Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO7711

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
17-12-2010
Zaaknummer
215176 HAZA 10-263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Matiging van een contractuele boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 215176 / HA ZA 10-263

Vonnis van 11 augustus 2010

in de zaak van

[eiseres],

domicilie kiezende te Breda,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.F.M. Gulickx,

tegen

[gedaagde],

wonende te Bergen op Zoom,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A. Zwart.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 april 2010 waarbij een comparitie van partijen is gelast en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 juni 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

in conventie

2.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt, tot betaling van EUR 82.000,00 te vermeerderen met rente en kosten.

in reconventie

2.2. [gedaagde] vordert de contractuele boete ad EUR 500,00 per dag zoals overeengekomen in artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst, ondertekend op 28 april 2009 door [eiseres] en op 10 mei 2009 door [gedaagde], te matigen tot nihil, althans tot een symbolisch bedrag, althans tot een bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

2.3. Partijen voeren over en weer verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

in conventie en reconventie

3.1. De vorderingen in conventie en in reconventie zullen, gelet op hun samenhang, gezamenlijk worden behandeld.

3.2. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Partijen hebben ongehuwd samengewoond te Bergen op Zoom in de woning gelegen aan de [adres].

- De woning op voornoemd adres is op 1 mei 2003 aan partijen geleverd waarbij aan [eiseres] 1/3 deel en aan [gedaagde] 2/3 deel van de eigendom is geleverd.

- De woning is gefinancierd middels een gezamenlijk afgesloten hypotheek bij de Rabobank waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk waren.

- In december 2004 hebben partijen de samenleving beëindigd. [gedaagde] is in de woning blijven wonen.

- Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten welke op 28 april 2009 door [eiseres] en op 10 mei 2009 door [gedaagde] is ondertekend.

- In deze vaststellingsovereenkomst zijn partijen onder punt 2, 3 en 6 het navolgende overeengekomen:

2. Binnen twee maanden na ondertekening van deze overeenkomst wordt de woning op naam van de man gesteld en zal de man gelijktijdig zorgen voor het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek.

3. Partijen zullen medewerking verlenen aan zowel het transport van de woning op naam van de man als het gelijktijdige ontslag van de vrouw van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld.

6. De partij die in verzuim is ten aanzien van de afgesproken verdeling, is zonder dat enige nadere ingebrekestelling is vereist, een direct opeisbare boete verschuldigd van Euro 500,= voor iedere dag dat hij of zij in gebreke blijft, onverminderd het recht van de andere partij de werkelijk geleden schade te vorderen.

- Op 22 december 2009 is de woning aan [gedaagde] geleverd.

3.3. [eiseres] grondt haar conventionele vordering op het tussen partijen in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen boetebeding. In de vaststellingsovereenkomst is overeen gekomen dat het transport en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid binnen twee maanden na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zouden plaatsvinden, derhalve uiterlijk 10 juli 2009. [eiseres] stelt dat deze termijn door [gedaagde] niet is nagekomen nu het transport van de woning op 22 december 2009 heeft plaats gevonden. Voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke is gebleven is [gedaagde] volgens [eiseres] EUR 500,00 aan haar verschuldigd derhalve een totaalbedrag van tenminste EUR 82.000,00. Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke rente over de hoofdsom van EUR 82.000,00 vanaf 11 juli 2009 en vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van EUR 1.788,00.

3.4. [gedaagde] voert verweer en legt aan zijn reconventionele vordering onder meer het volgende ten grondslag. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat [eiseres] een beroep doet op de bedongen boete. Hij verzoekt matiging van de boete op grond van art. 6:94 lid 1 BW tot nihil, althans tot een symbolisch bedrag. Er is sprake van een enorme discrepantie tussen de schade en het boetebedrag. [eiseres] is lange tijd onvindbaar geweest voor gedaagde. Zij heeft haar naam gewijzigd en zich verschuild voor [gedaagde]. In dat licht snijdt haar stelling dat zij schade heeft geleden omdat zij geen hypotheek heeft kunnen afsluiten zolang zij hoofdelijk aansprakelijk was voor de hypotheekschuld bij de Rabobank geen hout. [gedaagde] stelt ook dat er een grote discrepantie is tussen de waarde van de woning, de WOZ-waarde is EUR 405.000,00, de voormalige eigendomsverhouding, 2/3 [gedaagde], 1/3 [eiseres], en het boetebedrag. Daarnaast stelt [gedaagde] dat er sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van [eiseres]. Voorts is [gedaagde] van mening dat eerst sprake van verzuim zou zijn indien, nadat de bank toestemming had gegeven, de notariële akte niet binnen twee maanden zou zijn gepasseerd. Tenslotte betwist [gedaagde] de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en betwist hij wettelijke rente verschuldigd te zijn.

