Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:5319

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
22-05-2017
Zaaknummer
AWB- 11_1954
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2178, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 1954 AOW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2011 in de zaak tussen

[naam eiseres] te [woonplaats eiseres] , eiser,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB; kantoor Breda), verweerder,

gemachtigde: mr. P.C.A. Buskens.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2010 (primair besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres van 24 augustus 1970 tot en met 23 september 1976 niet verzekerd was voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 28 januari 2011 is eiseres gehoord over haar bezwaar.

Bij besluit van 17 februari 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2011. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

Overwegingen

1.

Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is geboren in Groot-Brittannië en zij heeft daar tot 28 september 1976 gewoond. Zij is vijftien geworden op 24 augustus 1970. Sinds 29 september 1976 woont zij in Nederland. Op 24 september 1976 is zij getrouwd met een Nederlandse partner. Sinds 1 september 1978 werkt zij in Nederland.

2.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een volledige AOW-uitkering zodra zij 65 wordt. Zij heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat het woonplaatsvereiste uit de AOW strijdig is met het recht van de Europese Unie, te weten artikel 21 juncto artikel 18 en artikel 45 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Daarnaast merkt zij op dat de beslissing op bezwaar mede is gebaseerd op de, inmiddels ingetrokken, EG-Verordening 1408/71.

3.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de AOW een opbouwverzekering is. Eiseres is gedurende een aantal jaren als niet verzekerd aangemerkt omdat zij in die jaren niet woonde en werkte in Nederland. Verweerder heeft de verzekeringsstatus beoordeeld aan de hand van de artikelen 13 en 14 van de EG-Verordening 1408/71. Deze verordening is een uitwerking van het recht op vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie en de AOW is in lijn met de verordening. Het woonplaatsvereiste dat de AOW stelt, vormt dan ook geen belemmering voor het vrije verkeer van werknemers, aldus verweerder.

3.

In artikel 6, eerste lid, van de AOW is bepaald dat, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, verzekerd is degene die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en ingezetene is of geen ingezetene is, maar ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

In artikel 2, eerste lid, van de EG-Verordening 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (EG-Verordening 1408/71), is bepaald dat de verordening van toepassing is op werknemers op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de EG-Verordening 1408/71 is de verordening van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende uitkeringen bij ouderdom.

In artikel 13, eerste lid, van de EG-verordening 1408/71 is bepaald dat de werknemer op wie de verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele Lidstaat is onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig Titel II van de verordening vastgesteld. In het tweede lid, onder a, is bepaald dat op de werknemer die werkzaam is op het grondgebied van een Lidstaat, de wetgeving van die staat van toepassing is.

In artikel 18 van het VWEU is bepaald dat binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is.

In artikel 20, tweede lid, onder a, van het VWEU is bepaald dat burgers van de Europese Unie onder andere het recht hebben zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

In artikel 45 van het VWEU is bepaald dat verkeer van werknemers binnen de Unie vrij is. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

4.

De vraag die ter beoordeling voorligt, is of verweerder eiseres terecht gedurende de in het geding zijnde periode als niet verzekerd voor de AOW heeft aangemerkt, en of dit strijdig is met bepalingen van Europese regelgeving.

De rechtbank stelt voorop dat aanspraken ingevolge de AOW in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wet- en verdere regelgeving zoals die luiden ten tijde van het ontstaan van de aanspraak. In dit geval ontstaat de aanspraak op AOW-pensioen op 24 augustus 2020. De vaststelling of een belanghebbende in een bepaald tijdvak verzekerd was als bedoeld in artikel 6 van de AOW, dient echter te gebeuren met inachtneming van de regelgeving zoals die luidde tijdens dat tijdvak.

In geding is de periode 24 augustus 1970 tot en met 23 september 1976. De EG-Verordening 1408/71 is in werking getreden op 1 oktober 1972. Het Verenigd Koninkrijk is lid geworden van de Europese Gemeenschap in 1973. Bij de beoordeling van de verzekering van eiseres dient dan ook te worden onderscheiden de situatie vóór 1973 en de situatie vanaf 1973. De situatie vóór 1973 dient te worden beoordeeld aan de hand van de AOW. De situatie vanaf 1973 dient te worden beoordeeld aan de hand van de AOW en de EG-Verordening 1408/71. Op grond van de wettelijke bepalingen en de EG-Verordening 1408/71 is eiseres gedurende de periode in geding niet in Nederland verzekerd voor de AOW.

Eiseres heeft betoogd dat de regeling van opbouw van AOW-pensioen indirect discriminerend is en een belemmering vormt van het vrije verkeer van werknemers. Op grond van (onder meer) artikel 18 van het VWEU is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden. Het Europese Hof van Justitie heeft in rechtspraak bepaald dat hieronder eveneens indirecte discriminatie dient te worden begrepen. Ingevolge artikel 20 van het VWEU bestaat er binnen de Europese Unie vrij verkeer van personen. In artikel 45 van het VWEU is het vrij verkeer van werknemers vastgelegd.

De rechtbank merkt allereerst op dat eiseres, door gebruik te maken van haar vrijheden zoals het vrije verkeer, niet is beperkt in haar aanspraken op grond van de AOW, maar dat haar aanspraken op grond van de AOW juist zijn ontstaan door gebruik te maken van die vrijheden.

De rechtbank overweegt voorts, met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 1991 (LJN: ZB5259), dat krachtens uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever het AOW-pensioen is opgezet op basis van een zogenaamd opbouwstelsel, dat wil zeggen dat het uitgangspunt is dat de hoogte van het pensioen afhankelijk is van het aantal verzekerde jaren van de pensioengerechtigde. Dit opbouwstelsel heeft vorm gekregen in die zin dat ten opzichte van een volledig pensioen, gebaseerd op een volledige verzekeringstijd van 50 jaren, een korting wordt toegepast voor niet verzekerde jaren. Een dergelijk stelsel, waarin de hoogte van de aanspraken wordt gerelateerd aan het aantal verzekerde of daarmee gelijk te stellen jaren kan niet op die grond verboden discriminerend worden geacht. Dat (relatief) minder onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie dan Nederlanders voldoen aan de voorwaarden om voor een volledig AOW-pensioen in aanmerking te komen, is een voor de hand liggend gevolg van het feit dat de AOW een Nederlandse sociale-verzekeringswet is die haar werking uitstrekt tot diegenen die binnen het bereik van de Nederlandse rechtssfeer vallen en heeft niets van doen met (rechtens niet aanvaardbare) discriminatie van onderdanen van andere Lidstaten. De rechtbank merkt hierbij op dat Nederlanders op dezelfde manier hun aanspraak op AOW-pensioen opbouwen, in die zin dat ook hierbij de hoogte van het pensioen afhankelijk is van het aantal verzekerde jaren.

Ook van belemmering van het vrije verkeer van personen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank overweegt hiertoe dat aanspraken op grond van de AOW immers juist kunnen ontstaan doordat een belanghebbende gebruik maakt van het vrije verkeer, zoals in het onderhavige geval gebeurd is. Vervolgens geldt ook dat iemand die een aanspraak op de AOW heeft, de reeds opgebouwde aanspraak behoudt indien hij niet langer in Nederland woont. Hierin verschilt de AOW wezenlijk met de jurisprudentie waar eiseres ter onderbouwing van haar betoog een beroep op heeft gedaan, zodat het beroep op die jurisprudentie eiseres niet kan baten.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de EG-Verordening 1408/71, aan de hand waarvan de verzekeringsstatus van eiseres mede is beoordeeld, beoogt de wetgeving op dit gebied tussen de verschillende lidstaten te coördineren, en niet harmoniseren. Het doel van de verordening is om te voorkomen dat er cumulatie van pensioenrechten ontstaat. De richtlijn beoogt niet om één sluitend stelsel van pensioenopbouw te creëren. Lidstaten zijn dan ook vrij om hun stelsel van sociale zekerheid naar eigen inzicht in te richten. Derhalve kan ook aan de richtlijn niet worden ontleend dat het karakter van opbouwverzekering die de AOW kent, strijdig is met bepalingen van Europese regelgeving.

5.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, rechter, in aanwezigheid van A.M. van Gorp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2011.

A.M. van Gorp, griffier mr. D.H. Hamburger, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.