Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP1810

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
612110 cv 10-6638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak is de vraag aan de orde of, en zo ja onder welke voorwaarden, ROC Tilburg een niet-wettelijke bijdrage bij een leerling in rekening kan brengen. De kantonrechter wijst de vordering af, omdat de gevorderde factuur van eiseres - na haar eigen zeggen - alleen betrekking heeft op het reguliere onderwijsaanbod en niet is gebleken dat een (duidelijke) overeenkomst tot stand gekomen is waarbij de leerling zich op voorhand akkoord heeft verklaard met doorberekening van de in de factuur genoemde kosten. De kantonrechter verwijst naar een brief van de (toenmalige) minister van onderwijs en wetenschappen van 13 januari 1994 (kenmerk: BVE/ABA/BO-93098968).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2011/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Tilburg

zaak/rolnr.: 612110 CV EXPL 10-6638

vonnis van 19 januari 2011

inzake

de stichting STICHTING ONDERWIJSGROEP TILBURG,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

gemachtigde: L.C.J. Netten, L.W.J. Danen, J.H. Vekemans, W.S.M. van Laerhoven en mr. M.J. van Rooij, gerechtsdeurwaarders te Tilburg,

tegen

[Gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mevrouw A. van Tilburg, werkzaam bij Stichting Juridische E.H.B.O. te Tilburg

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

1.1 de dagvaarding van 13 juli 2010 met producties;

1.2 de conclusie van antwoord met producties;

1.3 de conclusie van repliek met producties;

1.4 de conclusie van dupliek met producties.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

2.1 Eiseres vordert om gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 271,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 222,00 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening en veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

2.2 Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

- Gedaagde heeft zijn – destijds minderjarig – kind [naam kind] (verder te noemen: ‘[naam kind]’) ingeschreven voor de opleiding ‘Tandartsassistent’ bij eiseres.

- Daartoe is een zogenaamde ‘Onderwijsovereenkomst Educatie en Beroepsonderwijs’ (verder te noemen: ‘de overeenkomst’) gesloten.

- In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald.

• ‘1. Het ROC Tilburg stelt de student/cursist in de gelegenheid de volgende opleiding te volgen: naam van de opleiding Tandartsassistent (…) alsmede aan de examenonderdelen deel te nemen (…)’;

• ‘2. (…) Het studenten-/cursistenstatuut maakt onderdeel uit van deze overeenkomst. (…) De student/cursist en in voorkomend geval zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger verklaart dat hij/zij de documenten, waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen en/of die als bijvoegsel aan de overeenkomst zijn toegevoegd, heeft ontvangen en/of daarvan heeft kennis genomen.’

- Het ROC Tilburg is onderdeel van eiseres.

- Eiseres heeft aan gedaagde toegezonden en gedaagde heeft ontvangen een factuur (610043, verder te noemen: ‘de factuur’) van 29 september 2009 wegens college- of cursusgeld ten bedrage van € 222,00 met als specificatie activiteiten/excursies, readers, materiaalkosten praktijkmap, collegekaart, schoolpolo en RBA ROC breed aanbod.

3.2 De standpunten van partijen luiden – samengevat en voor zover relevant – als volgt.

3.2.1 Eiseres stelt dat:

a. op de overeenkomst nadere bepalingen van toepassing zijn, zoals staat vermeld in de overeenkomst;

b. gedaagde verplicht is de factuur te betalen;

c. gedaagde de factuur onbetaald heeft gelaten, ondanks herhaalde aanmaningen;

d. zij tevens aanspraak maakt op de wettelijke rente en op een vergoeding voor in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten;

e. er twee soorten schoolkosten bestaan, namelijk:

• de vrijwillige ouderbijdrage, die alleen bedoeld is voor activiteiten buiten het gewone lesprogramma, die niet door het ministerie worden betaald;

