Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO6469

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
02/801052-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is door de rechtbank voor de overval op een juwelier veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht. Deze straf is beduidend lager dan de 5 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf die door de officier van justitie is gevorderd. Dit vloeit met name voort uit het verschil in de orientatiepunten van de rechtbank en de richtlijnen van het openbaar ministerie voor dergelijke feiten. Daarnaast benadrukt de rechtbank met de door haar opgelegde straf het belang van een spoedige adequate behandeling van verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/801052-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en [adres]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Wijnakker, advocaat te Nijmegen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 november 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Laheij, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

een overval heeft gepleegd, waarbij sieraden van [slachtoffer 1] zijn weggenomen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overval op de juwelierszaak [naam zaak] heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de beelden van de beveiligingscamera van de winkel en de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] ter zake van het opgelopen letsel door [slachtoffer 2]. Verdachtes gedragingen, in onderlinge samenhang bezien, zijn volgens de officier van justitie naar haar uiterlijke verschijningsvorm kenmerkend voor een overval. Haars inziens is het incident te kwalificeren als een diefstal met geweld en bedreiging met geweld.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank weliswaar tot een bewezenverklaring kan komen van diefstal, maar niet van diefstal met geweld. Verdachte heeft winkelier [slachtoffer 1] niet bedreigd, dan wel enigerlei vorm van geweld jegens haar toegepast. Hij heeft daartoe ook niet de intentie gehad. Uit het procesdossier is niet gebleken dat verdachte met een voorwerp op [slachtoffer 1] is afgelopen. Evenmin blijkt uit de stukken dat de situatie op [slachtoffer 1] dreigend is overgekomen. [slachtoffer 1] is ook op een normale manier de winkel uit kunnen lopen. Daarnaast ontkent verdachte dat hij [slachtoffer 2], die hem na de diefstal achterna is gerend, met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen. De verdediging heeft daarbij aangevoerd dat het moeilijk is voor te stellen, zoals [slachtoffer 2] heeft verklaard, dat verdachte na de diefstal de confrontatie met [slachtoffer 2] zelf heeft opgezocht. Zij houdt dan ook de lezing van verdachte aan, dat [slachtoffer 2] verdachte tijdens de achtervolging op enig moment heeft kunnen slaan, althans hem heeft kunnen vastpakken, en dat verdachte vervolgens bij het losrukken het gezicht van [slachtoffer 2] enigszins heeft geraakt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 13 oktober 2009 omstreeks 16.45 uur werd juwelierszaak [naam zaak] gevestigd aan de [adres] overvallen, zoals volgt uit de aangifte van mede-eigenaar mevrouw [slachtoffer 1] . Op genoemd tijdstip stond zij alleen in de zaak achter de toonbank. Zij zag toen dat een man met een panty over zijn hoofd de winkel kwam binnenlopen. De man zei vervolgens meermalen “dit is een overval”. Ook zei hij “geld, ik moet geld hebben”. Volgens [slachtoffer 1] kwam de man aansluitend naast haar achter de toonbank staan, hetgeen ook later was waar te nemen op de camerabeelden van de winkel . [slachtoffer 1] zag bovendien dat de man een op een schroevendraaier gelijkend voorwerp bij zich droeg. Op een bepaald ogenblik was zij van plan om de overvalknop in te drukken, maar zij drukte per abuis op een andere knop, welke in verbinding stond met de werkplaats behorende bij de winkel. Kort daarna wist zij de winkel uit te rennen en riep op straat dat er een overval werd gepleegd op haar zaak. Zij liep vervolgens naar het makelaarskantoor, dat is gelegen tegenover haar winkel. Vanuit dit kantoor zag zij dat de overvaller met diverse rollen sieraden in zijn armen haar winkel verliet.

