Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BY0048

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
09/4591
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/4591

Uitspraakdatum: 9 juli 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats X],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 15 september 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door hem bij notariële akte van [datum] op aangifte voldane overdrachtsbelasting ten bedrage van € 63.780 ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [het registergoed] te [plaats X] (hierna: het registergoed), (beschikkingsnummer: [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010 te Eindhoven. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigde].

Namens belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende heeft samen met zijn echtgenote op 24 december 2007 op aangifte overdrachtsbelasting voldaan inzake de verkrijging van het registergoed. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur geen teruggaaf verleend.

2.2. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij die dag is gelegen vóór de dag van bekendmaking van die uitspraak (artikel 22j van de AWR). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid, van de Awb). Bij verzending per post is een bezwaarschrift nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb).

2.3. Nu belanghebbende op 24 december 2007 op aangifte overdrachtsbelasting heeft voldaan, eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 4 februari 2008. Het bezwaarschrift (met dagtekening 14 augustus 2009) is op 18 augustus 2009 door de inspecteur ontvangen en is derhalve niet tijdig ingediend.

2.4. Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb).

2.5. Belanghebbende verwijst naar de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage van 1 mei 2009 (nr. BK-07/00421, gepubliceerd in onder meer VN 2009/31.17) waarin is beslist dat een natuurlijk persoon ook recht heeft op toepassing van de vrijstelling van heffing van overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging van geregistreerde monumenten, opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (de zogenoemde monumentenvrijstelling). De Staatssecretaris heeft in afwachting van nadere wetgeving toegezegd dat recht op teruggaaf van overdrachtsbelasting bestaat voor verkrijgingen op of na 1 mei 2009. Belanghebbende stelt dat deze toezegging niet beperkt mag worden tot gevallen op of na 1 mei 2009, zodat hij ook recht heeft op de monumentenvrijstelling.

2.6. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van belanghebbende geen doel treft. Geen nationaal wettelijke bepaling stond belanghebbende immers in de weg om ter zekerstelling van zijn rechten tijdig bezwaar aan te tekenen. Belanghebbende was wel in staat tijdig bezwaar te maken, maar heeft dat niet gedaan, omdat hij daartoe (binnen de bezwaartermijn) geen reden had. Derhalve kan hij thans de rechtmatigheid van de heffing niet meer in rechte aan de orde stellen. Een nadien opgekomen reden, in dit geval een wetswijziging met terugwerkende kracht, kan niet bewerkstelligen dat de termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt (vergelijk Hoge Raad 28 april 2006,

nr. 40 956, gepubliceerd in onder meer BNB 2006/215).

2.7. Al hetgeen belanghebbende voorts heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. De conclusie moet dan ook luiden dat belanghebbende de wettelijke bezwaartermijn van zes weken heeft overschreden, terwijl niet gebleken is van feiten en/of omstandigheden als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk geworden dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Nu het bezwaar niet tijdig is ingediend, had de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het bezwaar van belanghebbende dient derhalve alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.9. Gelet op het bovenstaande is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep in zoverre gegrond. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 juli 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.