Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BT2070

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-02-2010
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
09/702
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/702

Uitspraakdatum: 20 januari 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Venlo,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 6 januari 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000 en de daarbij vastgestelde boete van € 113 (aanslagnummer: [nummer].H.56).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010 te Tilburg. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigde].

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 7 november 2009 aan belanghebbende op het adres [adres] te [woonplaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brief op 10 november 2009 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekend¬making. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is het, op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

2.2. De dagtekening van de onderhavige aanslag is 7 maart 2008. Gesteld noch gebleken is dat de aanslag pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 18 april 2008. De inspecteur heeft onbestreden gesteld dat het bezwaarschrift op 16 juli 2008 bij de Belastingdienst is binnengekomen. Nu het bezwaarschrift op genoemde datum door de inspecteur is ontvangen, is het bezwaarschrift niet voor het einde van de termijn ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is het evenmin aannemelijk, dat belanghebbende onmiddellijk na een telefonisch onderhoud met een medewerker van de Belastingdienst, een bezwaarschrift heeft ingediend. Het is niet duidelijk wanneer belanghebbende telefonisch onderhoud met een medewerker van de Belastingdienst had. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Gelet op artikel 6:9 van de Awb is het bezwaarschrift derhalve niet tijdig ingediend.

2.3. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Uit hetgeen is overwogen in 2.2 en uit hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat zich omstandigheden hebben voorgedaan welke een grond voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding vormen. Belanghebbende had andere maatregelen moeten treffen teneinde de wettelijke termijnen in acht te kunnen nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk geworden dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Het bezwaar van belanghebbende is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr A.A. den Hartog, rechter, en door hem en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 02-02-2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.