Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BV3618

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
08/1176
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1176

Uitspraakdatum: 26 februari 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2003 een navorderingsaanslag, aanslagnummer [nummer].H.37, inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ten bedrage van € 2.612 opgelegd. Bij die aanslag is een boete van € 806 opgelegd en aan heffingsrente € 194 in rekening gebracht.

1.2. De inspecteur heeft belanghebbendes bezwaar bij de uitspraak op bezwaar van 22 januari 2008, naar de rechtbank begrijpt, afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 29 februari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 3 maart 2008, beroep ingesteld.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2009 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn echtgenote, de gemachtigde [gemachtigde], advocaat te Roermond, bijgestaan door [adviseur H] en [adviseur K] beiden verbonden aan Flynth Adviseurs en Accountants, alsmede namens de inspecteur [gemachtigde], [gemachtigde W] en [gemachtigde B]. Ter zitting zijn de vijftien zaken met procedurenummers 08/1174 tot en met 08/1188 tegelijk behandeld. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met de uitspraak aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende oefent in maatschapsverband met zijn echtgenote (de maatschap) een tuin- en landbouwbedrijf uit. De teelt betreft prei, courgettes, suikerbieten en asperges. De asperges worden uitsluitend in Duitsland geteeld op gepachte grond. In de jaren 2001 tot en met 2004 zijn dat circa 3 hectare. De asperges worden hoofdzakelijk geleverd aan de veiling. De omzet bedroeg in de jaren 2001 tot en met 2004 respectievelijk ƒ 78.834,25, € 47.659,90, € 43.892,30 en 43.511,85. In de jaren 2001 tot en met 2004 is volgens de administratie per kas aan huis verkocht voor respectievelijk ƒ 472, € 142, € 850 en € 5.140. De opbrengst in kilo's volgens de administratie bedraagt respectievelijk 12.597, 17.460, 16.710 en 17.315 kg. De totale omzet bij de veiling bedroeg na verrekening van de veilingkosten en BTW in de jaren 2001 tot en met 2004 respectievelijk ƒ 232.441,47, € 103.797,97, € 120.246,24 en € 107.990,80.

2.2. Bij brief van 18 januari 2005, bij de FIOD ECD te Haarlem op 21 januari 2005 ingekomen, is door het Bundesamt für Finanzen te Bonn aan de Nederlandse belastingdienst, FIOD ECD, gevraagd of inkopen asperges die voorkomen in de administratie van [marktkoopman], marktkoopman (Obstmarkthandel) in Heinsberg, Duitsland, eveneens voorkomen in de administratie van de maatschap. Het gaat daarbij voor de jaren 2001 tot en met 2004 om de in de administratie van [marktkoopman] voorkomende bedragen van respectievelijk DM 22.666,50, € 11.841,45, € 9.381,20 en € 12.876,25. Bij het verzoek zijn de genoemde bedragen uit de jaren 2000 tot en met 2002 per dag gespecificeerd. Hoeveelheden zijn niet genoemd. Bij het verzoek om informatie zit ook het Duitse vragenformulier van 21 december 2004 van het Finanzamt Geilenkirchen aan het Bundesamt für Finanzen van 27 september 2004.

Naar aanleiding van een verzoek van de belastingdienst, FIOD ECD, heeft het Bundeszentralamt für Finanzen bij brief van 17 januari 2008, bij de FIOD-ECD ingekomen op 24 januari 2008, nadere stukken toegezonden. Bij die stukken zit het verzoek om informatie van het Finanzamt Geilenkirchen aan het Bundesamt für Finanzen van 27 september 2004 waaraan een kopie is gehecht van een deel van één bladzijde blanco ongelinieerd papier waarop handgeschreven staat vermeld: "[handgeschreven vermelding]" de datum 28 april 2000 en "50 kg Spargel a 7,50 375,-" en "170 v 5,75 977,50". Daarnaast staat vermeld: "61-04" en "61-04-00". Tevens is daarbij gevoegd een overzicht van de in de administratie van [marktkoopman] voorkomende bedragen uit 2003 en 2004 per dag gespecificeerd.

