Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO6881

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-12-2010
Datum publicatie
10-12-2010
Zaaknummer
02/680957-10 en 02/628618-09 (tu
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De standaardzin van de politie mb.t. het consultatierecht (i.g.v. het Salduz-arrest) dat een verdachte in plaats van een toegewezen raadsman voor eigen rekening een zelf gekozen raadsman mag consulteren, kan voor verwarring zorgen maar leidt niet tot bewijsuitsluiting.Volgt een schuldigverklaring zonder toepassing van straf voor het bezit van meerdere wapens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/680957-10 en 02/628618-09 (tul)

vonnis van de politierechter d.d. 8 december 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2010, waarbij de officier van justitie, mr. De Hollander, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 24 augustus 2010 te Fijnaart:

7 traangasbusjes in zijn bezit had (feit 1) en een ploertendoder (feit 2).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De politierechter is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsuitsluiting

De verdediging heeft betoogd dat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring dient te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Naar aanleiding van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) d.d. 27 november 2008, het zogenaamde Salduz-arrest, heeft de Hoge Raad bepaald dat uit dat arrest volgt dat een verdachte voor zijn eerste inhoudelijke verhoor recht heeft op consultatie van een raadsman.

Het College van Procureurs-Generaal heeft vervolgens een richtlijn uitgevaardigd welke, samengevat, dat consultatierecht nader heeft uitgekaderd in die zin, dat bij zogenaamde A- en B-zaken dergelijke bijstand geen kosten met zich brengt voor een verdachte en dat bij C-zaken de kosten daarvan voor zijn rekening komen.

Het betreffen in casu zaken in de categorie B, nu het misdrijven zijn waarbij voorlopige hechtenis is toegestaan, maar die niet vallen onder categorie A.

Genoemde richtlijn is door de politie in zijn algemeenheid uitgewerkt, zoals ook in de onderhavige zaak. Het verweer van de raadsman richt zich op die uitwerking.

Op pagina 19 heeft verbalisant [naam verbalisant] gerelateerd, dat hij verdachte heeft meegedeeld dat hij: -kosteloos recht heeft op consultatiebijstand door een raadsman voor de aanvang

van het verhoor

-ook afstand kan doen van dat recht

-in plaats van een toegewezen raadsman, voor eigen rekening, een zelf gekozen

raadsman mag consulteren.

Door de woordkeuze in het derde gedachtestreepje wordt, aldus de raadsman, de indruk gewekt dat als een verdachte kiest voor een zelf gekozen raadsman, verdachte die raadsman altijd zelf zal moeten betalen. Die indruk is onjuist, nu ook een zelf gekozen raadsman in voorkomende gevallen kosteloos rechtsbijstand zal verlenen. Door de woordkeuze van de politie worden verdachten belemmerd in hun keuze voor een bepaalde raadsman en daardoor wordt dermate tekort gedaan aan het door de Hoge Raad omschreven consultatierecht, dat de door verdachte vervolgens ten overstaan van de politie afgelegde verklaring moet worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsman.

De officier van justitie verzet zich tegen bewijsuitsluiting. Zij voert aan dat de door de politie gehanteerde standaardzin voldoende duidelijk is, terwijl bovendien verdachte voorafgaand aan zijn verhoor de cautie is gegeven en hij nogmaals is gewezen op zijn recht om een raadsman te consulteren.

De politierechter stelt vast dat de politie aan verdachte, na de door de raadsman aangevallen mededelingen over het consultatierecht, bij het vervolgens gehouden verhoor nogmaals heeft meegedeeld dat hij voor de aanvang van het verhoor een advocaat mag raadplegen, maar dat verdachte daarvan geen gebruik wenste te maken.

Het zwaartepunt van het verweer van de raadsman is echter niet gelegen in de vraag of verdachte op zijn consultatierecht is gewezen, maar de manier waarop dit is gebeurd en dan met name door de (enkele) toevoeging voor eigen rekening onder het derde gedachtestreepje. De politierechter is het met de raadsman eens dat deze formulering ongelukkig is te noemen en voor verwarring kan zorgen. Door een leek kan dit immers zodanig worden uitgelegd, dat een gekozen raadsman altijd door hem betaald moet worden in tegenstelling tot een van overheidswege toegevoegde advocaat, zijnde meestal de piketadvocaat. In aantekening 3 van de beschikking aanwijzing advocaat van de minister van justitie (handelend over de toevoeging van advocaten) staat met zoveel woorden dat, indien een in verzekering gestelde verdachte vraagt om een bepaalde advocaat en deze bereid is bijstand te verlenen, het contactpunt aan dit verzoek kan voldoen. Naar de mening van de politierechter geldt deze regeling eveneens voor de aanwijzing van een advocaat in het kader van het consultatierecht. Onduidelijkheid op dit punt zou vermeden moeten worden.

De politierechter deelt echter niet de mening van de raadsman, dat de tekst van deze toevoeging dermate misleidend is, dat daardoor de vervolgens door verdachte afgelegde verklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten. Nergens blijkt immers uit dat verdachte ervoor koos om af te zien van juridische bijstand uit financiële overwegingen. Evenmin gaf verdachte bij de politie aan dat hij een gekozen raadsman had.

Hem was de cautie gegeven en bij het verhoor werd hij nogmaals gewezen op zijn recht om een raadsman te raadplegen, maar verdachte verklaarde slechts dat hij daarvan geen gebruik wilde maken. De politierechter zal derhalve de inhoud van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring bij de beoordeling van de bewijsmiddelen betrekken.

4.2 De bewijsmiddelen

Verbalisanten [naam verbalisant] en [naam verbalisant 2] gaan op 24 augustus 2010 omstreeks 15.30 uur naar de ouderlijke woning van verdachte aan de [adres]. Verbalisant [naam verbalisant] deelt aan verdachte mee dat zij een melding hebben dat verdachte zou beschikken over pepperspray en een ploertendoder. Verdachte pakt vervolgens uit een Opel Astra, kenteken [ - - ], een busje pepperspray en een ploertendoder uit een vak in het portier aan de bestuurderszijde.

Verbalisant [naam verbalisant] doorzoekt vervolgens op grond van de Wet Wapens en Munitie de Opel Astra en hij vindt nog 6 busjes pepperspray.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de busjes pepperspray begin juli 2010 heeft gekocht in een dumpwinkel in een plaatsje vlakbij Dortmund (D) en daarvoor € 25,-- per stuk heeft betaald. Hij heeft toen in dezelfde winkel voor € 50,-- de ploertendoder gekocht.

4.3 De bewijsoverwegingen

De raadsman heeft betoogd dat de politie heeft nagelaten om te onderzoeken of de aangetroffen busjes en ploertendoder in technische zin onder de wapenwet vielen en niet vast is komen te staan of er (voldoende) traangas in de busjes zat en zo ja, of dit een werkzaam soort gas was.

Dat verweer treft naar het oordeel van de politierechter geen doel. Niet alleen herkenden de verbalisanten, die op dit gebied als deskundigen kunnen worden beschouwd, de busjes en de ploertendoder als wapens die onder de wapenwet vielen, maar ook verdachte ging daarvan uit. Door hun uiterlijke verschijningsvorm was dus voor verdachte al duidelijk dat hij over wapens beschikte. Bovendien kocht verdachte deze voorwerpen voor een relatief behoorlijk bedrag én in Duitsland, waar deze vrijuit mogen worden verkocht. Verdachte kocht deze uit, zoals hij zelf op de zitting verklaarde, zelfverdedigingsoverwegingen, waaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte bewust het risico van illegaal wapenbezit heeft genomen. Onder dergelijke omstandigheden heeft een technisch onderzoek geen toegevoegde waarde.

Hetgeen de raadsman aanvoert omtrent de werkelijke inhoud van de gasbusjes doet naar het oordeel van de politierechter evenmin ter zake. Verdachte mocht er van uitgaan, gezien de omstandigheden waaronder hij de busjes in Duitsland kocht, dat deze pepperspray bevatten en dus onder de wapenwet vielen.

Ten overvloede overweegt de politierechter tot slot nog dat, ook als de verklaring van verdachte bij de politie zou zijn uitgesloten van het bewijs, het proces-verbaal van de politie al voldoende bewijsmiddelen bevatte.

De politierechter acht op grond hiervan beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1:

op 24 augustus 2010 te Fijnaart zeven traangasbusjes /busjes CS-gas, telkens zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°, van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;

2:

op 24 augustus 2010 te Fijnaart een wapen van categorie I onder 3, van de Wet wapens en munitie, te weten een zgn. ploertendoder, voorhanden heeft gehad.

De politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert verdachte schuldig te verklaren zonder toepassing van straf.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte dermate werd bedreigd dat hij zich verontschuldigbaar heeft voorzien van bewapening. Hij sluit zich aan bij de door de officier van justitie geformuleerde strafeis.

6.3 Het oordeel van de politierechter

Verdachte bleek in het bezit van 7 busjes pepperspray en een ploertendoder. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens dient te worden bestreden, omdat deze een gevaar voor de volksgezondheid betekenen en leiden tot gevoelens van onveiligheid. Dat dit geen loze kreten zijn blijkt alleen al uit de reden voor de politie om tot actie over te gaan, namelijk omdat een vriend van verdachte uit baldadigheid een andere vriend met een van de busjes had bespoten.

Verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking geweest. Hij had zich voorzien van de, in Duitsland gekochte, busjes en de ploertendoder omdat zijn moeder was bedreigd met een vuurwapen en verdachte zelf enkele malen was achtervolgd. Met de officier van justitie is de politierechter van oordeel dat de strafbaarheid van wapenbezit niet vermindert als daartoe wordt overgegaan om genoemde redenen.

Gelet echter op de bijzondere omstandigheden van het geval ziet de politierechter geen termen aanwezig om van de eis van de officier van justitie af te wijken.

6.4 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot deze voorwerpen.

Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd haar vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van een werkstraf van 40 uur, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter d.d. 11 maart 2010 af te wijzen.

De raadsman heeft primair tot niet-ontvankelijk verklaring geconcludeerd (zo verdachte wordt vrijgesproken) en subsidiair zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De politierechter stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De politierechter zal hiertoe niet besluiten, omdat hij tenuitvoerlegging, gelet op de huidige gronddelicten, niet opportuun acht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 13, 27, 54, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De politierechter:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Bepaalt dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Beslag

Hij verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

357369 7.00 STK Gas Kl: Groen

NATO CS-GAS Pepperspray

7 busjes pepperspray, 40 ml in houten kistje

357370 1.00 STK Ploertendoder Kl: Zwart

Telescopisch;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door politierechter: mr. Verbunt, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 december 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1:

op of omstreeks 24 augustus 2010 te Fijnaart zeven in elk geval een aantal traangasbusje(s) /busje(s) CS-gas, telkens zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;

2:

op of omstreeks 24 augustus 2010 te Fijnaart een of meer wapens van categorie I onder 3, van de Wet wapens en munitie, te weten een zgn. ploertendoder, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.