Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BR3944

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
187305 / HA ZA 08-559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. draagt eiseres de bewijslast van haar stelling dat gedaagde de hand heeft gehad in het overlijden van B. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187305 / HA ZA 08-559

Vonnis van 28 april 2010

in de zaak van

[eiseres],

laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. N.Th. ter Haar Romeny,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. N.P.C.C. Langenberg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 november 2009 en de daarin vermelde stukken,

- de akte van depot van 22 december 2009 waaruit blijkt dat mr. Ter Haar Romeny op die dag ter griffie heeft gedeponeerd een strafdossier, opgenomen in zes archiefdozen,

- het proces-verbaal van comparitie van 20 april 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast teneinde met partijen te overleggen op welke wijze in deze procedure eventuele bewijslevering kan plaats hebben. Ter comparitie hebben de raadslieden van partijen zich daarover uitgelaten.

2.2. Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.7 overwogen dat de uitspraak van het Hof van Assisen niet voldoet aan de in artikel 161 Rv. gestelde eis dat het betrokken vonnis is gewezen door de Nederlandse strafrechter. Het vonnis van de rechtbank Breda, sector strafrecht, van 1 oktober 2007, gewezen op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van voormelde beslissing van het Hof van Assisen, voldoet evenmin aan de in voormeld artikel gestelde vereisten. Bij dit vonnis is immers niet bewezen verklaard dat [gedaagde] enig feit heeft begaan maar is alleen beoordeeld of de tenuitvoerlegging van de uitspraak van het Hof van Assisen in Nederland toelaatbaar is. Zoals de rechtbank in dat vonnis heeft overwogen, was zij bij die beoordeling gebonden aan de vaststelling van de feiten die het Hof van Assisen kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Een en ander betekent dat de uitspraak van het Hof van Assisen geen dwingende bewijskracht toekomt. De rechtbank is derhalve niet gehouden de inhoud van die uitspraak als waar aan te nemen voor zover daarin is vastgesteld, samengevat, dat [gedaagde] de hand heeft gehad in het overlijden van [slachtoffer].

2.3. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. draagt eiseres de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] de hand heeft gehad in het overlijden van [slachtoffer]. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast volgt. Derhalve zal de rechtbank eiseres het bewijs van haar stelling opdragen.

2.4. Aangezien de raadsman van eiseres ter comparitie heeft verklaard dat, indien eiseres met het leveren van het bewijs wordt belast, zij het bewijs wil leveren door de stukken die hij reeds ter griffie heeft gedeponeerd en nog zal deponeren zulks in combinatie met een te verstrekken toelichting daarop, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol teneinde eiseres daartoe in de gelegenheid te stellen. Een en ander laat onverlet dat ieder van partijen, te beginnen met eiseres, de gelegenheid heeft getuigen voor te brengen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. draagt eiseres op te bewijzen dat gedaagde de hand heeft gehad in het overlijden van [slachtoffer];

3.2. bepaalt dat eiseres voor 9 juni 2010 alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet gedeponeerd, ter griffie van de rechtbank zal deponeren;

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 juni 2010 voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis door eiseres over de onder 3.1 geformuleerde bewijsopdracht;

3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Hooff, mr. Rouwen en mr. De Bruijn, rechters, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.