Op vragen van de inspecteur aan [marktkoopman] bij brief van 18 juni 2009 is tot op de dag van het onderzoek ter zitting geen antwoord verkregen.

2.3. De maatschap heeft in de jaren 1999 en/of 2000 een enkele partij asperges aan [marktkoopman] geleverd. De opbrengst daarvan is toen geboekt onder de kasopbrengsten verkoop aan huis.

2.4. Met controledatum "09-09-2005/30-03-2006" is namens de inspecteur door [gemachtigde W] en [gemachtigde B] een controle ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van belanghebbende en zijn echtgenote over de jaren 2001 tot en met 2004. Op 30 maart 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden op het adres van de maatschap. Daarbij zijn aanwezig geweest genoemde [gemachtigde W] en [gemachtigde B], belanghebbende en zijn echtgenote, [adviseur H] en [adviseur K] voornoemd. Van de controle is een rapportage gemaakt met datum 23-11-2006. In de rapportage worden navorderingen over de jaren 2001 tot en met 2003 en een aanslag over 2004 aangekondigd. Bij die aanslagen wordt per jaar per maat een bedrag aan winst gecorrigeerd van € 5.000. Tevens zijn over alle jaren vergrijpboeten aangekondigd van 50% wegens het niet doen van de juiste aangifte waardoor te weinig belasting / premie volksverzekeringen / premie WAZ is geheven.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I Is de onderhavige navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? De beantwoording van deze vraag komt neer op het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de winst heeft gecorrigeerd.

II Is terecht en tot een juist bedrag een vergrijpboete opgelegd?

III Is er terecht heffingsrente in rekening gebracht?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zittingen hieraan is toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat de aangifte onjuist is doordat een deel van de omzet niet daarin is verwerkt, op de inspecteur rust. De inspecteur dient dan te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat die aangifte te laag is.

4.1.2. De inspecteur stelt dat belanghebbende omzet die de maatschap zou hebben gehad uit verkopen aan [marktkoopman] niet in de administratie heeft verwerkt. Belanghebbende betwist dit. De inspecteur voert als bewijs aan de facturen/rekeningen aan [marktkoopman] en de administratieve verwerking daarvan door [marktkoopman] zoals die uit de Duitse gegevens blijkt. Tevens beroept de inspecteur zich op de omstandigheid dat de door belanghebbende behaalde opbrengst asperges op de in Duitsland gelegen percelen aanzienlijk lager ligt dan de KWIN-normen doen vermoeden.

4.1.3.1. Met betrekking tot de uit de administratie blijkende opbrengst enerzijds en de opbrengst volgens de KWIN-norm anderzijds merkt de rechtbank het volgende op.

4.1.3.2. Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting bevestigd dat de KWIN-norm een gemiddelde opbrengst in kilo's per hectare is van de teelt van asperges in Nederland. Daarnaast erkent de inspecteur dat belanghebbende de planten verder uit elkaar poot dan de afstand die voor de KWIN-norm is gehanteerd. De inspecteur erkent tevens dat bij het poten van de planten een aantal rijen vrij worden gehouden voor het verplaatsen van de beregeningsapparatuur welke nodig is in verband met de hoogteligging van de percelen ten opzichte van het omliggende terrein. Ten slotte erkent de inspecteur dat er verliezen ontstaan door de schade die het wild uit de aangrenzende bossen aanricht. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat voor de bepaling van de te verwachten opbrengst per hectare niet kan worden uitgegaan van de KWIN-norm maar dat uitgegaan moet worden van het in 1997, 1998 en 1999 aangekochte aantal planten. Dat aantal is in totaal 43.800. De rechtbank acht aannemelijk dat de in april 2003 aangekochte en gepote planten in de onderhavige periode nog geen opbrengst van betekenis hebben opgeleverd zodat met dat aantal geen rekening kan worden gehouden. Nu in deze periode drie hectare in gebruik waren bedraagt het gemiddeld aantal planten per hectare 14.600. De inspecteur gaat volgens het verweerschrift uit van een aantal planten van 18.800.

4.1.3.3. De inspecteur betwist belanghebbendes stelling dat de planten structureel een lagere opbrengt dan het gemiddelde hebben doordat de grond waarop geteeld wordt van slechtere kwaliteit is dan de grond die bij de KWIN-norm als uitgangspunt is genomen. Belanghebbendes stelling wordt ondersteund door de verklaringen van [agrarisch taxateur], agrarisch taxateur, en ing. [bedrijfsvoorlichter], de bedrijfsvoorlichter vollegrondsgroente en contactpersoon van de maatschap in de onderhavige periode bij [bedrijf] te [plaats]. De rechtbank acht op grond van deze verklaringen en de omstandigheid dat de percelen zijn gelegen in Duitsland en niet in Nederland, aannemelijk dat de planten op de percelen van belanghebbende in Duitsland een lagere opbrengst per plant opleveren dan de KWIN-norm doet vermoeden.

4.1.3.4. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende een afdoende verklaring heeft gegeven voor de verschillen die zijn te constateren tussen de opbrengst per hectare in kilo's op de percelen in Duitsland en de gemiddelde opbrengst per hectare in kilo's volgens de KWIN-norm. De rechtbank merkt hierbij op dat de inspecteur onvoldoende rekening houdt met het geringer aantal planten dat in de berekening moet worden betrokken. De inspecteur erkent dat uit de administratie van belanghebbende blijkt dat een aanzienlijk lager aantal planten (14.600 i.p.v. 18.800) is gepoot maar gaat er daarbij van uit dat de wel gepote planten een opbrengst in kilo's realiseren die dat compenseert. Belanghebbende betwist dit, hij stelt immers dat de opbrengst per plant nu juist lager is dan gemiddeld. De inspecteur heeft van zijn stelling, dat de opbrengst per plant toeneemt bij toename van pootruimte, geen bewijs geleverd of aangeboden zodat de rechtbank die stelling verwerpt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat bij een plantaantal van 14.600 per hectare in plaats van 18.800, de opbrengst per hectare geen 6.270 kilo bedraagt maar circa 5000 kilo bedraagt. De verschillen belopen dan respectievelijk:

Opbrengst volgens de administratie: 12.597 17.460 16.710 17.315

Dat is per hectare : 4.199 5.820 5.570 5.772

Verschil -801 820 570 772

Deze verschillen van de opbrengst per hectare bij de maatschap ten opzichte van de gemiddelde opbrengst per hectare volgens de (gecorrigeerde) KWIN-norm zijn dan, naar het oordeel van de rechtbank voldoende verklaard en geen reden om van de door belanghebbende geadministreerde omzet af te wijken.

4.1.4. Met betrekking tot [marktkoopman] merkt de rechtbank het volgende op. Uit de gegevens uit Duitsland leidt de rechtbank af dat, zoals belanghebbende stelt er geen facturen dan wel rekeningen door de maatschap aan [marktkoopman] zijn uitgereikt. De Duitse belastingdienst heeft immers desgevraagd enkel één kopie overgelegd van een stuk waarop belanghebbendes naam voorkomt. Andere stukken zijn niet overgelegd noch is daartoe een aanbod gedaan. Bovendien houdt de genoemde aantekening, naar daar redelijkerwijs uit kan worden afgeleid, niet meer in dan een geconstateerde prijs bij de maatschap voor een hoeveelheid asperges op 28 april 2000 met de vermelding van twee onverklaard gebleven nummercombinaties.

4.1.5. Nu facturen dan wel rekeningen of andere stukken uit de administratie van [marktkoopman] die mogelijke inkoop bij belanghebbende bewijzen ontbreken, komt het erop neer te beoordelen aan welke administratie, die van de maatschap of die van [marktkoopman], geloof kan worden gehecht ten aanzien van de door [marktkoopman] geclaimde inkoop. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de administratie van belanghebbende door de inspecteur is gecontroleerd en dat daarin, mede gezien het oordeel van de rechtbank in overweging 4.1.3.1 tot en met 4.1.3.4, geen gebreken zijn geconstateerd. Daar tegenover staat een niet door de inspecteur of de rechtbank gecontroleerde of controleerbare administratie van [marktkoopman] die voor de Duitse belastingdienst aanleiding heeft gegeven met betrekking tot die geclaimde inkopen vragen te stellen aan de Nederlandse belastingdienst. De rechtbank acht derhalve aannemelijk dat de administratie van de maatschap een juiste en betrouwbare weergave geeft van de werkelijkheid.