3.5. Ingevolge artikel 6:94 BW heeft te gelden dat voor matiging van een bedongen boete slechts dan plaats is indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Op grond van de jurisprudentie dient van deze bevoegdheid tot matiging slechts gebruik te worden gemaakt indien toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij dient onder meer gelet te worden op de verhouding tussen de werkelijk geleden schade en de hoogte van de boete, alsmede op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Beoordeeld dient te worden of de door [gedaagde] ingeroepen omstandigheden matiging van de boete rechtvaardigen.

3.6. De rechtbank acht in dit verband de volgende omstandigheden van belang. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] daadwerkelijk materiële schade heeft geleden doordat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst niet tijdig is nagekomen. [eiseres] heeft aangevoerd dat de door haar geleden schade bestaat uit het belang dat zij had bij ontslag uit de hoofdelijkheid. Zij kon met haar huidige echtgenoot geen woning kon kopen zolang de hypotheek bij de Rabobank nog op naam van [gedaagde] en haar stond. Vast is komen te staan dat [eiseres] zich op enig moment wel tot de bank maar in elk geval niet tot [gedaagde] heeft gewend om spoedig ontslag uit de hoofdelijkheid te bewerkstelligen. Zij heeft overigens geen actie ondernomen om ontslag uit de hoofdelijkheid te bewerkstelligen en was onvindbaar voor [gedaagde]. [gedaagde] heeft verschillende pogingen ondernomen om [eiseres] te traceren in de periode van begin 2005 tot oktober 2008. [eiseres] stelt dat zij niet onvindbaar was omdat zij via haar e-mailadres, via het adres van haar ouders en via mr. Huisman bereikbaar was. Onweersproken is echter dat ondanks diverse pogingen daartoe [gedaagde] er eerst in oktober 2008 in is geslaagd om [eiseres] te traceren. Ook ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft [eiseres] niet aangegeven dat er sprake was van spoed bij haar ontslag uit de hoofdelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat gezien deze omstandigheden en het door haar verklaarde feit dat haar echtgenoot een huis heeft gekocht op zijn naam, van het gestelde belang en daarmee schade onvoldoende is gebleken. De rechtbank constateert dan ook dat er sprake is van een disproportionele discrepantie tussen de verbeurde boete van EUR 82.000,00 en de schade die [eiseres] lijdt, welke schade immers op nihil kan worden gesteld.

3.7. [gedaagde] had daarentegen alle belang bij een spoedige afwikkeling van de verdeling in verband met de navolgende omstandigheden. In 2007 liep de hypotheek af en wenste [gedaagde] een hypotheek onder gunstiger voorwaarden te sluiten, hetgeen niet mogelijk was zolang [eiseres] nog hoofdelijk aansprakelijk was voor de hypotheek. [gedaagde] is jarenlang op zoek geweest maar heeft [eiseres] eerst in oktober 2008 kunnen traceren. Bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft [gedaagde] verschillende risico’s voor zijn rekening genomen. Er loopt immers een juridische procedure over de verzakking van de serre van de woning waarbij nog steeds geprocedeerd werd over de hoogte van de schade. De advocaatkosten voor deze procedure heeft [gedaagde] op zich genomen alsmede het risico van een negatieve afloop van deze procedure waarbij hij [eiseres] heeft gevrijwaard voor eventuele kosten van de procedure of de woning. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] een groter belang had bij een spoedige afwikkeling van de verdeling dan [eiseres].

3.8. Gezien voornoemde omstandigheden leidt toepassing van het boetebeding naar het oordeel van de rechtbank tot een onaanvaardbaar resultaat. De in beginsel verbeurde boete van EUR 82.000,00 zal worden gematigd tot nihil.

3.9. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

3.10. De rechtbank merkt de reconventionele vordering aan als een verweer in conventie. Nu de verweren in conventie besproken zijn behoeft de reconventionele vordering geen bespreking meer en lost deze zich op in de afwijzing van de conventionele vordering.

3.11. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2010.