Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:4673

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
AWB- 10_5586
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2013:2410, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/5586

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2011 in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2010 (primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), in de vorm van financiële ondersteuning voor het behoud van zijn woning, afgewezen. Verweerder heeft eveneens besloten dat eiser op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor huurschuld.

Bij besluit van 30 november 2010, verzonden op 3 december 2010, (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2011, waarbij partijen aanwezig waren. Verweerder heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door

mr. C.A. den Ottelander.

Overwegingen

1.

Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering en was tot september 2010 toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). Hij woonde samen met zijn twee kinderen in de huurwoning gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam]. Verweerder heeft aan eiser bij besluit van 11 maart 2009 op grond van de Wmo (voorlopig) een woonvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten toegekend van maximaal € 3.766,00, omdat verhuizing naar een geschiktere woning vanwege aantoonbare medische (psychische) beperkingen noodzakelijk was. Medio november 2009 heeft [naam woningcorporatie] eiser in overleg met verweerder de woning aan de [adres]in [plaatsnaam] aangeboden. Eiser heeft de woning geaccepteerd.

Overeengekomen was dat eiser de woning aan de[adres]uiterlijk op 22 januari 2011 zou verlaten. Ook nadat eiser in kort geding was veroordeeld tot ontruiming van de woning voldeed hij niet vrijwillig aan dat vonnis, zodat de ontruiming van de woning op 25 maart 2011 door de deurwaarder is geschied. Eiser had intussen een huurschuld opgebouwd die in totaal, vermeerderd met kosten, € 7.142,54 bedroeg.

Hij voert sinds april 2010 een gezamenlijke huishouding met mevrouw [naam persoon]. Zij heeft inkomsten uit arbeid.

Eiser heeft op 3 juni 2010, zoals aangevuld op 28 juni 2010, een aanvraag ingediend op de voet van de Wmo ter verkrijging van een voorziening ter vergoeding van de huurachterstanden om te voorkomen dat hij en zijn kinderen uit huis zouden worden gezet en zodat hij aan de voorwaarden van het WSNP-traject kon blijven voldoen.

Eiser heeft de betreffende huurschuld voldaan door middel van betalingen op 25 juni 2010 (ad € 100,00), 30 juni 2010 (ad € 6.807,83) en 12 juli 2010 (ad € 234,71). Eiser heeft dit geld naar eigen zeggen geleend van [naam persoon] voornoemd.

Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag afgewezen. Daarbij is, samengevat, overwogen dat de gevraagde voorziening, betaling van huurschuld, niet valt onder de compensatieplicht van de Wmo. Verweerder heeft de aanvraag ook in het kader van de Wwb beoordeeld en eveneens afgewezen. Eiser komt niet in aanmerking voor bijzondere bijstand omdat geen bijzondere bijstand wordt verleend ter aflossing van een schuld: hij dient de schuld te voldoen uit zijn inkomen (artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wwb). Bovendien heeft eiser de schuld zelf reeds voldaan, waardoor er geen noodzaak tot bijstandsverlening meer is (artikel 35 van de Wwb). Er zijn geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken, aldus verweerder.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 26 juli 2010 gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat de gevraagde voorziening geen voorziening is die valt onder de compensatieplicht van de Wmo of de Verordening Individuele Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning Halderberge 2008 (de Verordening). Er is geen bijzondere reden om op grond van de hardheidsclausule af te wijken van de Verordening. Inzake de Wwb heeft verweerder onder verwijzing naar artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wwb overwogen dat er geen recht is op bijstand. Verder doet zich geen van de in artikel 49 van de Wwb genoemde situaties voor op grond waarvan verweerder bevoegd zou zijn in afwijking van het in artikel 13 van de Wwb bepaalde bijstand te verlenen. De onder a van dat artikel genoemde mogelijkheid is niet van toepassing en van het bestaan van een onder b bedoelde zeer dringende reden om bijzondere bijstand voor schulden te verlenen, is geen sprake. Eiser beschikte zowel bij het ontstaan van de schulden als ten tijde van het bestreden besluit over middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, hij heeft de schulden zelf veroorzaakt en gebleken is dat bijstandsverlening niet volstrekt onvermijdelijk was. Eiser had immers om een betalingsregeling kunnen vragen en de huurschuld is voldaan nog voordat het primaire besluit was genomen. Eisers verzoek om schadevergoeding wordt ten slotte ook afgewezen.

2.

Eiser heeft in beroep, samengevat en zoals door hem toegelicht ter gelegenheid van de zitting, aangevoerd dat zijn beroepschrift met name is gericht tegen de jarenlange ondoorzichtige motiveringen, besluitvormingen en onsamenhangende afwijzingen van verweerder, omdat nergens uit blijkt dat het bestuursorgaan rekening heeft gehouden met de zeer ernstige psychosociale en maatschappelijke gevolgen voor zijn kinderen. Hij verzoekt de rechtbank alle eerdere vorderingen, in alle procedures die zich in de afgelopen jaren hebben voorgedaan, alsnog te beoordelen en inclusief de gemaakte kosten toe te kennen en verwijst naar zijn beroepschriften in de procedures bekend onder de procedurenummers [procedurenummer] WMO en [procedurenummer] WWB. Eiser trekt de integriteit en onafhankelijke betrokkenheid van verweerder ernstig in twijfel en door dit uitvoerende beleid worden ook de belangen van anderen dan eiser geschonden. Hij hoopt een steentje te kunnen bijdragen aan de nieuwe wettelijke richtlijnen en vormgeving binnen de Wmo.

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de (financiële) problemen zoals die voor hem en zijn gezin na het woningaanbod van 18 november 2010 zijn ontstaan, zijn te wijten aan het gebrekkige handelen zijdens verweerder en [naam woningcorporatie] in de daaraan vooraf gegane periode. Voor zover de afwijzing van zijn aanvraag gegrond is op de Wmo stelt eiser dat verweerder de Wmo dient te vormen. Hij doet een beroep op de hardheidsclausule en voert aan dat artikel 4.16 (voorziening voor huurderving) van de Verordening zo moet worden uitgelegd dat de gevraagde voorziening daaronder kan worden gebracht. Ten aanzien van de op de Wwb gegronde afwijzing voert hij aan dat artikel 35 van de Wwb had moeten worden toegepast. De huurschuld is als gevolg van het handelen van verweerder ontstaan, zodat verweerder naar een mogelijkheid had moeten zoeken om hem de gevraagde vergoeding toe te kennen, aldus eiser.

3.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdeel 5 en 6, van de Wmo valt onder meer onder maatschappelijke ondersteuning: het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem, en het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo is bepaald dat het college ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

  1. . een huishouden te voeren;

  2. . zich te verplaatsen in en om de woning;

  3. . zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

  4. . medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

De in artikel 5, eerste lid, van de Wmo genoemde regels zijn neergelegd in de Verordening.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wwb heeft geen recht op bijstand degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

In artikel 35, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Ingevolge artikel 49 van de Wwb kan het college in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, bijzondere bijstand verlenen:

a. in de vorm van borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een:

1° gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht;

2° een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank dan wel daarmee geen relatie onderhoudt;

b. indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.

4.

De rechtbank stelt voorop dat in de onderhavige procedure enkel het bestreden besluit ter beoordeling voorligt. Voor zover eiser met zijn beroepschrift alle eerdere beslissingen van verweerder in andere kwesties opnieuw ter beoordeling heeft willen voorleggen, geldt dat deze reeds onherroepelijk zijn en zodoende niet meer aan de orde kunnen komen. Het beroep van eiser zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.

Artikel 4 van de Wmo verplicht het college blijkens de wetsgeschiedenis aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn. De gevraagde compensatie, bestaande in een financiële vergoeding voor de huurschuld die eiser heeft laten ontstaan, kwalificeert de rechtbank niet als een compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Nu het aldus geen voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo betreft, behoeft aan een beoordeling van de gronden op de voet van de Verordening niet te worden toegekomen. Verweerder heeft de aanvraag terecht op grond van de Wmo afgewezen.

6.

Verweerder heeft vervolgens ambtshalve beoordeeld of eiser aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand op de voet van de Wwb. Niet in geschil is dat eiser zowel ten tijde van het ontstaan van de schulden als nadien beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, zodat (bijzondere) bijstandverlening ter aflossing van de schuldenlast, zoals die ten tijde van de aanvraag nog bestond, op de voet van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van Wwb was uitgesloten. De kosten die de afbetaling van schulden betreffen kunnen in het algemeen niet worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke bestaanskosten. In afwijking van deze hoofdregel kan het college op grond van artikel 49, aanhef en onder b, van de Wwb toch bijzondere bijstand verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en een borgstelling voor een saneringskrediet geen uitkomst biedt. Sanering van de schuld dient feitelijk op geen enkele andere wijze dan door het verstrekken van bijzondere bijstand mogelijk te zijn. In het bestreden besluit is – onder meer – overwogen dat eiser de schuld zelf heeft laten ontstaan en dat bijstandsverlening niet onvermijdelijk was, nu een betalingsregeling met de verhuurder getroffen had kunnen worden en gebleken was dat de schuld intussen ook is afgelost. In het midden kan blijven of verweerder, zoals eiser betoogt, verantwoordelijk kan en moet worden gehouden voor het ontstaan van de huurschuld. Naar het oordeel van de rechtbank was in dit geval geen sprake van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden van eiser ten tijde van de aanvraag op geen andere wijze te verhelpen waren dan door bijstandsverlening, hetgeen reeds volgt uit het feit dat de huurschuld nog vóór de primaire besluitvorming was voldaan. Verweerder is zodoende op goede gronden tot het oordeel gekomen dat geen sprake was van zeer dringende redenen om bijzondere bijstand te verlenen en heeft de aanvraag terecht op de voet van de Wwb afgewezen.

7.

Ten aanzien van het betoog van eiser dat het hem met het oog op de belangen van anderen mede te doen is om een principiële uitspraak van de rechtbank over de handelwijze van verweerder en in het kader van de rechtsontwikkeling van de Wmo, wordt ten slotte geoordeeld dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) slechts sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd vanwege de principiële betekenis daarvan voor toekomstige gevallen waarbij niet eiser, maar anderen betrokken zijn (vgl. CRvB 10 november 2010, 09/3282 WAO, LJN: BO3599).

8.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

9.

Artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht geeft de rechtbank alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid een partij te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2011.

mr. R.J. Tolner, griffier mr. J.J.M. van Lanen, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.