Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO9913

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-11-2010
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
10/1113
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBBRE:2010:4354
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fiscale bijtelling wegens privégebruik bedrijfsauto: invloed op berekening resterende verdiencapaciteit.

De maatman had ook een bedrijfsauto in privégebruik, maar toen (1993) vond nog geen fiscale bijtelling plaats. Door in 2009 bij praktische schatting over het jaar 2006 wel een fiscale bijtelling te betrekken bij de resterende verdiencapaciteit worden onvergelijkbare grootheden vergeleken. Suggesties van de rechtbank om dit op te lossen. Geen wettelijke bepaling verzet zich tegen nadere vaststelling van het maatmaninkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 1113 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[eiser],

wonende te Biest, eiser,

gemachtigde mr. J.L.A.M. van Os,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 februari 2010 (bestreden besluit), inzake de uitbetaling van zijn uitkering krachtens de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 september 2010. Partijen zijn opgeroepen ter zitting te verschijnen. Eiser is verschenen met zijn gemachtigde, en verweerder is vertegenwoordigd door [woordvoerder verweerder].

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam geweest als servicemonteur. Hij is in maart 1992 uitgevallen met rugklachten en ontvangt sinds 1993 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 %.

Met ingang van 1 januari 1996 is eiser gaan werken als directeur-grootaandeelhouder van [naam BV] B.V. De inkomsten uit arbeid gaven aanvankelijk geen aanleiding tot wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid.

In het kader van een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van

1 januari 1999 op basis van theoretische schatting vastgesteld op 80 tot 100%, maar rekening houdend met het inkomsten dat eiser uit arbeid verdient is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65 tot 80%.

Bij besluit van 26 november 1999 is eisers WAO-uitkering aldus herzien.

In de loop der jaren heeft verweerder arbeidskundig onderzoek laten instellen naar de invloed van eisers inkomsten op het recht op WAO-uitkering. Op 18 december 2009 heeft arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] een rapportage uitgebracht van onderzoek naar aanleiding van de jaarstukken van de BV van 2006. De arbeidskundige heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 65 tot 80% bedraagt, en dat over 2006 op basis van artikel 44 van de WAO korting van de inkomsten aan de orde is naar de klasse van 45 tot 55%. Bij primair besluit van 22 december 2009 heeft verweerder overeenkomstig deze conclusie besloten.

Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit van 22 december 2009.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep verwezen naar wat hij in de bezwaarprocedure naar voren heeft gebracht, namelijk dat de verhoging van eisers fiscale loon met ingang van

1 januari 2006 het gevolg is van aanpassingen in de fiscale wetgeving. Sinds die datum is een fiscale bijtelling verplicht indien een bedrijfsauto ter beschikking staat aan een werknemer. Eiser kan niet anders dan voor de bedrijfsauto bijtelling te laten plaats vinden op zijn inkomen. Voor de andere mogelijkheid, het voeren van een sluitende kilometeradministratie, is niet gekozen in verband met de administratieve last. Het salaris van de maatman, de servicemonteur, is niet aangepast aan de fiscale wetswijziging. Deze uitkomst is volgens eiser niet de bedoeling geweest van de wetgever.

2.3 In artikel 18, eerste lid, van de WAO is bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden afgemeten aan hetgeen gezonde personen met een soortgelijke opleiding en ervaring verdienen. Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid dient in beginsel als maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte. Onder maatmaninkomen wordt verstaan het door de verzekerde op dat moment verdiende inkomen.

Ingevolge artikel 7 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt bij een herziening van de uitkering geen rekening gehouden met na de eerste vaststelling van het maatmaninkomen opgetreden wijzigingen in dat maatmaninkomen.

2.4.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerders opvatting dat de fiscale bijtelling in verband met het privé-gebruik van de bedrijfsauto is aan te merken als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 44, eerste lid, van de WAO, niet onjuist is.

2.4.2 De betekenis die verweerder toekent aan de fiscale keuze die eiser heeft gemaakt door geen sluitende kilometeradministratie bij te houden is ontleend aan de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zoals die bijvoorbeeld blijkt uit een uitspraak van 24 maart 2010 (LJN: BL8865). Volgens die jurisprudentie is de voor de fiscus gemaakte en door die instantie geaccepteerde keuze in beginsel bepalend. De rechtbank overweegt dat die jurisprudentie betrekking heeft op de situatie waarin de betrokkene een keuze heeft gemaakt die bij de toepassing van de belastingregelgeving voor hem de meest voordelige is. Als de betrokkene vervolgens voor de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving een andere keuze maakt omdat die andere keuze in dat kader voordeliger is, dan behoeft verweerder die andere keuze in het algemeen niet te accepteren en mag de betrokkene gehouden worden aan de keuze die voor de fiscus is gemaakt.

Dat is niet de situatie waar eiser zich in bevindt. Hij heeft, door geen kilometeradministratie bij te houden, een keuze gemaakt waardoor hij zowel voor de toepassing van de

belastingregelgeving als voor de toepassing van de sociale zekerheidsregelgeving minder voordeel ondervindt dan wanneer hij wel een kilometeradministratie zou hebben bijgehouden.

2.4.3 De rechtbank staat vervolgens stil bij een aspect dat eiser ter zitting naar voren heeft

gebracht, dat hij in het werk dat hij voorafgaand aan het intreden van de

arbeidsongeschiktheid verrichtte ook een bedrijfsauto van zijn werkgever in gebruik had waar hij privé gebruik van kon maken, naar zijn zeggen tegen betaling van een dubbeltje per kilometer. Eisers stelling omtrent het gebruik van de bedrijfsauto wordt bevestigd in arbeidskundige rapportage van 11 maart 1993: “Belanghebbende heeft altijd de beschikking gehad over een bestelwagen. Nu hij in de ZW zit is de wagen ingenomen. Hij heeft recentelijk een autootje gekocht.”

De bezwaararbeidsdeskundige heeft hierover in zijn rapportage van 15 februari 2010 het volgende opgemerkt:

“De fiscale wetgeving inzake bijtelling van privé-gebruik van de bedrijfsauto is eerstens op

1-1-2002 gewijzigd. Vanaf dat moment waren de woon-werk kilometers deels aan te merken als privé kilometers. Fiscale bijtelling vond op basis van het aantal privé-kilometers, gestaffeld plaats. Deze situatie hield met enkele bijstellingen tot 1-1-2006 stand.

Vanaf 1-1-2006 werden alle woon-werk kilometers aangemerkt als zakelijk. Indien geen sluitende kilometerregistratie werd bijgehouden, werd uitgegaan van > 500 privé-kilometers en moest 22% van de catalogusprijs bij het loon worden bijgeteld.

Met ingang van diezelfde datum werd het privé-gebruik van een bedrijfsauto ook als loon in natura aangemerkt. Hierdoor werd de werkgever verplicht over de bijtelling loonbelasting en premies voor werknemersverzekeringen in te houden en af te dragen.

Algemeen geldt dat voor het vaststellen van het maatmanloon tot 1 juli 2008 onder andere de fiscale bijtelling voor privé-gebruik van de bedrijfsauto als onderdeel werd meegerekend. Dit heeft tot gevolg dat bij de berekening van de verdiensten deze bijtelling dus ook dient te worden meegerekend.

Voor de situatie van de [eiser] geldt dat in het maatmanloon geen bijtelling voor de dienstauto is meegerekend, omdat er bij het vaststellen daarvan geen sprake was van een bijtelling daaromtrent. Dit neemt niet weg dat bij de berekening van de verdiensten over 2006 de bijtelling wél dient te worden meegeteld. Dat deze bijtelling nu een negatief (en voor verzekerd ongewenst) effect heeft, doet daar niet aan af.”

De rechtbank leidt hieruit af dat de maatmanloonberekening van degenen die voorafgaand aan de wijzigingen in de fiscale regelgeving in 2002 en 2006 arbeidsongeschikt raakten op andere wijze plaats vond dan de maatmanloonberekening van degenen die vanaf

1 januari 2006 arbeidsongeschikt raakten, als gevolg waarvan zij, onder overigens gelijke omstandigheden, vanaf 2006 in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse terecht kunnen komen. De rechtbank ziet hiervoor geen rechtvaardiging.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder de resterende verdiencapaciteit voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO heeft berekend door onvergelijkbare grootheden met elkaar te vergelijken, namelijk een maatmanloon exclusief de waarde van het gebruik van een bedrijfsauto, en inkomsten uit arbeid inclusief de waarde van het gebruik van een bedrijfsauto. Een dergelijke vergelijking leidt niet tot een reëel en betrouwbaar beeld van het verlies aan verdiencapaciteit.

Een dergelijke uitkomst kan de wetgever bij de totstandkoming van de artikelen 18 en 44 van de WAO niet voor ogen hebben gestaan, en het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met die bepalingen en dient daarom te worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

2.5 Met het oog op verdere besluitvorming door verweerder beschrijft de rechtbank, ten overvloede, twee wegen die verweerder kan bewandelen om tot een juiste berekening van het verlies aan verdiencapaciteit te komen.

2.5.1 In de eerste plaats is denkbaar dat verweerder het gebruik van de bedrijfsauto die eiser voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid ter beschikking stond alsnog aanmerkt als voordeel uit de dienstbetrekking waarin eiser arbeidsongeschikt is geraakt, en dat verweerder alsnog het maatmanloon verhoogt met de fiscale bijtelling voor het gebruik van die auto.

De opvatting van verweerders bezwaararbeidsdeskundige, zoals die blijkt uit de rapportage van 15 februari 2010, dat een eenmaal vastgesteld maatmaninkomen niet meer wordt veranderd, anders dan door indexering, is in zoverre juist dat in artikel 8 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is bepaald dat een maatmanloon niet wordt geactualiseerd maar geïndexeerd. Het gaat in eisers situatie echter niet om verdiscontering in het maatmanloon van loonontwikkelingen die zich ná de vaststelling van het maatmanloon voordoen, maar om een nadere vaststelling van het maatmanloon op basis van gegevens die betrekking hebben op het refertejaar. Er is geen wettelijke bepaling die zich daartegen verzet.

2.5.2 Wellicht is de in overweging 2.5.1 beschreven oplossing niet uitvoerbaar doordat gegevens die nodig zijn om de daar bedoelde fiscale bijtelling te berekenen ontbreken.

Een tweede weg die verweerder kan bewandelen is het buiten aanmerking laten van de fiscale bijtelling bij de toepassing van artikel 44 van de WAO. Volgens de jurisprudentie die in overweging 2.4.2 is besproken is de voor de fiscus gemaakte keuze in beginsel bepalend, maar kan van deze keuze worden afgeweken in het geval er sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. De omstandigheid dat eiser zich niet bevindt in de situatie waar die jurisprudentie op ziet, alsook de omstandigheid dat thans bij de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit twee onvergelijkbare grootheden met elkaar worden vergeleken, kunnen als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt.

2.6 Gelet op hetgeen de rechtbank onder 2.5 heeft overwogen, ziet zij geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien, en wordt verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te vergoed.

Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-.

Aldus gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, en door deze en mr. P. Oudkerk, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 29 november 2011