4.1.6. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende heeft erkend dat € 10.000 per jaar niet is aangegeven, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Belanghebbende heeft in de stukken en ter zitting steeds ontkend enige omzet buiten de administratie te hebben gehouden. Het controle rapport vermeldt enerzijds dat belanghebbende zou hebben erkend dat er bedragen aan omzet buiten de administratie zijn gehouden maar vermeldt in de conclusie daarentegen dat belanghebbende en de adviseur zich niet met de correcties en de boete kunnen verenigen. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat belanghebbende heeft erkend dat een deel van de omzet buiten de administratie is gehouden. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat met betrekking tot de bespreking van 30 maart 2006, blijkens de stukken van het geding en de verklaringen ter zitting van dezelfde personen als die toen bij die bespreking aanwezig waren, een zulke erkenning niet aannemelijk is geworden. De rechtbank gaat hierbij voorbij aan het aanbod ter zitting van de inspecteur om het op 30 maart 2006 besprokene alsnog vast te leggen in een ambtsedige verklaring. Het niet ondenkbeeldige risico dat bij die vastlegging het voorgevallene na die bespreking onbewust een rol van betekenis kan gaan spelen en daarmee de waarheidsgetrouwheid van die verklaring mogelijk aantast, is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval te groot. Een onmiddellijke vastlegging in een ambtsedige verklaring had dit risico niet met zich meegebracht. Nu het de ambtenaar zelf is die beslist of en wanneer die ambtsedige verklaring op wordt gesteld, dient het risico van het ontbreken van die verklaring op enig moment geheel voor diens rekening te blijven.

4.1.7. Aan de omstandigheid dat belanghebbende, net als zijn echtgenote, bij het doen van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2005 eveneens een winstcorrectie van € 5.000 in acht heeft genomen, hecht de rechtbank voor het onderhavige geval geen waarde. Om enige kans op het belopen van een vergrijpboete wegens een te lage aangifte uit te sluiten ligt het voor de hand een dergelijke aangifte te doen en bij ontvangst van de aanslag onmiddellijk daartegen in bezwaar te komen. De rechtbank is van oordeel dat aan dat aangiftegedrag redelijkerwijs niet de conclusie kan worden verbonden dat belanghebbende de onderhavige omzetverzwijging heeft erkend.

4.1.8. Op grond van het 4.1.2 tot en met 4.1.7 overwogene is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat omzet buiten de administratie is gehouden en zodoende een onjuiste aangifte is gedaan. Er is dan geen grond om de onderhavige navorderingsaanslag op te leggen. De eerste in geschil zijnde vraag moet daarom ontkennend worden beantwoord.

4.2. Nu de navorderingsaanslag niet terecht is opgelegd moet eveneens de boete komen te vervallen. De inspecteur heeft immers niet bewezen dat een onjuiste aangifte is gedaan of anderszins door belanghebbendes toedoen te weinig belasting is geheven. De tweede in geschil zijnde vraag moet daarom ook ontkennend worden beantwoord.

4.3. Nu de navorderingsaanslag moet worden vernietigd is er evenmin aanleiding heffingsrente in rekening te brengen. De derde in geschil zijnde vraag moet daarom eveneens ontkennend worden beantwoord.

4.4. Op grond van al het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van belanghebbende zodat moet worden beslist als hierna is vermeld.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.449 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punten voor het indienen van een conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor meer dan 4 samenhangende zaken). De rechtbank spreekt daarom in elk van de veertien samenhangende zaken, welke gegrond zijn verklaard (met uitzondering van de zaak 08/1185) een proceskostenveroordeling uit van € 103,50.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 103,50.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 10 maart 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid, AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.