statuten of subsidieregels handelen.”

Belanghebbende is van mening dat uitgaande van voornoemd besluit er geconcludeerd dient te worden dat in casu een winststreven ontbreekt en er derhalve om die reden geen sprake kan zijn van belastingplicht voor de vennootschapsbelasting.

4.2.2.De rechtbank stelt voorop dat het woordje “ook” in de zinsnede “Van het ontbreken van een winststreven kan ook sprake zijn als de instelling haar inkomsten met betrekking tot gesubsidieerde activiteiten hoofdzakelijk verkrijgt uit subsidies…..” in het Besluit, aldus moet worden uitgelegd dat geen sprake is van cumulatieve voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Het ziet eerder op “of het een of het ander” en niet zoals de inspecteur stelt op “en”.

4.2.3.De rechtbank is van oordeel dat het in 4.2.1. verwoorde standpunt belanghebbende niet kan baten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat ze haar behaalde overschotten op grond van subsidievoorwaarden dient aan te wenden overeenkomstig de subsidievoorwaarden, dan wel terug dient te betalen aan de subsidieverstrekker. De door belanghebbende overgelegde brief met dagtekening 7 april 2009 van de Gemeente [woonplaats] kan niet als bewijs voor dat laatste dienen, nu deze brief pas in 2009, en dus achteraf, is opgesteld en belanghebbende geen andere bescheiden, zoals de subsidievoorwaarden over het onderhavige jaar, heeft overgelegd waaruit de hiervoor genoemde voorwaarden blijken.

Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat ze haar inkomsten met betrekking tot de gesubsidieerde activiteiten hoofdzakelijk (voor ten minste 70%) uit subsidies verkrijgt. Weliswaar is niet in geschil dat het percentage van de subsidie in verhouding tot de baten in het onderhavige jaar (in tegenstelling tot de jaren 2005 tot en met 2007) 86,7% bedraagt en derhalve ten minste 70%, Echter het onderhavige jaar, waarin de activiteiten per [datum] zijn aangevangen, betreft een bijzonder jaar. Immers, onweersproken is gesteld dat er in het onderhavige jaar incidentele subsidies van afgerond € 1,4 mln. zijn verstrekt die in de daaropvolgende jaren niet zijn verstrekt. Zonder deze incidentele subsidies, die niet meetellen voor de vraag of aan het hoofdzakelijkheidscriterium wordt voldaan, voldoet belanghebbende niet aan het hoofdzakelijkheidscriterium. Het Besluit is in het onderhavige jaar derhalve niet op haar van toepassing.

4.3.1.Bij brief met dagtekening 15 december 1992 aan de voorganger van belanghebbende, Stichting [stichting A], heeft de inspecteur volgens belanghebbende aangegeven dat geen sprake is van belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Nadien zou de inspecteur noch met belanghebbende noch met haar voorganger contact hebben opgenomen en evenmin zou een aangifte vennootschapsbelasting aan haar voorganger zijn uitgereikt. Belanghebbende is van mening dat, nu haar activiteiten vergelijkbaar zijn met die van haar voorganger, zij het vertrouwen aan de genoemde brief kan ontlenen dat haar een vergelijkbare fiscale behandeling ten deel zou vallen. In dit kader beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel.

4.3.2.De rechtbank is van oordeel dat het feit, dat bij een belastingplichtige expliciet wordt afgezien van heffing, bij hem of haar een in rechte te beschermen vertrouwen kan worden gewekt voor een zelfde behandeling in de toekomst. Echter, hier beroept belanghebbende zich niet op een expliciete standpuntbepaling ten aanzien van haarzelf, maar op een standpuntbepaling ten aanzien van haar voorganger. In zijn algemeenheid kan de handelwijze ten aanzien van een derde niet het vertrouwen bij een belastingplichtige wekken dat diezelfde handelwijze bij hem of haar wordt voortgezet. Van die regel kan echter in bepaalde gevallen afgeweken worden. Daarbij is in het bijzonder van belang of het bij belanghebbende en haar voorganger om hetzelfde belastingobject gaat. Bovendien moet sprake zijn van een identieke situatie. De enkele stelling van belanghebbende dat haar activiteiten vergelijkbaar zijn met die van haar voorganger, is hiertoe onvoldoende. Belanghebbende heeft haar standpunt niet verder onderbouwd. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat ten opzichte van haar een als een toezegging of bewuste standpuntbepaling op te vatten uitlating is gedaan waaraan de inspecteur op grond van het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behorende vertrouwensbeginsel is gebonden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur onbestreden heeft gesteld dat in de genoemde brief wordt aangegeven dat de activiteiten van de voorganger van belanghebbende niet bij voorbaat onbelast zijn. De stellingen van belanghebbende falen derhalve.

