Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP1517

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
09 / 3902 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak na tussenuitspraak en bestuurlijke lus. Weigering van persoonsgebonden budget in kader van Wmo voor vergoeding van schade aan een handbike die in het buitenland is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 3902 WMO

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

[naam persoon],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. E. ‘t Jong,

en

de Commissie sociale zekerheid van de gemeente Breda,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juli 2009 (bestreden besluit I), inzake de weigering schade te vergoeden aan een handbike.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2010, waarbij aanwezig waren eiseres, haar echtgenoot en haar gemachtigde en namens verweerder

J.P.W. Raijmakers.

Bij tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 29 maart 2010 van de enkelvoudige kamer heeft de rechtbank vastgesteld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de uitspraak aan te geven of verweerder het gebrek in het bestreden besluit wenst te herstellen en, zo ja, op welke wijze dat geschiedt.

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II), waarbij wederom is geweigerd de schade aan de handbike te vergoeden. Ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb heeft eiseres bij brief van

17 augustus 2010 de gronden van haar beroep aangevuld.

De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

Op 30 november 2010 is het beroep behandeld ter zitting van de meervoudige kamer waarbij aanwezig waren eiseres, haar echtgenoot en haar gemachtigde. Namens verweerder is na voorafgaande kennisgeving niemand ter zitting verschenen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 7 september 2006 heeft verweerder eiseres in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten een handbike in bruikleen toegekend ter waarde van

€ 3634,34. Eiseres heeft met Thuiszorgwinkel Mediplus (Mediplus), die de handbike geleverd heeft, een bruikleenovereenkomst gesloten.

De handbike heeft in 2008 tijdens het transport in het vliegtuig naar en van het vakantieverblijf van eiseres in het buitenland schade opgelopen. De schade bedroeg

€ 1861,80. De reisverzekering (van het IZA) van eiseres heeft – uiteindelijk – € 350,- vergoed. Eiseres heeft vervolgens op 10 februari 2009 door middel van het Aanvraagformulier Wmo-voorziening verweerder gevraagd de resterende schade van

€ 1511,80 te vergoeden.

Bij primair besluit van 12 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Daarbij is overwogen dat eiseres bij een vakantiereis in het buitenland dient te zorgen voor het afsluiten van een deugdelijke verzekering die afdoende behoud garandeert voor een voorziening in bruikleen. De handbike is daarnaast niet bestemd voor vakantie in het buitenland maar voor verplaatsing in de directe woonomgeving van eiseres.

Bij bestreden besluit I heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 12 maart 2009 gehandhaafd. De rechtbank verwijst voor verweerders motivering naar de weergave daarvan in de tussenuitspraak.

Verweerder heeft bij bestreden besluit II de bezwaren van eiseres wederom ongegrond verklaard, onder wijziging van de motivering. De aanvraag voor een Wmo-voorziening wordt geweigerd op grond van artikel 7.2, onder c, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Verordening), omdat deze eerder aan eiseres verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die eiseres zijn aan te rekenen. De schade aan de handbike is ontstaan tijdens het transport van en naar het vakantieverblijf in het buitenland. De dekking van de afgesloten reisverzekering is onvoldoende gebleken. Het voldoende verzekeren van een Wmo-voorziening die op vakantie wordt meegenomen naar het buitenland is een verantwoordelijkheid die bij eiseres ligt. Ook voor het vervoer van een Wmo-voorziening van en naar het buitenland is eiseres verantwoordelijk.

2.2 Eiseres heeft tegen bestreden besluit II aangevoerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7.2, aanhef en onder c, van de Verordening. De voorziening die wordt gevraagd is een persoonsgebonden budget. Deze is niet eerder aangevraagd, daarom niet eerder verstrekt noch eerder verloren gegaan. Bovendien is de handbike niet verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die eiseres zijn toe te rekenen. Zij heeft juist alles gedaan om de schade te voorkomen. Daarbij komt dat verweerder een compensatieplicht heeft. Verweerder mag zich hieraan niet onttrekken door zich te verschuilen achter de mogelijkheid van het afsluiten van een private verzekering. Verder is verweerders onderzoek naar de mogelijkheid van zo’n verzekering onvolledig en onzorgvuldig. Bovendien laat het onderscheid tussen schade ontstaan binnen of buiten Nederland zich niet rechtvaardigen. Het gevolg is hoe dan ook dat eiseres zich lokaal niet meer kan verplaatsen. Eiseres vraagt zich ook af of verweerders standpunt impliceert dat zij bereid is de premie voor de verzekering voortaan te vergoeden. Als verweerder dit niet doet en evenmin de schade aan de handbike vergoedt, wordt eiseres de facto niet gecompenseerd. Afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo is voorts weinig zinvol, omdat verweerder uit hoofde van de bruikleenovereenkomst in verbinding met artikel 5.4 van de Verordening toch gehouden is om de schade te vergoeden.

2.3 De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit II is genomen naar aanleiding van de tussenuitspraak van 29 maart 2010. In die tussenuitspraak concludeerde de rechtbank dat aan bestreden besluit I een rechtmatigheidsgebrek kleefde. Verweerder heeft gemeend dat gebrek met bestreden besluit II te hebben hersteld. Gelet op het voorgaande kwalificeert de rechtbank bestreden besluit II als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank strekt bestreden besluit II tot intrekking van bestreden besluit I.