Meerdere getuigen, waarvan een aantal zich in een nabijgelegen kapsalon bevond, hadden mevrouw [slachtoffer 1] buiten horen roepen “help, politie, overval” of gelijksoortige termen en zagen vervolgens een man met een panty over het hoofd wegrennen. Onder meer getuige [slachtoffer 2] hoorde en zag dit gebeuren en rende daarop achter de man aan, waarbij het tot enige confrontatie is gekomen.

Op dezelfde dag, omstreeks 17.10 uur, werden in een brandgang achter een woning aan de [adres] tien rollen met zilveren sieraden gevonden . Deze sieraden werden door de echtgenoot van [slachtoffer 1], [naam zaak], herkend als de gestolen sieraden uit de juwelierszaak.

Op dezelfde dag, kort na 17.30 uur, naderde verbalisant [verbalisant 2], die een onderzoek had ingesteld naar de overval en de dader, verdachte op de [adres] Verdachte zei tegen [verbalisant 2] “mij moet je hebben, voor de overval op de juwelier of kom je mij daar niet voor aanhouden” .

Verdachte heeft grotendeels bekend deze overval te hebben gepleegd. Hij heeft aangegeven bewust te hebben gekozen voor de juwelier in Hilvarenbeek. Hij heeft bevestigd dat hij een panty over zijn hoofd had getrokken en dat hij een elektrische schroevendraaier in zijn broekzak had gestopt. Deze schroevendraaier was volgens hem niet als wapen bedoeld, maar om eventueel vitrineruiten in te slaan zodat hij de sieraden zou kunnen pakken.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij had geroepen “dit is een overval” en op een boze toon tegen [slachtoffer 1] had gezegd dat zij de kassa moest openen.

Gelet op de omschreven feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, acht de rechtbank de diefstal voorafgegaan door bedreiging met geweld bewezen. Door gemaskerd de juwelierszaak binnen te lopen en te zeggen “dit is een overval” en “geld moet ik hebben” heeft verdachte een voor [slachtoffer 1] bedreigende situatie gecreëerd. Zij is op een bepaald ogenblik ook de winkel uit gelopen.

Hoewel door aangeefster [slachtoffer 1] is aangegeven dat verdachte op enig moment met een schroevendraaier in zijn hand in haar richting liep, blijkt dit niet uit de camerabeelden. Uit deze beelden blijkt alleen dat verdachte zijn hand op zijn broekzak heeft gehouden, waarin zijn schroevendraaier bleek te zitten, en dat [slachtoffer 1] en verdachte achter de toonbank naast elkaar hebben gestaan. De schroevendraaier, die een ratelsleutel bleek te zijn, is later door de politie achter de toonbank teruggevonden. Verdachte heeft hierover aangegeven dat hij [slachtoffer 1] niet heeft bedreigd. Hij had het voorwerp meegenomen om vitrineruiten in te kunnen slaan, omdat hij geen hamer tot zijn beschikking had. Hij had zijn hand op zijn broekzak met daarin de schroevendraaier gehouden omdat deze langer dan zijn broekzak was en anders uit zijn broekzak zou vallen. Het voorwerp stak uit zijn broekzak zodat het ook zichtbaar was voor [slachtoffer 1]. Bij het openen van een kastje is dit voorwerp uit zijn broekzak gevallen.

De rechtbank acht het relaas van verdachte over de ratelsleutel aannemelijk. De rechtbank acht daarom het onderdeel in de tenlastelegging dat er een dreigende situatie is ontstaan door het op [slachtoffer 1] aflopen met de ratelsleutel niet bewezen.

De verdediging heeft aangevoerd dat bedreiging met geweld niet aan de orde is, omdat [slachtoffer 1] dit niet als zodanig zou hebben ondervonden. De rechtbank is echter van oordeel, dat gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van bedreiging met geweld vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde/betrokkene redelijke vrees kon ontstaan.

In het onderhavige geval is van deze laatste situatie sprake.

Aan voorgaande doet niet af dat aangeefster niets heeft verklaard over het zich bedreigd hebben gevoeld.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [slachtoffer 2] door verdachte in zijn gezicht is gestompt. Dit onderdeel wordt dan ook uit de tenlastelegging geschrapt. In de aangifte van [slachtoffer 2] is opgenomen dat verdachte hem eenmaal met gebalde vuist, met kracht, had geslagen op zijn rechterwang en rechterzijde van zijn neus. Deze verklaring wijkt evenwel af van zijn tweede verklaring volgens het proces-verbaal bevindingen, waarin is vermeld dat [slachtoffer 2] op 24 november 2009 heeft medegedeeld dat hij weliswaar een klap heeft gekregen van verdachte, maar dat hij niet vol is geraakt, omdat hij zijn hoofd heeft kunnen wegdraaien. [slachtoffer 2] heeft daarbij de term ‘schampschot’ gebruikt. Met deze tweede verklaring lijkt het voorval tussen [slachtoffer 2] en verdachte enigszins te worden afgezwakt, zodat over de daadwerkelijke toedracht onduidelijkheid blijft bestaan.

De rechtbank acht het bovendien onlogisch dat verdachte na de overval, toen hij zich uit de voeten wilde maken, de confrontatie met [slachtoffer 2] heeft opgezocht. Zij acht het relaas van verdachte, dat [slachtoffer 2] hem wist vast te pakken en dat verdachte zich moest losrukken, geloofwaardiger.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 13 oktober 2009 te Hilvarenbeek, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte:

- gemaskerd de winkel van voornoemde [slachtoffer 1] in is gelopen en

vervolgens

- meermalen dreigend voornoemde [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Dit is een overval" en "Geld ik moet geld hebben" en vervolgens

- sieraden heeft gepakt en vervolgens

- voornoemde winkel uit is gerend

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van het feit, verdachtes strafblad en de omstandigheid dat hij binnen een jaar na zijn vorige detentie deze overval heeft gepleegd. Tevens heeft zij aangegeven dat het openbaar ministerie zich momenteel hard maakt voor de opsporing en vervolging van overvallen op winkels.

De officier van justitie heeft voorts opgemerkt dat het mogelijk is om aan een vervroegde invrijheidstelling begeleiding door een hulpverlenende instantie te koppelen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Zij verzoekt bij een bewezenverklaring van diefstal uit te gaan van een gevangenisstraf van ten hoogste enkele maanden. Indien diefstal met geweldpleging bewezen wordt geacht, vraagt zij een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel niet hoger is dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij verzoekt daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen om reclasseringstoezicht of ambulante behandeling in een kliniek mogelijk te maken. Verdachte heeft namelijk hulp nodig bij de invulling van zowel praktische als persoonlijke zaken, aldus de verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is vanwege geldgebrek overgegaan tot het plegen van een overval op een juwelier. De rechtbank rekent verdachte dit feit zwaar aan. Hij heeft slechts zijn eigen voordeel voor ogen gehad en heeft niet stil gestaan bij de mogelijke nadelige consequenties voor het slachtoffer. Een overval, zoals de onderhavige, leidt bovendien tot gevoelens van onveiligheid en frustratie in de samenleving, in het bijzonder bij de detaillisten.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte in 2005 eveneens is veroordeeld voor een gelijksoortig delict, waarvoor hij een gevangenisstraf van 5 jaar heeft opgelegd gekregen. Deze omstandigheid heeft verdachte er niet van weerhouden dat hij binnen een jaar na zijn vrijlating wederom een misstap heeft begaan.

De rechtbank heeft ten gunste van verdachte bij haar oordeel betrokken dat hij kort na de overval berouw voelde en zich zelf direct bij de politie meldde.

Over de psyche en persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn diverse rapportages uitgebracht. De rechtbank heeft met name acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 28 oktober 2010 en het reclasseringsrapport van 22 december 2009.

In het PBC-rapport wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met daarnaast narcistische kenmerken. Volgens het PBC wordt verdachte niet door zijn stoornis geleid om via diefstal of beroving aan geld te komen, maar door de stoornis slechts vergemakkelijkt. Hij kan zijn agressie als een middel gebruiken om zijn doel te bereiken. De stoornis is van dien aard dat verdachte zelf in staat moet worden geacht te bepalen of hij recidiveert. Verdachte wordt als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. Het PBC acht een (voorwaardelijke) terbeschikkingstelling niet geïndiceerd. Om zijn verdere ontwikkeling en ontplooiing in positieve zin te bevorderen kan verdachte baat hebben bij reclasseringsbegeleiding, voornamelijk gericht op praktische zaken, aldus het PBC.

In het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte in een onstabiele situatie, in een neerwaartse spiraal, verkeert. Verdachte ervaart problemen op zowel immateriële als materiële gebieden. Hij heeft volgens de reclassering onvoldoende kennis en vaardigheden om op de lange termijn zelfstandig zijn leven op orde te brengen. Structurele begeleiding, in een ambulant kader, wordt voor verdachte dan ook van belang geacht. De reclassering adviseert op te leggen een verplicht reclasseringscontact met een meldingsgebod, een behandelverplichting bij Het Dok, GGzE of een soortgelijke instelling en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank gaat uit van de door haar gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting, welke een gevangenisstraf van 2 jaar aanduiden voor een overval zonder geweld of wapens.

De omstandigheid dat verdachte heeft gerecidiveerd heeft een strafverhogende uitwerking.

Alles overwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf een passende strafrechtelijke sanctie. Naast een onvoorwaardelijk deel van 24 maanden, zal zij een voorwaardelijk deel van 12 maanden opleggen om daaraan het geadviseerde reclasseringstoezicht te kunnen koppelen. Dit toezicht kan mede bestaan uit behandeling bij Het Dok, GGzE of een gelijksoortige instelling en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank legt daarmee een beduidend lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd. Dit vloeit hoofdzakelijk voort uit het verschil in de oriëntatiepunten van de rechtbank en de richtlijnen die het openbaar ministerie thans kennelijk hanteert. Daarnaast onderstreept de rechtbank met de door haar op te leggen straf het belang van een spoedige adequate behandeling van verdachte.

7 Het beslag

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoorden. Daarnaast is het feit begaan of voorbereid met behulp van een aantal van deze voorwerpen.

158574 1 stuk gereedschap, kleur zwart

Black & Decker

ratelsleutel achtergebleven na overval juwelier

158581 1 stuk vest, kleur blauw

vest met capuchon

158583 1 stuk sok, kleur zwart

nylon kous

175991 1 paar handschoenen, kleur zwart

V&D

zwart lederen handschoenen maat 9

176019 1 stuk tas, kleur blauw

Saturn draagtas

plastic draagtas van winkelketen Saturn

176024 1 stuk tas

Blokker

wit met oranje draagtas van Blokker

176032 3 stuks zwart

Silver Lady

doosje met 3 pantykousjes

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 27, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt behandeling bij Het Dok, GGzE dan wel een soortgelijke instelling en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

* dat verdachte zich binnen drie dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden en in vrijheid is gesteld, zal melden bij deze reclasseringsinstelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de onder 7 genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Dekker en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 november 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 13 oktober 2009 te Hilvarenbeek,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer

siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [initialen] [slachtoffer 2],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte:

- (gemaskerd) de winkel van voornoemde [slachtoffer 1] in is gelopen en/of

(vervolgens)

- meermalen, althans eenmaal dreigend voornoemde [slachtoffer 1] de woorden heeft

toegevoegd: "Dit is een overval" en/of "Geld ik moet geld hebben" en/of

(vervolgens),

- met een zgn. ratelsleutel, althans een glimmend voorwerp in de hand op die

[slachtoffer 1] is afgelopen en/of (vervolgens)

- een of meer siera(a)d(en) heeft gepakt en/of (vervolgens)

- voornoemde winkel uit is gerend en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Rot op" en/of

"Flikker op" en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 2] een vuistslag in diens gezicht althans tegen diens lichaam heeft

gegeven;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht