Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP2941

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
207999 HA ZA 09-1547
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7795, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 7:952 BW; opzettelijke brandstichting; stelplicht brandverzekeraar en verzwaarde eisen aan betwisting van de toedracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/70

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 207999 / HA ZA 09-1547

Vonnis van 2 februari 2011

in de zaak van

[eiser]

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. M.F.J.J.M. Tijssen te Roermond

tegen

de naamloze vennootschap

NV INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven

Partijen zullen hierna [eiser] en Interpolis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties genummerd 1 t.m. 12,

- de conclusie van antwoord met producties genummerd 1 t.m.3,

- de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis, met producties genummerd 15 t.m. 17,

- de conclusie van dupliek.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

[eiser] vordert na eiswijziging, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I: voor recht verklaart, dat Interpolis jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst door het verrichten van de (opsporings)handelingen en/of het verrichten van het (opsporings) onderzoek althans van het aan private onderzoeksbureaus opdracht verstrekken hiertoe, ter zake de betrokkenheid van [eiser] bij brandstichting in de woning,

II : voor recht verklaart, dat Interpolis gehouden is om conform de verzekeringspolis dekking te verlenen voor de door [eiser] geleden schade ingevolge de brand van 27 april 2007,

III: Interpolis veroordeelt om binnen 2 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot het verlenen van dekking door vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en nog lijdt door de brand, nader te begroten c.q. vast te laten stellen conform de polisvoorwaarden, vermeerderd met de wettelijke rente, met ingang van 27 april 2007, dan wel 1 augustus 2008, 9 december 2008 of de dag der dagvaarding, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom,

IV: Interpolis te verwijzen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

Interpolis voert gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast:

[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats]; in die woning is op 27 april 2007 omstreeks 21.45 uur brand ontdekt, waardoor schade is ontstaan aan inboedel en opstal. Tussen partijen gold ten tijde van de brand een zogeheten “alles in één polis”- verzekeringsovereenkomst, die onder meer dekking tegen het risico van brandschade aan opstal en inboedel biedt. [eiser] was op voormeld tijdstip zelf in de woning en heeft brandwonden opgelopen; hij kan zich de toedracht van de brand en het ontstaan van zijn verwondingen niet herinneren.

3.2 Het standpunt van [eiser] komt er in de kern op neer, dat Interpolis haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst heeft na te komen; hij verwijst daartoe naar de door hem overgelegde polis.

3.3 Interpolis stelt, dat zij geen dekking hoeft te verlenen, omdat er sprake is van merkelijke schuld aan de kant van [eiser]; [eiser] heeft immers, aldus Interpolis, zelf de brand gesticht. Deze bewering wordt gemotiveerd tegengesproken door [eiser] .

3.4 Het is aan Interpolis om toereikend feiten te stellen, die leiden tot de conclusie, dat [eiser] zelf opzettelijk brand in de woning heeft gesticht. Pas na het stellen van dat feitencomplex komt eventueel de bewijskwestie aan de orde.

3.4.1 Ter voldoening aan deze stelplicht betoogt Interpolis, dat uit haar onderzoek naar de oorzaak van de brand blijkt, dat de brand door [eiser] zelf gesticht is; zij doelt hier op het rapport van Biesboer Expertise BV van 1 juni 2007, de onderzoeksresultaten van S.A. Oleotest NV van 7 mei 2007, de verklaringen van [Q] d.d. 10 augustus 2007, van [X] van 31 juli 2007 en de verklaring van [eiser] zelf d.d. 18 mei 2007.

Dat onderzoek wijst volgens Interpolis het volgende uit: de brand is ontstaan c.q. ontdekt om 21.45 uur, terwijl [eiser] de enige persoon in de woning was. Hij heeft brandwonden opgelopen en is dus in contact met het vuur geweest. Het onderzoek van Biesboer Expertise BV toont aan, dat er geen technische oorzaak van de brand aanwezig is, dat er twee separate brandhaarden gevonden zijn en op beide plaatsen resten van brandversnellende middelen zijn aangetroffen. [eiser] had de beschikking over dergelijke brandversnellende middelen. Er zijn geen sporen gevonden, die er op duiden, dat [eiser] geprobeerd heeft om de brand te blussen.

3.4.2 Na deze schets van de toedracht van de brand door Interpolis ligt het op de weg van [eiser] om nader feitelijk toe te lichten wat zich toen en daar in de woning heeft afgespeeld; immers, [eiser] was ten tijde van de brand in de woning en dus bij uitstek in staat om de toedracht te onthullen. Aan hem dient processueel dan ook hogere eisen te worden gesteld waar het gaat om de betwisting van het door Interpolis gestelde feitencomplex. Meer in het bijzonder dwingt die schets tot een feitelijke stellingname ten aanzien van de persoon van de brandveroorzaker, te weten [eiser] zelf of een derde, onbekend gebleven (ongenood) persoon, en ten aanzien van het element van opzet. De door Interpolis gepresenteerde feiten zoals gedestilleerd uit de onderzoeksresultaten zeggen namelijk niets over het antwoord op de vraag of de brand met opzet ontstaan is dan wel het gevolg is van een of meer onopzettelijke gebeurtenissen.

3.4.3 [eiser] evenwel stelt niet in staat te zijn om de toedracht te reproduceren, omdat hij iedere herinnering aan hetgeen gebeurd is tussen 27 april 2007 rond ca. 18.00 uur en dinsdagmorgen 1 mei 2007 kwijt is. De oorzaak van dat geheugenverlies wordt niet door hem gesteld en blijkt evenmin op andere wijze uit de gedingstukken.

Zoals al opgenomen bij de vaststaande feiten wordt deze stelling niet door Interpolis tegengesproken; dit brengt met zich mee, dat het achterwege blijven van de in 3.4.2 bedoelde stellingname processueel niet aan [eiser] kan worden tegengeworpen.

3.4.4 Uit de vorige drie overwegingen vloeit voort, dat het schort aan de stelplicht van Interpolis waar het gaat over feiten die dwingen tot de slotsom, dat de brand met opzet door [eiser] veroorzaakt is en niet het gevolg is van een of meer gebeurtenissen, die niet onder het bereik van merkelijke schuld van [eiser] vallen. Die feiten blijken immers niet uit de onderzoeksresultaten waar Interpolis zich bij haar feitelijke stellingname van bedient; evenmin kan gezegd worden, dat [eiser] processueel te kort schiet in de feitelijke inrichting van zijn verweer.

Aan die stelplicht schort het te meer nu er overigens –naast een algehele verwijzing naar de onderzoeksresultaten- door Interpolis geen feiten en omstandigheden gesteld zijn, die aanknopingspunten opleveren voor een opzet-toedracht; het stellen van feitelijkheden die op opzet duiden was te meer vereist, nu die verwijzing ook de verklaring van [Q] betreft; [Q] trof [eiser] onder de douche aan toen deze pal tevoren ernstig gewond werd door de brand en hoorde hem zeggen: “ Kutkachel,kutkachel, heeft ie toch gelekt”. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, lijkt deze uitlating van [eiser] juist een contra-indicatie voor opzet te bevatten en te wijzen op een andere toedracht, bijvoorbeeld één met de verplaatste gaskachel als factor van belang, dan op een opzettelijke brandstichting met brandversnellers.

3.5 Omdat Interpolis ten aanzien van de opzet-component niet heeft

voldaan aan haar stelplicht, kan haar beroep op opzettelijke brandstichting door [eiser] niet slagen.

3.6 Dit betekent, dat de vorderingen van [eiser] onder II en III als overigens niet tegengesproken toewijsbaar zijn. Wat betreft de medegevorderde - door Interpolis betwiste - dwangsomverbeurte geldt, dat de rechtbank geen grond ziet om deze toe te wijzen. Immers, de gevraagde veroordeling “tot het verlenen van dekking door vergoeding van de schade (…) strekt in wezen tot betaling van een geldsom; het stellen van een dwangsom op nakoming van deze veroordeling verhoudt zich niet met de laatste volzin van artikel 611 a Rv, die het opleggen van een dwangsom in het geval van veroordeling tot betaling van een geldsom niet toelaat.

Wettelijke rente is eerst toewijsbaar vanaf het moment, dat Interpolis in verzuim is geraakt. In de brieven van de raadsman van [eiser] van 9 december 2008 (productie 10) in combinatie van die van 1 augustus 2008 (productie 9), gericht aan Interpolis treft de rechtbank een sommatie met termijnstelling aan, die als een ingebrekestelling kan gelden. Vanaf het moment, dat Interpolis deze sommatie niet nakomt –de rechtbank stelt die datum in redelijkheid op 10 december 2007- is zij in verzuim geraakt en is wettelijke rente toewijsbaar.

De rechtbank heeft in de stellingen van [eiser] geen eerder moment van verzuim gevonden.

3.7 Ter onderbouwing van de onder I gevorderde verklaring voor recht heeft [eiser] betoogd, dat Interpolis zich bij het vergaren van bewijs- en onderzoeksmateriaal schuldig heeft gemaakt aan overtreding van een reeks wettelijke en verdragsrechtelijke voorschriften, van polisvoorwaarden en van diverse gedragscodes.

Interpolis spreekt dit betoog tegen en komt tot de slotsom, dat zij bij dat vergaren geen rechtsregel heeft overtreden en dat van uitsluiten van bewijsmateriaal, zoals door [eiser] voorgestaan, geen sprake kan zijn.

Het uitvoerige debat hierover tussen partijen ontvouwt zich in het perspectief van al dan niet rechtmatig verkregen bewijs en de eventuele toelating ervan in deze procedure.

Zoals hiervoor overwogen komt de rechtbank niet toe aan bewijs, nog minder aan bewijswaardering; het antwoord op de vraag of Interpolis al dan niet onregelmatig aan bewijsmateriaal is gekomen is om die reden dan ook niet van belang.

Een zelfstandig ander belang van [eiser] bij toewijzing van dit onderdeel van de vordering dan deze bewijskwestie wordt niet gesteld en blijkt evenmin op andere wijze uit de gedingstukken.

De rechtbank houdt het er daarom voor, dat dit zelfstandig belang ontbreekt en wijst dit onderdeel daarom af.

3.8 Omdat Interpolis goeddeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten, zoals hierna te beslissen. Deze proceskosten bestaan uit EUR 85,98 aan exploitkosten, EUR 262,= aan griffierecht en EUR 904, = aan salaris advocaat, in totaal dus EUR 1251,98.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1 verklaart voor recht, dat Interpolis gehouden is om conform de verzekeringspolis met nummer 00058761615 dekking te verlenen voor de door [eiser] geleden schade ingevolge de brand op 27 april 2007;

4.2 veroordeelt Interpolis om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot het verlenen van dekking door vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en nog lijdt door de brand van 27 april 2007, nader te begroten c.q. vast te laten stellen conform de polisvoorwaarden van de verzekeringsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente over de bedragen die Interpolis dient uit te keren aan [eiser] met ingang van 10 december 2007 tot de dag der gehele voldoening;

4.3 veroordeelt Interpolis in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1251,98 , = te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.4 verklaart dit vonnis wat deze veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. .

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.