Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BP1128

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
09 / 3902 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak na tussenuitspraak en bestuurlijke lus. Weigering van persoonsgebonden budget in kader van Wmo voor vergoeding van schade aan een handbike die in het buitenland is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 3902 WMO

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht

in de zaak van

[naam persoon],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. H.G. Righolt,

en

de Commisie sociale zekerheid van de gemeente Breda,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juli 2009 (bestreden besluit), inzake de weigering schade te vergoeden aan een handbike.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 februari 2010, waarbij aanwezig waren eiseres, haar echtgenoot en haar gemachtigde en namens verweerder J.P.W. Raijmakers.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 7 september 2006 heeft verweerder eiseres in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een handbike in bruikleen toegekend ter waarde van

€ 3634,34. Eiseres heeft met Thuiszorgwinkel Mediplus (Mediplus), die de handbike geleverd heeft, een bruikleenovereenkomst gesloten.

De handbike heeft in 2008 tijdens het transport in het vliegtuig naar en van het vakantieverblijf van eiseres in het buitenland schade opgelopen. De schade bedroeg

€ 1861,80. De reisverzekering (van het IZA) van eiseres heeft – uiteindelijk – € 350,- vergoed. Eiseres heeft vervolgens op 10 februari 2009 door middel van het Aanvraagformulier Wmo-voorziening verweerder gevraagd de resterende schade van

€ 1511,80 te vergoeden.

Bij primair besluit van 12 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Daarbij is overwogen dat eiseres bij een vakantiereis in het buitenland dient te zorgen voor het afsluiten van een deugdelijke verzekering die afdoende behoud garandeert voor een voorziening in bruikleen. De handbike is daarnaast niet bestemd voor vakantie in het buitenland maar voor verplaatsing in de directe woonomgeving van eiseres.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 12 maart 2009 gehandhaafd. Verweerder stelt zich, samengevat, primair op het standpunt dat de compensatieplicht voor vervoer in het kader van de Wmo in beginsel is gericht op het vervoer in de directe woon- of leefomgeving. De vergoeding in het kader van de Wmo voor de kosten van onderhoud en reparatie is op grond van artikel 4 van de Wmo gerelateerd aan het gebruik in de directe woon- en leefomgeving. De handbike was op grond daarvan niet bestemd voor gebruik in het buitenland. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat geen voorziening wordt toegekend als die voor de belanghebbende algemeen gebruikelijk is. Verweerder acht het afsluiten van een deugdelijke reisverzekering algemeen gebruikelijk voor een vakantie in het buitenland. Nu de restschade die eiseres heeft geleden niet wordt gedekt door de reisverzekering, blijft deze schade voor risico van eiseres en komt deze niet in aanmerking voor vergoeding in het kader van de Wmo. De omstandigheid dat verweerder eiseres in 2006 na een opgelopen schade aan een handbike tijdens een vliegreis naar het buitenland een volledig nieuwe handbike heeft verstrekt, brengt verweerder niet tot een ander standpunt. Destijds is overwogen dat die handbike zes jaar oud was en op korte termijn toch aan vervanging toe was. De huidige handbike van eiseres is daarentegen nog betrekkelijk nieuw en niet aan vervanging toe.

