Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BO9572

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-01-2011
Datum publicatie
03-01-2011
Zaaknummer
02/800994-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot gevangenisstraf wegens uitvoer heroïne en cocaïne,

Inzet van een Franse verbalisant in het Joint Hit Team, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM of bewijsuitsluiting.

Het volgen van Nederlandse auto gevolgd door een auto met Frans kenteken in een omgeving die bekend staat om de handel in verdovende middelen kan op basis van Artikel 2 Politiewet 1993. Een redelijk vermoeden van schuld ex artikel 27 Wetboek van Strafvordering is daarvoor niet vereist.

Voor de strafmaat maakt het niet uit in welke mate heroïne versneden is. Dit geldt eens temeer bij een zogeheten pakezel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800994-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op[adres]m en plaats]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Tetteroo, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 december 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Klootwijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

met anderen met ongeveer 3,5 kilo heroïne en ongeveer 100 gram cocaïne op weg was naar het buitenland, dan wel dat hij met anderen deze drugs in zijn bezit heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen rechtsgrond bestond voor de inzet van een Franse opsporingsambtenaar in het Joint Hit Team, terwijl deze verbalisant wel voor het hele proces-verbaal heeft getekend en daar dus mede verantwoordelijk voor is. Naar mening van de verdediging is er hierdoor sprake van een onherstelbaar vormverzuim waardoor het openbaar ministerie primair niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte verklaard dient te worden.

De rechtbank verwerpt het verweer en verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging en overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank oordeelt dat uit het dossier inderdaad niet duidelijk wordt op grond waarvan de Franse verbalisant [naam verbalisant] aan het Joint Hit Team is toegevoegd, maar is van oordeel dat dit in dit geval niet leidt tot een onherstelbaar vormverzuim met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Uit het dossier blijkt dat de Franse verbalisant [naam verbalisant] bij de observatie en aanhouding van verdachte aanwezig is geweest. Zowel artikel 39 van het Schengen Uitvoerings Verdrag als artikel 13 van de EU Rechtshulp Overeenkomst bieden daartoe een wettelijke basis. Dat de wettelijke basis niet in het dossier vermeld wordt, wil naar het oordeel van de rechtbank niet zeggen dat er geen wettelijke basis voor zijn betrokkenheid bij het Joint Hit Team zou zijn. Uit het dossier blijkt ook niet dat verbalisant [naam verbalisant] zelfstandig dwangmiddelen heeft toegepast, maar wel dat hij is opgeleid in het kader van het Beneluxverdrag.

De rechtbank passeert om deze redenen het verweer van de verdediging. Een in het kader van het Beneluxverdrag opgeleide Franse verbalisant heeft deelgenomen aan de opsporing van verdachte, zonder hierbij zelfstandig dwangmiddelen toe te passen, waardoor naar het oordeel van de rechtbank verdachte niet in zijn belangen is geschaad.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen, de verklaringen van de verdachte bij de politie en tijdens de zitting en het rapport van het NFI, waaruit blijkt dat de in de auto bij verdachte aangetroffen substantie heroïne en cocaïne bevatte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat er geen rechtsgrond bestond voor de inzet van een Franse opsporingsambtenaar in het Joint Hit Team, terwijl deze verbalisant wel voor het hele proces-verbaal heeft getekend en daar dus mede verantwoordelijk voor is. Naar mening van de verdediging is er hierdoor sprake van een onherstelbaar vormverzuim waardoor subsidiair de gehele inhoud van het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van het bewijs dient te worden uitgesloten met als gevolg vrijspraak voor verdachte.

Voorts is de verdediging van mening dat verdachte geen opzet op de uitvoer van drugs heeft gehad. Hij is er als het ware ingerold, zodat slechts sprake is van schuld (de niet-opzettelijke variant).

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 11 september 2010 zagen verbalisanten van het Joint Hit Team een Nederlandse auto gevolgd door een auto met Frans kenteken met daarin verdachte in Rotterdam-Zuid rijden. Zij besloten deze auto te volgen en zagen dat deze auto stopte bij een woning aan de [adres] te Rotterdam. Zij zagen verdachte daar naar binnen gaan . Aangezien zowel de woning als de officiële bewoner van dit pand door de politie in verband met drugs gebracht konden worden , besloten zij verdachte te observeren. Na even te hebben gewacht zagen zij verdachte weer naar buiten komen. Zij zagen verdachte met een goudkleurige tas naar de auto met het Franse kenteken lopen en zij zagen dat deze auto omhoog gekrikt stond. Zij zagen dat verdachte en zijn medeverdachten zich daarna nog met de Franse auto bezighielden. Ook zagen zij hoe plastic zakken vanuit een Nederlandse VW Golf overgeheveld werden naar de auto met het Franse kenteken . Even later zagen de verbalisanten verdachte en zijn medeverdachte in de auto met het Franse kenteken richting de Belgische grens rijden. De verbalisanten hielden de auto staande en startten met behulp van een ‘actieve’ verdovende middelen hond een onderzoek op grond van de Opiumwet . Onder de auto werd in de speciaal geprepareerde benzinetank vermoedelijk heroïne en cocaïne aangetroffen . De medeverdachte bekende dat hij wist dat hij harddrugs drugs vervoerde . De vermoedelijke drugs werden in beslag genomen. Het bleek om 3512 gram vermoedelijke heroïne en 97 gram vermoedelijke cocaïne te gaan . Na onderzoek bij het NFI bleek inderdaad dat het materialen bevattende heroïne en cocaïne betrof . Tijdens hun staande houding verklaarden verdachte en zijn medeverdachte dat zij op weg waren naar Frankrijk . Tijdens de zitting verklaarde verdachte dat hij wel dacht dat er drugs in de goudkleurige tas zouden zitten en dat hij de situatie louche vond .