• kosten die samenhangen met het gewone lesprogramma, waaronder boeken, readers, materialen, gereedschappen, overige schoolbenodigdheden en reiskosten;

f. laatstgenoemde kosten voor rekening van (de ouders van) de leerling komen;

g. de factuur alleen betrekking heeft op het gewone lesprogramma;

h. zij de factuur nader inhoudelijk heeft onderbouwd (productie B bij repliek);

i. zij een redelijke kostprijs hanteert;

j. gedaagde niet, althans onvoldoende, onderbouwt dat de gevorderde bedragen te hoog zijn;

k. de schoolpas niet alleen een identiteitsbewijs is, maar ook gebruikt kan worden voor reproactiviteiten;

l. de factuur gebaseerd is op de overeenkomst en de daarin genoemde en toepasselijke nadere bepalingen, zodat de door gedaagde overgelegde stukken van de Tweede Kamer niet relevant zijn;

m. conform punt 6 van de nadere bepalingen (productie A bij repliek) de centrale regelgeving (gedeeltelijk op genomen in productie A bij repliek) een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de overeenkomst;

n. de centrale regelgeving uitgereikt wordt bij ondertekening van de overeenkomst;

o. in hoofdstuk 3 van de centrale regelgeving staat: ‘Studeren kost geld. De overheid subsidieert in het onderwijs een sobere basisvoorziening. Voor deelname aan deze voorziening brengt de overheid bij de studenten les- of cursusgeld in rekening’;

p. eiseres alle studenten een uitgebreider pakket biedt;

q. de specifieke opleidingskosten die daarmee gepaard gaan door haar worden doorberekend aan de student;

r. gedaagde, door ondertekening van de overeenkomst, heeft gekozen voor het uitgebreidere pakket van de specifieke opleidingskosten dat eiseres biedt;

s. gedaagde ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de gefactureerde faciliteiten;

t. de – hierna te vermelden – stelling van gedaagde dat hij niet is gewezen op de mogelijkheid om niet te kiezen voor de extra faciliteiten door haar – eiseres – uitdrukkelijk wordt betwist;

u. gedaagde voldoende informatie heeft verkregen, op grond waarvan hij een keuze kon maken om al dan niet gebruik te maken van de faciliteiten.

3.2.2 Gedaagde stelt dat:

a. de factuur op geen enkele rechtsgrond is gebaseerd;

b. ROC’s ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs worden bekostigd door de overheid, zodat het onaanvaardbaar is dat dergelijke scholen – waaronder ROC Tilburg – daarnaast hoge bedragen aan studenten vragen;

c. de rijksbijdrage en het lesgeld bedoeld zijn voor lesmateriaal en de gefactureerde kosten;

d. lesmateriaal daarom in principe niet betaald dient te worden via de niet-wettelijke bijdrage;

e. ROC Tilburg het verplichte lesmateriaal niet in rekening bij gedaagde had mogen brengen;

f. ROC Tilburg verplicht is van het lesgeld dat betaald is het volledige onderwijs te verzorgen dat nodig is om het diploma te behalen;

g. extra’s, zoals de gefactureerde excursie, niet nodig zijn om het diploma te behalen;

h. dergelijke bijdragen niet verplicht zijn, maar vallen onder de vrijwillige bijdrage;

i. in de overeenkomst onvoldoende wordt verwezen naar regelgeving waarin zou staan dat naast lesgeld extra kosten gevorderd kunnen worden;

j. in de overeenkomst nergens staat vermeld waar het ‘studenten-/cursistenstatuut’ te vinden is;

k. ROC Tilburg in de overeenkomst alleen een verplichting om extra kosten te betalen op mag nemen, als in de overeenkomst duidelijk staat dat er ook voor kan worden gekozen om deze kosten niet te betalen;

l. in de overeenkomst niet is gewezen op de mogelijkheid om de extra kosten niet te betalen;

m. hij niet is gewezen op de mogelijkheid om de readers zelf aan te schaffen;

n. hij daartoe anders zou zijn overgegaan;

o. de school hem niet de mogelijkheid heeft gegeven om niet deel te nemen aan de excursie en in plaats daarvan een vervangende opdracht uit te voeren;

p. de – door hem betwiste – verplichting om de extra kosten te betalen een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de overeenkomst;

q. hij zich met het ondertekenen van de overeenkomst niet wilde binden aan de extra kosten;

r. hij een onjuiste voorstelling van zaken had bij het ondertekenen van de overeenkomst, waardoor zijn wil bij het ondertekenen gebrekkig was;

s. hij niet tot ondertekening van de overeenkomst was overgegaan als hij op de extra kosten was gewezen;

t. hij de overeenkomst daarom op grond van dwaling vernietigt;

u. de dwaling te wijten is aan het zwijgen van eiseres en daarom voor haar risico komt;

v. eiseres extra zorgvuldigheid had moeten betrachten, omdat hij – gedaagde – de Nederlandse taal niet vloeiend beheerst; w. de kosten per factuurpost exceptioneel hoog zijn;

x. de kosten van de excursie naar Corpus te Oestgeest € 40,00 bedragen, terwijl het toegangsbewijs slechts € 12,50 per persoon bedraagt;

y. € 12,50 wordt gevorderd voor een schoolpasje dat eigenlijk niet meer is dan een stukje plastic.

3.3 De kantonrechter oordeelt als volgt.

3.3.1 De vordering van eiseres betreft niet een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage, althans dat is gesteld noch gebleken. De (toenmalige) minister van onderwijs en wetenschappen heeft de scholen voor v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., v.b.o., m.b.o., b.b.o. en v.a.v.o. op 13 januari 1994 een brief geschreven waarin wordt gewezen op de voorwaarden die in acht moeten worden genomen als van leerlingen niet-wettelijke bijdragen worden verzocht. De kantonrechter heeft geen reden om te veronderstellen dat deze brief, met als kenmerk BVE/ABA/BO-93098968, niet meer van toepassing is. In voormelde brief heeft de minister het volgende over de niet-wettelijke bijdrage vermeld.

“Aan extra voorzieningen en activiteiten die de school aanbiedt aan de leerlingen, kunnen kosten zijn verbonden die in beginsel niet door de overheid worden vergoed. Deze kosten kunnen geheel of gedeeltelijk worden doorberekend aan de leerlingen.

Hiervoor gelden echter de volgende voorwaarden:

1. Er dient een scheiding te worden aangebracht tussen enerzijds de inschrijving als leerling en anderzijds de betaling voor extra voorzieningen;

2. Indien een school (een deel van) de kosten van extra voorzieningen en activiteiten doorberekent aan de leerlingen, dient de school de leerling te wijzen op het niet verplichte karakter van deze bijdrage;

3. De school dient de leerlingen een specificatie van de kosten te verstrekken.

4. Het kan alleen gaan om extra voorzieningen die geen deel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod van de school. In beginsel is het daarom mogelijk een leerling die niet voor een extra voorziening of activiteit wenst te betalen, van het gebruik daarvan of de deelname daaraan uit te sluiten.

Voor alle duidelijkheid wijs ik u er op dat ik de inspectie van het onderwijs heb verzocht toe te zien op de naleving van deze regels.”

3.3.2 Eiseres stelt zelf dat de factuur alleen betrekking heeft op het gewone lesprogramma (zie bladzijde 3 van de dagvaarding). Gelet op de vierde voorwaarde uit de zojuist (gedeeltelijk) geciteerde brief strandt de vordering van eiseres alleen daarom al, nu niet is gebleken dat tussen eiseres en gedaagde een (duidelijke) overeenkomst tot stand gekomen is waarbij gedaagde zich op voorhand akkoord heeft verklaard met doorberekening van de in de factuur opgenomen kosten.

3.3.3 Overigens kan de kantonrechter zich alleszins voorstellen dat eiseres op grond van onderwijskundige argumenten meent dat het nuttig is een ruimer pakket aan de student aan te moeten bieden dan hetgeen wordt bestreden uit de van overheidswege aan haar ter beschikking gestelde rijksbijdrage. Dat is ook mogelijk en de kosten daarvan kunnen worden doorberekend aan de leerlingen, maar dan moet wel voor de doorberekening van die kosten voor akkoord zijn getekend en tevens zijn voldaan aan bovenvermelde voorwaarden.

Een deelnemer dient immers een onderbouwde afweging te kunnen maken of hij gebruik wenst te maken van de extra faciliteiten die door een onderwijsinstelling aan de deelnemer worden aangeboden en of hij bereid is de door de instelling daarvoor gevraagde prijs te betalen.

4. De kosten

Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. Die kosten worden tot deze uitspraak begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiseres in de proceskosten van gedaagde, tot deze uitspraak begroot op € 120,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.