2.2 Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat voor het bestreden besluit noch in de bruikleenovereenkomst noch in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Verordening) een grondslag kan worden gevonden. Eiseres heeft met de aanvraag beoogd een persoonsgebonden budget aan te vragen voor een Wmo-voorziening in de vorm van vergoeding van de kosten van reparatie van de handbike. Volgens eiseres is verweerder hiertoe op grond van de compensatieplicht gehouden. Nergens is bepaald dat wanneer sprake is van schade die tijdens een reis is veroorzaakt de kosten hiervan voor eigen rekening komen dan wel dat daarvoor een aanvullende verzekering dient te worden aangesproken. De mogelijke verzekerbaarheid van de handbike bij IZA kan niet in de plaats treden van de zorgplicht van verweerder om ook de kosten van reparatie te voldoen. Bovendien komen volgens eiseres ingevolge de bruikleenovereenkomst de kosten van reparaties en vervanging van onderdelen van de handbike voor rekening van de leverancier, omdat er geen sprake is van opzet, grove schuld of ernstige nalatigheid aan haar kant. Eiseres betwist verder dat een reisverzekering in dit geval als algemeen gebruikelijk dient te worden aangemerkt. Eiseres heeft ook aangevoerd dat verweerder bij de schade aan de handbike in 2006 niet heeft gemeld dat de handbike alleen in de directe omgeving mocht worden gebruikt en dat schade die in het buitenland was ontstaan niet voor reparatie in aanmerking zou komen. Dat de afschrijvingstermijn van de handbike indertijd dreigde te verlopen, doet niet af aan de huidige zorgplicht en wordt volgens eiseres door verweerder niet onderbouwd. Ook is de gemeente niet eenduidig in de regels die gehanteerd worden over de omgeving waarin de handbike gebruikt mag worden.

2.3 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de Wmo wordt verstaan onder maatschappelijke ondersteuning: (5°) het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem; (6°) het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

In artikel 4, eerste lid, van de Wmo is voor zover hier van belang bepaald dat het college ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdelen 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: a. een huishouden te voeren; b. zich te verplaatsen in en om de woning; c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

In artikel 5, eerste lid, van de Wmo is voor zover hier van belang bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vaststelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen.

In artikel 26, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Breda uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening.

Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening kan de door het College te verstrekken vervoersvoorziening, ter compensatie van de beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt bij het lokaal kunnen verplaatsen per vervoermiddel, waardoor mede het ontmoeten van medemensen mogelijk wordt en op basis daarvan sociale verbanden aangegaan kunnen worden, bestaan uit:

a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;

b. een voorziening in natura in de vorm van

1. een scootmobiel

2. een ander vervoermiddel;

3. een aanpassing aan een onder 1 en 2 genoemde voorziening;

c. een persoonsgebonden budget voor de kosten van:

1. aanpassing van een eigen vervoermiddel;

2. aanschaf van een ander vervoermiddel;

3. reparatie en onderhoud van een ander vervoermiddel;

4. gebruik van een taxi of een eigen auto;

5. gebruik van een rolstoeltaxi;

d. een persoonsgebonden budget voor het aanschaffen van een scootmobiel of een ander vervoermiddel, waarvan de hoogte omschreven is in het Besluit, behalve in situaties zoals genoemd zijn in het Besluit.

e. een combinatie van de onder a, b, en c genoemde of een combinatie van a, c, en d genoemde voorzieningen.

2.4 De rechtbank stelt allereerst vast dat de gemachtigde van eiseres het beroep aanvankelijk ook heeft ingesteld namens de echtgenoot van eiseres. Nu de gemachtigde van eiseres het beroep van de echtgenoot ter zitting heeft ingetrokken, laat de rechtbank een oordeel over dat beroep achterwege.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank is in de Wmo bewust aan de gemeentebesturen ruimte gegeven om naar eigen (beleids)inzicht gestalte te geven aan de Wmo, overigens onverminderd de gehoudenheid om zowel bij de vaststelling als bij de toepassing van de verordeningen de in de Wmo gegeven normeringen in acht te nemen.

De Wmo is gericht op de maatschappelijke participatie van personen. In de Wmo is in artikel 4, eerste lid, waarin het compensatiebeginsel tot uitdrukking is gebracht, de uitdrukkelijke resultaatsverplichting opgenomen dat een betrokkene deel moet kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer op een gelijkwaardige wijze als iemand die geen beperkingen ondervindt. Verder is in artikel 4, tweede lid, van de Wmo, waarin het individualiseringsbeginsel tot uitdrukking is gebracht, de uitdrukkelijke verplichting opgenomen tot het maken van een afweging van alle betrokken belangen, waaronder de behoeften en de persoonskenmerken van de aanvrager.

Blijkens het verhandelde ter zitting heeft eiseres met de aanvraag van 10 februari 2009 beoogd een persoonsgebonden budget aan te vragen voor een Wmo-voorziening in de vorm van vergoeding van de kosten van reparatie van de handbike.

De gemeenteraad van verweerders gemeente heeft de mogelijkheid tot het verstrekken van de door eiseres gevraagde voorziening gecreëerd in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, sub 3, van de Verordening.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de in het bestreden besluit gehandhaafde weigering van de aanvraag gebaseerd mocht worden op de primaire grond dat de schade in het buitenland is ontstaan, terwijl de verstrekte handbike bedoeld was voor het zich lokaal verplaatsen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank overweegt daartoe dat de vraag, of eiseres de bij besluit van 7 september 2006 op grond van de Wvg verstrekte handbike overeenkomstig de afgesloten bruikleenovereenkomst en de Wvg heeft gebruikt, niet in de onderhavige procedure beantwoord dient te worden. Immers, in de onderhavige zaak gaat het over een Wmo-aanvraag. Deze aanvraag dient op grond van de Wmo en de Verordening beantwoord te worden. Nu eiseres heeft verklaard dat de handbike zowel lokaal wordt gebruikt als daarbuiten, overweegt de rechtbank dat de voorziening zoals eiseres die heeft aangevraagd, derhalve eveneens bedoeld is voor het – in ieder geval – zich lokaal verplaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank is de door verweerder gehanteerde weigeringsgrond derhalve in strijd met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo.

In het licht van vorengaande overweging mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank de in bezwaar gehandhaafde weigering van de aanvraag van eiseres evenmin baseren op de subsidiaire grond dat een deugdelijke reisverzekering algemeen gebruikelijk is voor een vakantie in het buitenland en dat eiseres heeft nagelaten zo’n verzekering af te sluiten. Immers, ook deze weigeringsgrond gaat over de vraag of eiseres de bruikleen-overeenkomst ter zake van de in het kader van de Wvg verleende handbike is nagekomen. Verweerder gaat met deze weigeringsgrond eveneens voorbij aan de aanvraag zoals eiseres die heeft gedaan, namelijk de aanvraag van een persoonsgebonden budget voor een Wmo-voorziening in de vorm van vergoeding van de kosten van reparatie van de handbike.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van de Wmo en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.6 Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak als zij artikel 8:51a toepast.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een gebrek kent. In zoverre verwijst zij naar rechtsoverweging 2.5.

Dit rechtvaardigt de vraag of aanleiding bestaat tot toepassing van de zogeheten “bestuurlijke lus” als bedoeld in artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank beantwoordt deze vraag om proceseconomische redenen bevestigend. Eiseres heeft belang bij definitieve duidelijkheid over haar aanvraag van 10 februari 2009 binnen een zo kort mogelijke termijn. De rechtbank kan het onderhavige geschil momenteel echter niet definitief beslechten, omdat vooralsnog onvoldoende vaststaat of verweerder het bestreden besluit alsnog deugdelijk kan motiveren. De rechtbank sluit niet uit dat het in rechtsoverweging 2.5 aangeduide gebrek kan worden hersteld. Zij sluit momenteel evenmin uit dat de weigering van de door eiseres gevraagde Wmo-voorziening na herstel van dit gebrek rechtens stand kan houden.

De rechtbank acht echter van belang dat eiseres binnen een zo kort mogelijke termijn definitieve duidelijkheid krijgt over haar rechtspositie.

De rechtbank ziet derhalve aanleiding om te bewerkstelligen dat verweerder zo spoedig mogelijk onderzoekt of het motiveringsgebrek kan worden hersteld.

2.7 De rechtbank zal verweerder op de hieronder aangeven wijze in de gelegenheid stellen om het in rechtsoverweging 2.5 aangeduide gebrek te herstellen. De procedure zal verder worden voortgezet als beschreven in de artikelen 8:51b en 8:51c van de Awb.

De rechtbank neemt thans geen beslissing over de vergoeding van het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten. Zij wacht hiermee tot de einduitspraak op het beroep.

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 29 maart 2010 kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: