Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BV1432

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
08/5877
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/5877

Uitspraakdatum: 23 juni 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor Tilburg,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag premie ziekenfondswet zelfstandigen (hierna: Zfw) opgelegd, berekend naar het maximum premie-inkomen van € 19.650 (aanslagnummer [nummer].S27). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking een vergrijpboete van € 781 vastgesteld.

1.2. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 november 2008 de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 16 december 2008, ontvangen bij de rechtbank op 17 december 2008, beroep ingesteld. Aan belanghebbende is voor deze zaak, wegens samenhang met de zaak 08/5874, geen griffierecht in rekening gebracht.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010 te Breda.

Aldaar zijn verschenen, namens de inspecteur, [gemachtigden]. Namens belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. Tijdens de zitting zijn de zaken met procedurenummers 08/5874, 08/5875, 08/5876, 08/5877, 08/5878, 08/5879, 08/5880, 08/5882, 08/5883, 08/5884 en 08/5887, gelijktijdig behandeld.

1.6. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat. Vervolgens heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:45 van de Awb de inspecteur verzocht om schriftelijke inlichtingen te geven. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld om op deze stukken te reageren. De met partijen schriftelijk gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.7. De rechtbank heeft vervolgens, met toestemming van partijen, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

Tegelijk met onderhavige aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2002 opgelegd. Het beroep betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2002 is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 08/5876.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag en de boete terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de aanslag en de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 15a, tweede lid, in verbinding met artikel 3d, vierde, zevende en achtste lid, van de Zfw bedraagt het premie-inkomen, voor zover te dezen van belang, de som van het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in de Hoofdstukken 3, 4 en 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met de correctieposten.

4.2. Onderhavige navorderingsaanslag is uitsluitend opgelegd omdat een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 (aanslagnummer [nummer].H.27) is opgelegd. De rechtbank heeft bij uitspraak van heden in de zaak met procedurenummer 08/5876, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank neemt de in de uitspraak met nummer 08/5876 vermelde beslissing over. Gelet op het bepaalde in artikel 15a, tweede lid, in verbinding met artikel 3d, vierde, zevende en achtste lid, van de Zfw, de stukken van het geding en het overwogene in voornoemde zaak dient onderhavige boetebeschikking te worden verminderd tot € 374 en dient de aanslag te worden gehandhaafd.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 483 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1,5 wegens meer dan vier samenhangende zaken). Daarbij wordt uitgegaan van de 11 samenhangende zaken 08/5874, 08/5875, 08/5876, 08/5877, 08/5878, 08/5879, 08/5880, 08/5882, 08/5883, 08/5884 en 08/5887, zodat in elk van de zaken een proceskostenvergoeding van € 43,90 wordt toegekend.

5.2. Voor een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase is geen plaats, nu belanghebbende daar niet, voordat de uitspraak op bezwaar is gedaan, om heeft verzocht (artikel 7:15, derde lid, van de Awb).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking;

- vermindert de boete tot € 374;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 43,90.

Aldus gedaan door mr A.A. den Hartog, rechter, en door hem en mr. M.C.G. Spierings - van Kessel, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 juli 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.