Nu verweerder bij bestreden besluit II bestreden besluit I heeft ingetrokken en niet gebleken is dat eiseres nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van bestreden besluit I, behoeft het beroep tegen dat besluit geen bespreking meer. Eiseres zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar beroep tegen bestreden besluit I. Wel dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met het instellen van het beroep tegen bestreden besluit I heeft moeten maken. Deze worden vergoed op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht op grond van de bedragen van vóór 1 oktober 2009, aangezien het beroepschrift vóór die datum is ingediend.

2.4.1 De rechtbank komt thans toe aan de beoordeling van bestreden besluit II.

2.4.2 De rechtbank verwijst voor het wettelijk kader naar de weergave daarvan in de tussenuitspraak.

Verder bepaalt artikel 7.2, aanhef en onder c, van de Verordening dat het college de gevraagde voorzieningen in ieder geval kan weigeren als een soortgelijke voorziening eerder is verstrekt en de voorziening geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die aan de aanvrager zijn toe te rekenen.

Hierover is in de toelichting bij de Verordening vermeld:

“ Tot slot wordt de aanvraag geweigerd als het gaat om een voorziening die reeds eerder is verstrekt, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid.

Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden. Als in een woning bijvoorbeeld een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Als bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.”

2.4.3 Naar het oordeel van de rechtbank is in de Wmo bewust aan de gemeentebesturen ruimte gegeven om naar eigen (beleids)inzicht gestalte te geven aan de Wmo, overigens onverminderd de gehoudenheid om zowel bij de vaststelling als bij de toepassing van de verordeningen de in de Wmo gegeven normeringen in acht te nemen.

De Wmo is gericht op de maatschappelijke participatie van personen. In de Wmo is in artikel 4, eerste lid, waarin het compensatiebeginsel tot uitdrukking is gebracht, de uitdrukkelijke resultaatsverplichting opgenomen dat een betrokkene deel moet kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer op een gelijkwaardige wijze als iemand die geen beperkingen ondervindt. Verder is in artikel 4, tweede lid, van de Wmo, waarin het individualiseringsbeginsel tot uitdrukking is gebracht, de uitdrukkelijke verplichting opgenomen tot het maken van een afweging van alle betrokken belangen, waaronder de behoeften en de persoonskenmerken van de aanvrager.

2.4.4 De rechtbank is allereerst van oordeel dat artikel 7.2, aanhef en onder c, van de Verordening niet in strijd is te achten met de Wmo.

De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 29 maart 2010 vastgesteld dat eiseres met de aanvraag van 10 februari 2009 heeft beoogd een persoonsgebonden budget aan te vragen voor een Wmo-voorziening in de vorm van vergoeding van de kosten van reparatie van de handbike. Naar het oordeel van de rechtbank is deze aanvraag tot reparatie van de handbike op één lijn te stellen met het aanvragen van een handbike en daarmee aan te merken als een soortgelijke voorziening in de zin van artikel 7.2, aanhef en onder c, van de Verordening. Aan de eerste voorwaarde van dat artikelonderdeel is derhalve voldaan.

Verder kan naar het oordeel van de rechtbank gesteld worden dat deze voorziening gedeeltelijk verloren is gegaan. De handbike is immers niet te gebruiken zolang ze niet gerepareerd is.

De schade aan de handbike is ontstaan tijdens de heen- en terugreis van eiseres naar het buitenland. Zowel op de heen- als terugreis heeft eiseres nagelaten de schade te melden op het vliegveld opdat wellicht de schade vergoed kon worden door de vliegmaatschappij. Verder dekte de reisverzekering van eiseres slechts een gedeelte van de schade. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank verzuimd te zorgen voor een verzekering die de schade wel afdoende zou vergoeden. Als een dergelijke verzekering niet mogelijk of onbetaalbaar was, had eiseres ervoor kunnen kiezen om de handbike niet mee te nemen naar het buitenland. In dit licht wordt overwogen dat met de gemeentelijke compensatieplicht die in de Wmo is neergelegd niet is beoogd dat onder de Wmo vervoersvoorzieningen worden getroffen die gebruikt worden buiten Nederland. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat ook aan de tweede voorwaarde van artikel 7.2, aanhef en onder c, van de Verordening is voldaan, te weten dat de voorziening geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die aan de aanvrager zijn toe te rekenen.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onder de hiervoor genoemde omstandigheden in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de gevraagde voorziening te weigeren. Verweerder was derhalve niet gehouden om eiseres vanwege het gedeeltelijk verloren gaan van de handbike te compenseren voor haar beperkingen bij zich lokaal verplaatsen. De omstandigheid dat verweerder in 2006 de toen ontstane schade aan de handbike wel vergoed heeft door eiseres een nieuwe handbike te verstrekken, maakt dit niet anders. Die was immers al voordat de betreffende schade ontstond (economisch) afgeschreven.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat bestreden besluit II in rechte stand houdt. Het beroep daartegen zal daarom ongegrond worden verklaard.

2.5 Nu het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een nadere proceskostenveroordeling.

Er is geen aanleiding voor vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten, omdat het primaire besluit niet is herroepen.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;

gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. J.G.M. Wouters en

mr. M.C. Woudstra, leden, en door de voorzitter en mr. R.J. Tolner, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2011.

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 29 maart 2010 kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: