Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BQ6674

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
207088 FA RK 09-3229 (zie ook zaaknummer 207088 FA RK 09-3229)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid echtscheidingsverzoek. Erkenning van een buitenlandse echtscheidingsbeschikking ondanks andersluidend verzoek van partijen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team familierecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 207088 FA RK 09-3229

beschikking betreffende echtscheiding,

in de zaak van

(naam),

wonende te (plaatsnaam),

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. A.H.G. Vermeulen,

en

(naam),

wonende te (plaatsnaam),

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.M.G. Cox.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 28 juli 2009 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 26 oktober 2009 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;

- de op 29 oktober 2009 ontvangen reactie op het zelfstandig verzoek met bijlage;

- de op 11 maart 2010 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen;

- de op 11 maart 2010 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen;

- de beschikking voorlopige voorzieningen van 29 september 2009;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 maart 2010.

- het verkort proces-verbaal van 30 maart 2010;

- de op 11 mei 2010 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlage;

- de op 17 mei 2010 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw;

- de op 7 juni 2010 ontvangen brief van de advocaat van de man.

2. De verzoeken

De vrouw verzoekt thans naar de rechtbank begrijpt, samengevat,

- echtscheiding;

- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen;

- vaststelling van de wijze van verkoop van de echtelijke woning en veroordeling van de man tot medewerking van verkoop van de woning zoals door haar aangegeven in punt 27 van haar verzoekschrift;

- bepaling dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij haar;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 258,= per maand met ingang van 1 mei 2009;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, een en ander onder verbeurte van een dwangsom ad € 500,00 per keer dat de man vorenstaande regeling niet nakomt.

De man verzoekt thans, samengevat,

- bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken vast:

- dat zij op (datum) 2001 in de gemeente Tilburg met elkaar zijn gehuwd;

- dat zij uit dit huwelijk één minderjarig kind hebben;

- dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over een ouderschapsplan;

- dat zij beiden zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit bezitten;

- dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe aangezien partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.

3.2 Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er door de vrouw in Turkije een

procedure aanhangig is gemaakt, welke procedure vermoedelijk eveneens de echtscheiding betrof. In deze procedure heeft de Turkse rechter op 18 november 2009 een uitspraak gedaan. Inmiddels is gebleken dat bij voormelde beschikking de Turkse rechter naar Turks recht de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken. Voorts heeft de Turkse rechter een beslissing gegeven inzake het gezag over de minderjarige, is er een contactregeling tussen de man en de minderjarige vastgesteld en is er een financiële vergoeding vastgesteld ten laste van de man.

De vrouw is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag welke consequentie de door de Turkse rechter gegeven echtscheidingsbeschikking heeft voor de echtscheidings-procedure in Nederland. De vrouw brengt in dat kader naar voren dat volgens haar de echtscheidingsprocedure in Nederland eerder aanhangig is gemaakt dan de echtscheidingsprocedure in Turkije, zodat de Turkse rechter zich ambtshalve had dienen te onthouden van een beslissing. Voorts meent de vrouw dat op het echtscheidingsverzoek naar de regels van internationaal privaatrecht Nederlands recht van toepassing is, terwijl de Turkse rechter Turks recht heeft toegepast. Gelet op het vorenstaande stelt de vrouw zich op het standpunt dat het Turkse vonnis niet in aanmerking dient te komen voor erkenning in Nederland. De vrouw wenst dan ook voortzetting van de Nederlandse procedure.

Nadien is de man in gelegenheid gesteld een reactie te geven op hetgeen door de vrouw naar voren is gebracht. De man stelt dat hij niet bekend was met de door de vrouw aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure in Turkije. Naar aanleiding van de overgelegde stukken is ook de man van mening dat de echtscheidingsprocedure in Nederland eerder aanhangig is gemaakt dan de echtscheidingsprocedure in Turkije, zodat de Nederlandse rechter, analoog aan het bepaalde in artikel 16 van Brussel II Bis, dient te beslissen op het verzoek tot echtscheiding, zoals dat door de vrouw op 27 juli 2009 bij de rechtbank Breda is ingediend. Voorts brengt de man naar voren dat in beginsel een beslissing van de Turkse rechter tot ontbinding van het huwelijk voor erkenning in aanmerking komt. Evenwel meent de man dat in de Turkse echtscheidingsprocedure er geen sprake is geweest van een behoorlijke rechtspleging, aangezien de man niet is opgeroepen in deze procedure en ook geen contact heeft gehad met een advocaat. Tot slot stelt de man dat de Turkse rechter niet bevoegd was een beslissing te nemen over het gezag van het minderjarige kind van partijen, nu het kind haar woon- en verblijfplaats heeft in Nederland. Ook de beslissing inzake de aan de vrouw toegekende schadevergoeding is naar de mening van de man in strijd met de openbare orde. De man stelt zich dan ook op het standpunt dat de beschikking van 18 november 2009 gegeven door de Turkse rechter niet voor erkenning in aanmerking dient te komen. De man wenst dan ook voortzetting van de Nederlandse echtscheidingsprocedure.

De rechtbank overweegt als volgt. Thans ligt aan de rechtbank ter beantwoording de vraag voor of de beslissing van de Turkse rechter inzake de echtscheiding in Nederland kan en moet worden erkend. Deze vraag dient beantwoord te worden met in achtneming van het CIEC-Verdrag van Luxemburg inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband van 8 september 1967, Trb. 1979, nr. 130 (hierna te noemen: het Luxemburgs Verdrag), waarbij zowel Nederland als Turkije partij zijn. Dit verdrag bevat een regeling inzake de wederzijdse erkenning van echtscheidingen uitgesproken door de rechters van de verdragsluitende staten. Uit artikel 13 van het Luxemburgs Verdrag volgt dat het Verdrag niet in de weg staat aan de toepassing van internationale overeenkomsten of binnenlandse rechtsregels die gunstiger zijn voor de erkenning van buitenlandse beslissingen. In de Wet Conflictenrecht Echtscheidingen (hierna te noemen: WCE) is in artikel 2 een coulantere erkenningsregeling opgenomen, zodat deze wet in onderhavige zaak van toepassing is. Ingevolge artikel 2 WCE wordt een in het buitenland gegeven beslissing inzake de echtscheiding in Nederland erkend, indien deze beslissing tot stand is gekomen na een behoorlijke rechtspleging en de beslissing is genomen door een rechter of autoriteit aan wie daartoe rechtsmacht toekwam.

De man stelt zich klaarblijkelijk op het standpunt dat in de Turkse echtscheidingsprocedure geen sprake is geweest van behoorlijke rechtspleging. Daartoe heeft de man naar voren gebracht dat hij niet op de hoogte is gebracht van de Turkse echtscheidingsprocedure en hij in deze procedure nimmer heeft gesproken met een advocaat.

Naar het oordeel van de rechtbank dient, alvorens de rechtbank een beslissing kan nemen of de Turkse beslissing inzake de echtscheiding ter zijde kan worden geschoven, eerst duidelijkheid te komen omtrent de stelling van de man dat er sprake is van onbehoorlijke rechtspleging. Gelet daarop wordt de advocaat van de vrouw in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 14 september 2010 zijn reactie op de stelling van de man naar voren te brengen. In de reactie wordt de advocaat van de vrouw verzocht in ieder geval de navolgende vragen te beantwoorden:

- is de man door de Turkse rechtbank op de hoogte gebracht van de door de vrouw aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure in Turkije, en zo ja, op welke wijze?

- heeft de vrouw de man op de hoogte gebracht van de door haar aangebrachte Turkse echtscheidingsprocedure, zo ja wanneer en op welke wijze?

- In de Turkse echtscheidingsprocedure is de man, zoals blijkt uit de Turkse beslissing van 18 november 2009, vertegenwoordigd door een advocaat. Op welke wijze is deze vertegenwoordiger bij de echtscheidingszaak betrokken c.q. wie heeft deze vertegenwoordiger ingeschakeld? Is de vrouw ermee bekend of deze vertegenwoordiger contact heeft gehad met de man?

- Blijkens de Turkse beslissing is door partijen een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank, waarin zij hebben verklaard af te zien van hoger beroep. Door wie, op welke wijze en wanneer is het verzoekschrift ingediend?

3.3 Daarnaast is het de rechtbank gebleken dat zowel de vrouw als de man zich op het standpunt stelt dat de procedure in Turkije pas aanhangig is gemaakt nadat de echtscheidingsprocedure in Nederland aanhangig was gemaakt door de vrouw. Partijen verwijzen daarvoor naar de in de Turkse beschikking van 18 november 2009 genoemde datum van 1 september 2009. Vooralsnog gaat de rechtbank er vanuit dat voormelde datum de datum van de behandeling ter zitting betreft en aldus niet de datum waarop de echtscheidingsprocedure bij de Turkse rechtbank aanhangig is gemaakt. De vrouw wordt tevens verzocht aan de hand van verifieerbare stukken aan te geven wanneer zij de echtscheidingsprocedure in Turkije aanhangig heeft gemaakt.

3.4 De advocaat van de man heeft de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van de reactie van de advocaat van de vrouw daarop schriftelijk te reageren.

3.5 De rechtbank houdt derhalve iedere verdere beslissing in onderhavige zaak aan en verwijst, in afwachting van het vorenstaande, deze zaak naar de schriftelijke rol van dinsdag 28 september 2010.

4. De beslissing

De rechtbank

verwijst deze zaak naar de schriftelijke rol van dinsdag 28 september 2010 in afwachting van de reactie van partijen zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 3.2 tot en met 3.4 van deze beschikking;

houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Warnaar, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van de griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: