Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:292

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
AWB-10_902
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/902

Uitspraakdatum: 28 januari 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Venlo,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

10/698

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 22 januari 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005, alsmede de bij beschikking opgelegde vergrijpboete van € 1.320 (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.5501).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011 te Roermond. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [verweerder]. Belanghebbende is niet verschenen. De bij de rechtbank onder de procedurenummers 10/902 tot en met 09/905 geregistreerde beroepen zijn gelijktijdig ter zitting behandeld.

Belanghebbende heeft bij brief van 8 januari 2011 en fax van 11 januari 2011, beide bij de rechtbank ingekomen op 11 januari 2011, verzocht het onderzoek ter zitting te verdagen in verband met het feit dat hij nog enige tijd nodig had ter voorbereiding. De rechtbank heeft dat verzoek bij brief van 11 januari 2011 afgewezen, omdat de rechtbank de aangegeven reden geen bijzondere omstandigheid acht die verdaging rechtvaardigt. Bij fax van 13 januari 2011 heeft belanghebbende wederom om uitstel verzocht, nu wegens een plotselinge opgekomen griep. Op deze fax is het faxnummer van de afzender onzichtbaar gemaakt en belanghebbende is telefonisch niet bereikbaar gebleken op deze dag. De rechtbank heeft ook het tweede verzoek afgewezen. Hierbij is het volgende van belang. Berichtgeving naar belanghebbende toe is door hemzelf onmogelijk gemaakt. Hierdoor was het niet mogelijk tijdig mee te delen of het onderzoek ter zitting al dan niet is verdaagd en was het tevens niet mogelijk de reden van het verzoek te verifiëren.

Gezien het eerder afgewezen verzoek en het feit dat de rechtbank geen geloof hecht aan de verklaring van belanghebbende dat hij geveld is door griep, ziet de rechtbank geen gerechtvaardigde reden het onderzoek ter zitting te verdagen. Uit de omstandigheid dat belanghebbende geen bericht heeft gekregen omtrent zijn tweede verzoek gaat de rechtbank er van uit dat hij er redelijkerwijs van uit heeft moeten gaan dat het onderzoek ter zitting doorgang zal vinden. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat mogelijke nadelen door deze gang van zaken voor rekening van belanghebbende zelf dienen te blijven nu hij zelf deze gang van zaken heeft veroorzaakt.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende, handelend onder de naam [handelsnaam], dreef een handelskwekerij in in- en verkoop van plantmateriaal. Belanghebbende verzorgde zelf de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 (hierna: de aangiften). Tevens verzorgde belanghebbende zelf de dagelijkse administratie. Naar aanleiding van de ingediende aangiften is een teruggaaf omzetbelasting verleend van

€ 5.282 (hierna: de teruggaaf).

2.2.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur geconstateerd dat er geen aansluiting was tussen de ingediende aangiften en de aanwezige administratie, bestaande uit bankafschriften en enkele losse facturen. Belanghebbende heeft geen verklaring kunnen geven voor deze verschillen. De inspecteur heeft naar aanleiding van het boekenonderzoek geconcludeerd dat belanghebbende niet voldeed aan de verplichtingen van de artikelen 47 en 52 van de AWR.

2.3.

Het boekenonderzoek heeft geresulteerd in een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 2005 (hierna: de naheffingsaanslag), waarbij de eerder verleende teruggaaf is nageheven. De inspecteur heeft gelijktijdig bij het opleggen van de naheffingsaanslag een boetebeschikking vastgesteld. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur zowel de naheffingsaanslag als de boetebeschikking gehandhaafd met toepassing van artikel 25, derde lid, onderdeel b, van de AWR, zijnde de omkering van de bewijslast.

2.4.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Voorts is tussen partijen in geschil of de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

2.5.

Nu de naheffingsaanslag uitsluitend is opgelegd ter zake van de verleende teruggaaf, rust de bewijslast dat de teruggaaf ten onrechte is teruggenomen op belanghebbende. De bewijslast dat terecht teruggaaf is verleend rustte immers al op belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij recht had op die teruggaaf. Belanghebbende heeft geen facturen en/of ander bescheiden overgelegd waaruit het recht op die teruggaaf blijkt.

Ten aanzien van de boetebeschikking

2.6.

De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de AWR, in samenhang met de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998) een vergrijpboete opgelegd van 50% (hierna: de boete). Op de inspecteur rust dan de bewijslast aannemelijk te maken dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is betaald.

2.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende door aangiften te doen leidend tot de teruggaaf terwijl daarvoor niet de vereiste facturen en/of andere bescheiden aanwezig waren, de reële kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden afgedragen. In dat geval is het dan aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten dat te lage voldoeningen op aangiften zijn gedaan en dus te weinig belasting is geheven. De inspecteur heeft daarmee aan zijn bewijslast voldaan.

2.8.

Rekeninghoudend met de omvang van het boetebedrag heeft de inspecteur de boete verminderd tot 25%. Naar het oordeel van de rechtbank is een boete van 25% van de na te heffen belasting, oftewel € 1.320 in overeenstemming met de ernst van het gepleegde vergrijp en de omstandigheden van het geval. De rechtbank acht de boete daarom zowel absoluut als relatief passend en geboden.

Conclusie

2.9.

Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr.W.Y. Ip, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.