4.4.Belanghebbende doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Daartoe verwijst belanghebbende naar drie stichtingen/instellingen die volgens belanghebbende met haar vergelijkbaar zijn en die niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Belanghebbende noemt in dit verband [stichting/instelling X], [stichting/instelling Y] in [woonplaats] en de [stichting/instelling Z] in [woonplaats]. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien: a. de inspecteur een begunstigend beleid voert, b. ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of c. de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van de met haar vergelijkbare stichtingen/instellingen sprake is van een begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met haar vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel). De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een met de door haar genoemde stichtingen/instellingen vergelijkbare situatie verkeert, waardoor door belanghebbende (onvoldoende tot) geen vergelijkbare gevallen zijn aangevoerd. Immers, de inspecteur heeft onbestreden gesteld dat de diverse activiteiten van [stichting/instelling X] in meerdere stichtingen zijn ondergebracht, waarvan bij belanghebbende, op de horeca-activiteiten na, geen sprake is. Bij [stichting/instelling X] en [stichting/instelling Z] in [woonplaats] is bovendien sprake van een negatief eigen vermogen, wat bij belanghebbende niet aan de orde is. Tenslotte heeft [stichting/instelling Y] geen filmhuisfunctie, een functie die belanghebbende wel heeft. De stelling van belanghebbende faalt derhalve.

4.5. Op grond van het in 4.1.2 overwogene moet geoordeeld worden dat belanghebbende belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, zodat de eerste in geschil zijnde vraag bevestigend wordt beantwoord.

Vrijgesteld lichaam

4.6.1.Ingevolge artikel 6 van de Wet Vpb kunnen worden vrijgesteld van de vennootschapsbelasting lichamen, bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang dan wel een sociaal belang op de voorgrond staat en het streven naar winst, hetzij geheel ontbreekt, hetzij van bijkomstige betekenis is. In artikel 1 van het Vrijstellingsbesluit vennootschapsbelasting (hierna: het Vrijstellingsbesluit) is uitgewerkt wanneer het streven naar winst van bijkomstige betekenis is.

4.6.2.Het begrip algemeen maatschappelijk belang dient, naar het oordeel van de rechtbank, te worden opgevat in dezelfde zin als het begrip algemeen maatschappelijk nut. Als algemeen nut beogende instelling wordt aangemerkt de instelling wier doelstelling een werkzaamheid betreft, die rechtstreeks het algemeen belang raakt. Van algemeen belang kan ook sprake zijn als een zogenaamd “beperkt belang” wordt nagestreefd. In Hoge Raad 14 februari 1990, nr. 25.447, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/94, is beslist dat van 'op de voorgrond staan' slechts sprake is als de activiteiten ter behartiging van het algemeen maatschappelijk belang een dermate overheersend karakter hebben dat de overige activiteiten als bijkomstig moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de gedingstukken, met name uit de statuten en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk geworden dat belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, met haar activiteiten het algemeen belang dient. Dit wordt tevens ondersteund door het feit dat de horeca-activiteiten ondergebracht zijn in een afzonderlijke BV, zodat de commerciële activiteiten (hoofdzakelijk) gescheiden zijn van de activiteiten die door belanghebbende worden verricht. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Onweersproken is gesteld dat de theateractiviteiten het algemeen belang dienen en nagenoeg alle filmactiviteiten het algemeen belang dienen. Dat een “[voordeelkaart]” aan bezoekers wordt aangeboden, al dan niet in combinatie met korting op eten in het restaurant en het gebruik van de parkeerplaats, doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze optie naar evenredigheid aan de hoofdactiviteit toegerekend te worden. Voor zover verhuur aan derden plaatsvindt, vindt deze plaats tegen sterk gereduceerd tarief. Voor zover wel tegen commerciële prijzen wordt verhuurd, is dit van bijkomstige aard, althans niet van zodanige omvang dat gesteld kan worden dat het algemeen maatschappelijk belang geen overheersend karakter heeft. In verhouding tot het geheel van activiteiten van belanghebbende acht de rechtbank de verhuur aan derden van bijkomstige aard. Het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 1999, nr. 34 535, onder meer gepubliceerd in LJN: AA2688, waarnaar de inspecteur verwijst, acht de rechtbank niet relevant voor de onderhavige zaak. In dat arrest ging het over de uitleg van het begrip “bijkomstig” in het toenmalige artikel 27, tiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij een percentage van minder dan 10% als “bijkomstig” werd aangemerkt. De rechtbank ziet niet in dat de uitleg die aan dit begrip in die specifieke loonbelasting-bepaling is gegeven ook hier toegepast moet worden, nu hier sprake is van een geheel andere context. Naar het oordeel van de rechtbank dient het begrip “bijkomstig” in de onderhavige context te worden gezien als een kwalitatief begrip. De stelling van de inspecteur dat met de term “bijkomstig” een percentage lager dan 10 is bedoeld, komt de rechtbank dan ook onjuist voor. Immers, de omstandigheid dat 10% of meer van de baten betrekking heeft op activiteiten waarbij winststreven aanwezig is, zegt op zichzelf niets over de relatieve of absolute omvang van de activiteiten ter behartiging van het algemeen maatschappelijk belang. Voorts merkt de rechtbank op dat naar haar oordeel ook geen particuliere belangen worden nagestreefd. De activiteiten worden niet georganiseerd voor een beperkte kring van personen. Integendeel, belanghebbende poogt een zo breed mogelijk publiek te trekken. Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, leidt de rechtbank af dat belanghebbende streeft naar een zodanig overschot dat de continuïteit van haar activiteiten verzekerd is. De opbrengsten die worden gegenereerd dienen immers ter continuering van de algemeen nut beogende activiteiten. Ook de bepaling (artikel 15) in de statuten, dat het liquidatieoverschot zoveel mogelijk overeenkomstig het doel van belanghebbende besteed wordt, sluit het nastreven van een particulier belang uit.

4.6.3.Nu de rechtbank van oordeel is dat belanghebbende een algemeen maatschappelijk belang nastreeft, zijn partijen het erover eens dat een bedrag van € 58.930 aan fictieve loonkosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel j, van de Wet Vpb (tekst 2004) in aanmerking moet worden genomen en een herbestedingsreserve als bedoeld in artikel 15ba, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Vpb (tekst 2004) voor een bedrag van

€ 39.589 kan worden gevormd.

4.6.4.Ingevolge artikel 1 van het Vrijstellingsbesluit Vennootschapsbelasting is een in artikel 6, sub a, van de Wet Vpb omschreven lichaam van de belasting vrijgesteld mits, zo winst wordt behaald, deze in het jaar niet meer bedraagt dan € 7.500, dan wel in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer bedraagt dan € 37.500. Bij de beantwoording van de vraag of de winst binnen deze grenzen blijft, kan een op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel j, van de Wet Vpb (tekst 2004) toegestane aftrek in aanmerking worden genomen. Het bedrag welke aan de herbestedingsreserve toegevoegd mag worden, mag niet in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de hoogte van de winst voor toepassing van het Vrijstellingsbesluit.

De onderhavige navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van

€ 110.196. Na vermindering met de fictieve loonkosten van € 58.930, dient het belastbaar bedrag over het onderhavige jaar te worden vastgesteld op € 51.266. Dit bedrag is hoger dan € 7.500, dan wel € 37.500, zodat het bedrag buiten de grenzen van artikel 1 van het Vrijstellingsbesluit Vennootschapsbelasting valt. Derhalve is belanghebbende geen vrijgesteld lichaam als bedoeld in artikel 6 van de Wet Vpb.

Herbestedingsreserve

4.7.1.Nu de rechtbank, gelet op hetgeen in 4.6.3 is overwogen, heeft geoordeeld dat bij belanghebbende het algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat, resteert nog de vraag of belanghebbende in het onderhavige jaar (naast de toegestane herbestedingsreserve van € 39.589) een herbestedingsreserve kan vormen als bedoeld in artikel 15ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb (tekst 2004) voor een bedrag van € 11.677 voor uitgaven ter zake van projecten voorzover het lichaam daardoor naar verwachting een verlies zal leiden.

4.7.2.Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige jaar het voornemen bestaat om uitgaven te doen ter zake van projecten waarvoor naar verwachting verlies zal worden geleden. In tegenstelling tot belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat niet alle activiteiten van belanghebbende als één project moet worden beschouwd maar dat voor een project uitgegaan moet worden van activiteiten die een concreet afgerond geheel vormen en beperkt in de tijd worden uitgevoerd. Als voorbeeld kan worden genoemd een productie van een bepaald toneelstuk. Nu belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat per project naar verwachting verlies zal worden geleden, leidt dit tot de conclusie dat het bedrag van € 11.677 niet aan de herbestedingsreserve toegevoegd kan worden.

4.8.Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, kan niet leiden tot een verdere verlaging van het belastbaar bedrag over het onderhavige jaar. Gelet op hetgeen in 4.1.2 en 4.6.3 is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient het belastbaar bedrag te worden verminderd tot € 11.677 (€ 110.196 min € 58.930 min

€ 39.589).

5.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.311 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, ½ punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen, ½ punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Met betrekking tot de zaken 09/4519 en 09/4520 gaat de rechtbank uit van twee samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit. In verband daarmee zal de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 655,50 (€ 1.311 gedeeld door twee zaken waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld). Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn gesteld noch gebleken.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 11.677;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 655,50;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 297 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D. Hund en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en door de voorzitter en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 25 januari 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.