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Hieruit blijkt immers dat verdachte niet alleen wist dat hij drugs uitvoerde, maar dat hij hierin ook een actieve rol speelde. De rechtbank leidt hieruit af dat er sprake is van opzettelijk handelen.

De rechtbank verwerpt het verweer tot bewijsuitsluiting van de verdediging en verwijst naar hetgeen zij onder punt 3 heeft overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte door de inzet van een Franse verbalisant niet zodanig in zijn belangen geschaad dat bewijsuitsluiting dient te volgen aangezien niet is gebleken dat deze verbalisant zelfstandig dwangmiddelen heeft toegepast.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 11 september 2010 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, samen

met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft

gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 3512 gram,

van een materiaal bevattende heroïne en 97 gram, van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook heeft de verdediging betoogd dat verdachte als een zogeheten pakezel beschouwd moet worden en dat er sprake was van sterk versneden heroïne, wat verdisconteerd dient te worden in de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van harddrugs naar Frankrijk. De rechtbank acht dit een ernstig feit. Door de uitvoer van drugs wordt de internationale drugshandel in stand gehouden, met alle daaraan verbonden negatieve effecten. Het gebruik van heroïne en cocaïne werkt verslavend en is zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Verdachte heeft zich hiermee ingelaten zonder rekening te houden met de gezondheidsrisico’s die harddrugs voor gebruikers meebrengen.

Door de verdediging is betoogd dat verdachte bij het bepalen van de strafmaat als een zogeheten pakezel dient te worden beschouwd. De officier van justitie heeft gesteld dat naar haar mening verdachte in de categorie ‘standaard’ van de landelijke oriëntatiepunten valt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte als een pakezel kan worden beschouwd.

Het initiatief voor het feit lag niet bij verdachte, maar bij derden. Verdachte is meegereden met een medeverdachte, heeft een stuk alleen in een door derden verstrekte auto gereden en de tas met drugs aan zijn medeverdachte gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hiermee een zo beperkte rol gespeeld dat hij voldoet aan de ‘pakezelcriteria’.

De verdediging heeft ook gesteld dat de bij verdachte aangetroffen heroïne sterk versneden was. Hierdoor heeft verdachte naar mening van de verdediging minder heroïne uitgevoerd dan aan hem ten laste is gelegd. Volgens de verdediging dient dit in de strafmaat tot uitdrukking te komen.

De rechtbank overweegt in dit kader dat aan verdachte ten laste is gelegd ‘een materiaal bevattende heroïne’ en niet ‘heroïne’, zodat het voor de bewezenverklaring niet van belang is in welke mate de heroïne versneden was. De rechtbank wijst erop dat in geval van harddrugs het feitelijke totaalgewicht bijna nooit gelijk is aan de hoeveelheid zuivere harddrugs, omdat deze drugs vrijwel altijd versneden worden met andere middelen om zo een hogere verkoopopbrengst te creëren.

Nu verdachte slechts een zogenoemde pakezel was, speelde de kwaliteit van de drugs voor hem geen rol, zodat de slechte kwaliteit van de aangetroffen drugs voor de rechtbank geen reden tot strafvermindering vormt.

De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden die door verdachte ter zitting naar voren zijn gebracht en houdt rekening met het feit dat gedetineerd zijn in Nederland voor verdachte zwaar zal zijn, aangezien hij gelet op de afstand naar Frankrijk niet veel bezoek zal kunnen ontvangen en hij moeilijk zal kunnen communiceren met bewaarders en medeverdachten.

Alles overwegend en rekening houdend met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 Het beslag

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan en voorbereid met behulp van de rode Samsung C270 gsm die onder verdachte in beslag is genomen. Dit wordt niet anders als verdachte, zoals hij ter zitting verklaard heeft, de gsm uit het pand aan de [adres] gestolen heeft, nu uit de uitgelezen gegevens in deze telefoon naar het oordeel van de rechtbank voldoende blijkt dat ook met deze gsm gecommuniceerd is in verband met het vervoer van drugs.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen voorwerp, te weten: de rode Samsung C270 (voorwerpnummer [het nummer]

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Dekker en mr. Koch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Schroeijers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

3 januari 2011.

Mr. Dekker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 11 september 2010 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, samen

met (een) ander(en) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft

gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 3512 gram,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

ongeveer 97 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst

I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 september 2010 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 3512 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroine en/of 97 gram, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaine, zijnde heroine en/of cocaine (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

[Einde tekst]