Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP3259

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
10 / 2025 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor schade na dienstongeval. Artikel 7:658 van het BW bevat geen dwingend voorgeschreven volgorde van toetsen aan de criteria van dat artikel. Omvang van het geding is beperkt tot de vraag of aan de zorgplicht is voldaan. Geschil over feitelijke gang van zaken. Niet aangetoond dat aan de zorgplicht is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 2025 AW

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

[naam persoon],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. C.C.J. Koning,

en

de Korpsbeheerder van de Regiopolitie Midden en West Brabant,

verweerder,

gemachtigde mr. C.A.M. Swagemakers.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 maart 2010 (bestreden besluit) inzake het niet erkennen van aansprakelijkheid voor een aan eiser overkomen dienstongeval.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 december 2010, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder de gemachtigde en mr. D. van der Heijden.

Als getuige was aanwezig [naam persoon], IBT-docent in dienst bij verweerder.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is vanaf 1 september 2000 werkzaam geweest bij verweerder. Op 25 juli 2003 heeft eiser deelgenomen aan een zogenaamde Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT). In het kader van de warming-up voor deze training heeft eiser deelgenomen aan een balspel dat werd gespeeld op een veld met hindernissen. Eiser heeft tijdens de warming-up plotseling moeten uitwijken voor een hindernis, waardoor hij de kruisband van zijn linkerknie heeft gescheurd.

Bij besluit van 6 februari 2004 heeft verweerder het ongeval aangemerkt als dienstongeval in de zin van artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

Bij brief van 18 maart 2008 heeft eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor alle materiële en immateriële schade die eiser heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het dienstongeval op 25 juli 2003.

Tussen eiser, verweerder en verweerders verzekeraar OVO Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. (OVO) is gecorrespondeerd over verweerders aansprakelijkheid.

Bij brieven van 5 februari 2009 en 13 oktober 2009 heeft OVO aangegeven geen aansprakelijkheid te kunnen erkennen. OVO heeft daarbij onder meer aangegeven dat de training heeft plaatsgevonden onder leiding van twee professionele instructeurs. Zij hebben de training en instructie gegeven aan de hand van een schriftelijk vastgelegd lesplan. Het doel van de warming-up was om de deelnemers bewust te laten zijn van de omgeving waarin ze bezig waren. De deelnemers waren op de hoogte van de aanwezigheid van de attributen op het speelveld en het doel daarvan. Volgens OVO heeft verweerder in voldoende mate aan de op hem rustende zorgplicht voldaan.

Bij brief van 11 november 2009 heeft verweerder eiser geïnformeerd over zijn voornemen om geen aansprakelijkheid te erkennen. Verweerder heeft overwogen dat er ten aanzien van de warming-up sprake was van een doelgerichte instructie. Verweerder heeft daarbij onder meer verwezen naar de brief van OVO van 13 oktober 2009 en het IBT lesprogramma zaalblok. Verweerder is van mening dat hij zijn verplichtingen ten opzichte van eiser is nagekomen.

Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn zienswijze op het voorgenomen besluit kenbaar te maken.

Bij besluit van 17 december 2009 (primair besluit) heeft verweerder de door eiser gevraagde aansprakelijkheid afgewezen. Verweerder heeft voor de motivering verwezen naar zijn voornemen van 11 november 2008.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de Bezwarenadviescommissie Awb Regionaal politiekorps Midden en West Brabant.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Tussen partijen staat vast dat er sprake is van een dienstongeval. Het dienstongeval is niet veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid door eiser. Het is aan verweerder om aan te tonen dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Verweerder heeft hieraan niet voldaan. Eiser heeft een verklaring overgelegd van een sportinstructeur. Deze sportinstructeur beoordeelt de warming-up als onverantwoord, gevaarlijk, onbegrijpelijk en niet in overeenstemming met de algemeen aanvaarde wijze waarop een warming-up dient plaats te vinden. De warming-up is ook in strijd met het beoogde doel. Door de gevaarlijke en doelloze wijze waarop de warming-up is uitgevoerd, is verweerder tekort geschort in de op hem rustende zorgplicht. Het standpunt van verweerder is gebaseerd op aannames in plaats van feiten. Er is sprake van een cirkelredenering. Eiser doet in dit kader een beroep op het motiveringsbeginsel. De instructeurs hebben onvoldoende oog gehad voor de veiligheid van de deelnemers en hebben daarmee onvoldoende zorgvuldig gehandeld. Hun handelen valt verweerder tegen te werpen als een tekortkoming in de zorgplicht.

2.3 De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit de handhaving betreft van een zuiver schadebesluit inzake de schade die eiser stelt te hebben geleden als gevolg van het hem in ambtelijke dienstbetrekking overkomen ongeval.

Gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep wordt de norm gehanteerd die ook tot uitdrukking wordt gebracht in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW): voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, heeft deze recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten en voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

2.4 Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat, gelet op artikel 7:658 van het BW, eerst de vragen naar de van toepassing zijnde rechtspositionele voorwaarden, de schade en het causale verband beantwoord moeten worden. Aangezien niet gebleken is van schade ten gevolge van het dienstongeval die uitgaat boven het bedrag dat al aan eiser is vergoed op grond van het Barp en het Besluit bezoldiging politie, wordt niet aan de vraag toegekomen of verweerder heeft aangetoond dat sprake is van nakoming van de zorgplicht.

De rechtbank overweegt dat verweerder de afwijzing van aansprakelijkheid voor het ongeval en de schade welke daaruit is voortgevloeid zowel in het primaire als in het bestreden besluit heeft gebaseerd op de grond dat verweerder de zorgplicht is nagekomen.

De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat artikel 7:658 van het BW de door verweerder bepleite volgorde van toetsen niet dwingend voorschrijft. Dat betekent dat het partijen en de rechtbank vrijstaat om te bezien of sprake is van het nakomen van de zorgplicht alvorens te toetsen aan de overige criteria van artikel 7:658 van het BW. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, indien artikel 7:658 van het BW wel een dwingend voorgeschreven toetsingskader zou kennen, het bestreden besluit reeds om die reden vernietigd had moeten worden. Verweerder heeft aan de criteria van restschade en causaliteit in het bestreden besluit immers niet getoetst en eiser te dien aanzien ook niet in de gelegenheid gesteld relevante feiten en omstandigheden aan te dragen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geding slechts ter beantwoording voorligt de vraag of verweerder voldoende heeft aangetoond dat hij ten aanzien van de uitoefening van de werkzaamheden zijn onder 2.3 omschreven zorgplicht is nagekomen.

2.5 Tussen partijen is allereerst de feitelijke toedracht ten aanzien van het dienstongeval in geschil, meer specifiek welk soort balspel er werd gespeeld op het moment van het ongeval.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat training en instructie worden gegeven aan de hand van een schriftelijk vastgelegd lesplan. Op grond van het schriftelijk vastgeleged lesplan voor de desbetreffende les kan worden vastgesteld dat sprake was van een algehele warming-up tussen de attributen door plus het doen van een soort trefbal met een foambal.

Eiser heeft aangevoerd dat hij van de instructeur te horen heeft gekregen dat zij eerst een wedstrijdje basketbal zouden doen alvorens de indoor hindernisbaan te nemen. In het speelveld stonden de hindernissen al opgesteld.

De rechtbank overweegt dat verweerder ter onderbouwing van de gebruikte spelvorm heeft verwezen naar het lesplan. Eiser heeft echter betwist dat dit lesplan is gevolgd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat het lesplan is gevolgd. Aangezien het aan verweerder is om aan te tonen dat aan de zorgplicht is voldaan, ligt het op de weg van verweerder om de gerezen twijfel weg te nemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daar niet in is geslaagd. Verweerder heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt het overgelegde lesplan op 25 juli 2003 ook feitelijk is gevolgd.

Verweerder heeft zich te dien aanzien op het standpunt gesteld dat het door het tijdsverloop niet meer mogelijk is om het exacte verloop van de dag te reconstrueren. De rechtbank is echter van oordeel dat dit voor rekening en risico van verweerder komt. Gelet op de in 2.3 omschreven norm is het immers aan verweerder om aan te tonen dat de zorgplicht is nagekomen. Daarmee rust ook het risico van het (niet) kunnen leveren van bewijs in beginsel bij verweerder. De rechtbank ziet in het enkele tijdsverloop geen reden dat bewijsrisico te verschuiven en overweegt daartoe dat de verjaringstermijn voor vorderingen als de onderhavige op vijf jaar is gesteld. De wetgever heeft derhalve een beperking gesteld aan de periode binnen welke verweerder nog geconfronteerd kan worden met een aansprakelijkstelling. Daaruit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat binnen die verjaringstermijn niet snel sprake zal zijn van een tijdsverloop dat gevolgen zou moeten hebben voor het bewijsrisico. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser reeds in augustus 2003 melding heeft gemaakt van zijn dienstongeval. Op dat moment had verweerder er voor kunnen kiezen om een nader onderzoek in te stellen naar de vraag of aan de zorgplicht was voldaan. Dat verweerder dat niet gedaan heeft, komt voor zijn eigen rekening en risico. Dat verweerder, zoals ter zitting is gesteld, op dat moment geen reden zag voor dat nader onderzoek omdat slechts de melding dienstongeval was gedaan en het ongeval vervolgens via de schadevergoedingsregeling van het Barp is afgehandeld, doet daaraan niet af. Aangezien de verjaringstermijn van een vordering als de onderhavige zoals gezegd vijf jaar bedraagt, had verweerder immers reeds in 2003 bedacht kunnen zijn op een mogelijke toekomstige aansprakelijkstelling en ter zake de benodigde informatie kunnen vergaren.

Verweerder heeft dan ook niet aangetoond dat sprake is geweest van een warming-up tussen de toestellen door in de vorm van een spelletje trefbal met een foambal.

Ter zitting heeft de getuige Brouwers verklaard dat een spelletje trefbal tussen de attributen met een foambal als specifieke warming-up verantwoord is als eerst een algemene warming-up heeft plaatsgevonden. Het spelen van een spelletje basketbal tussen obstakels is, mede gelet op het competitieve element, onverantwoord.

De rechtbank ziet, mede gelet op de functie van Brouwers als IBT-docent en de daarin opgedane ervaring, geen reden hieraan te twijfelen. Dat geldt des te meer nu de opvatting van Brouwers overeenstemt met de opvatting van de door eiser geraadpleegde sportinstructeur.

Er moet dan ook geconcludeerd worden dat verweerder, althans een voor zijn rekening en risico handelende werknemer, eiser een spelletje basketbal tussen obstakels heeft laten spelen, welk balspel als onverantwoord moet worden aangemerkt. Of het spelletje basketbal al dan niet vooraf werd gegaan door een algemene warming-up is dan ook niet relevant.

2.6 Gelet op het bovenstaande heeft verweerder niet aangetoond dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Verweerder mocht de aansprakelijkheid dan ook niet op die grond afwijzen. Het bestreden besluit dient om die reden vernietigd te worden. Het beroep wordt gegrond verklaard. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser dienen te nemen.

2.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-.

Aldus gedaan door mrs. J. Domstorff - van Alphen, J.G.M. Wouters en M. Breeman, en door mr. J. Domstorff - van Alphen, voorzitter, en E.C. Petrusma, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: