Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO4769

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
627749 vv 10-134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vordering schorsing concurrentie- en relatiebeding afgewezen. Gezien de inhoud van een e-mail van de beoogde nieuwe werkgever aan de werknemer is het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aannemelijk dat zij van de werknemer verlangt dat hij de kennis die hij bij zijn huidige werkgever heeft opgedaan ten voordele van haar zal aanwenden. Er bestaat een reële kans dat de huidige werkgever van de werknemer ten gevolge daarvan schade zal lijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Breda

zaak/rolnr.: 627749 VV EXPL 10-134

vonnis in kort geding d.d. 25 november 2010

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. I.J. de Roos, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap VBH Nederland B.V.,

gevestigd te Oosterhout NB,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H. Louwers, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

1. Het verloop van het geding

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding in kort geding van 9 november 2010 met 8 producties;

- de brief van de gemachtigde van gedaagde van 15 november 2010 met 11 producties.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Ter zitting zijn verschenen eiser in persoon, bijgestaan door mr. de Roos voornoemd, alsmede gedaagde vertegenwoordigd door haar directeur de heer [X], bijgestaan door mr. Louwers voornoemd. Mr. Louwers heeft ter gelegenheid van de zitting zijn pleitaantekeningen overgelegd. Voorts heeft mr. Louwers met instemming van mr. De Roos een e-mail van 8 september 2010 afkomstig van [Y] overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3 [eiser] heeft ter gelegenheid van de zitting zijn subsidiaire vordering ingetrokken.

1.4 Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en VBH.

2. Het geschil

2.1 [eiser] vordert bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, het concurrentie- en relatiebeding geheel, althans gedeeltelijk te schorsen met dien verstande dat het [eiser] wordt toegestaan in dienst te treden bij Maasland Groep in de functie van Commercieel Technisch Adviseur Buitendienst, met veroordeling van VBH in de kosten van de procedure.

2.2 VBH concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3. De beoordeling

3.1 In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1 [eiser] is op 1 juli 2008 bij VBH in dienst getreden in de functie van Commercieel Technisch Adviseur Binnendienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd welke later is gewijzigd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatst verdiende loon bedraagt € 2.850,00 bruto per maand te vermeerderen met 8 % vakantiegeld.

3.1.2 In artikel 8 van de arbeidsovereenkomst is – voor zover thans van belang – het volgende bepaald:

‘1. Het is werknemer verboden tijdens de dienstbetrekking en/ of gedurende 12 maanden na beëindiging daarvan op te treden als zelfstandig ondernemer op het gebied waarop de werkgever geheel of gedeeltelijk werkzaam is. Het is de werknemer tevens verboden gedurende de hiervoor bedoelde periode als loontrekkende in dienst van derden te zijn dan wel anderszins direct of indirect, om niet of tegen betaling werkzaamheden te verrichten voor of op enigerlei wijze belang te hebben in of bij een bedrijf gelijksoortig of verwant aan het bedrijf van werkgever, althans in of bij een bedrijf dat gelijke of gelijksoortige producten verkoopt en/ of verhandelt als werkgever.

2. Het verbod geldt voor een straal van 100 km rondom de vestingplaats van werkgever, thans Oosterhout.

3. Het is werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever verboden om in welke hoedanigheid dan ook, privé of zakelijk om niet of tegen betaling, klanten en relaties van de werkgever te benaderen en/ of daarmee zaken te doen en/ of daarbij in dienst te treden. (…) ’.

3.1.3 Handelsmaatschappij C.B. Maasland B.V. (verder te noemen Maasland), gevestigd te Sleeuwijk, heeft [eiser] een dienstbetrekking in de functie van Commercieel Technisch Adviseur Buitendienst aangeboden.

3.1.4 De gemachtigde van [eiser] heeft VBH bij schrijven van 30 augustus 2010 aangegeven dat [eiser] alvorens de aangeboden dienstbetrekking te accepteren, met VBH tot een vergelijk omtrent het concurrentie- en relatiebeding wenst te komen. VBH heeft op 10 september en op 4 oktober 2010 aangegeven dat zij er belang bij heeft het concurrentie- en relatiebeding te handhaven.

3.1.5 Op 8 september 2010 heeft [Y] verbonden aan Maasland een e-mail aan [eiser] verzonden. Zij schrijft daarin: ‘(…) Bijgaand tref je een CTA functieomschrijving en een begeleidend schrijven m.b.t. je functie en het voorlopige toekomstbeeld wat wij hierbij hebben. De bijgaande brief moet je helpen bij het bestrijden van het concurrentiebeding – maar de werkelijkheid zal er wat meer genuanceerd uitzien! (…) Voor het benaderen van nieuwe klanten – indien het op je pad komt, dan mag je zeker wel het eerste jaar nieuwe klanten benaderen – echter even de VBH klanten vermijden! Maar dat sluit niet uit dat één van je collega’s die wel mogen benaderen... mocht het zo uitkomen. (…)’

3.2 De standpunten van partijen.

3.2.1 [eiser] vordert in rechte schorsing van het concurrentie- en relatiebeding. Hij voert daartoe aan dat VBH het concurrentie- en relatiebeding niet jegens hem kan handhaven omdat Maasland geen concurrent van VBH is en [eiser] door het concurrentie- en relatiebeding in verhouding tot het te beschermen belang van VBH onbillijk wordt benadeeld. Het concurrentie- en relatiebeding is onredelijk bezwarend vanwege de geografische beperking van 100 km, het gebrek aan carrière perspectieven bij VBH en de mogelijkheid tot positieverbetering bij Maasland en geruchten dat het financieel slecht zou gaan met VBH. Voorts is de functie bij Maasland anders dan de functie bij VBH. [eiser] heeft geen intentie om VBH te benadelen door diens klanten te benaderen.

3.2.2 VBH heeft belang bij het beschermen van haar bedrijfsgebied en bedrijfsgevoelige informatie. VBH vreest dat [eiser] in dienst van Maasland door zijn bij VBH opgedane kennis van bedrijfsspecifieke informatie en de in de loop van het dienstverband opgebouwde cliëntencontacten VBH oneerlijke concurrentie zal aandoen. Zowel op het gebied van de verkochte producten als op het gebied van de markt/klanten is sprake van een zodanige overlap dat VBH en Maasland gelijksoortig of verwant moeten worden geacht als bedoeld in het concurrentie- en relatiebeding. Door [eiser] in dienst te nemen zou Maasland een oneerlijk concurrentievoordeel jegens VBH verwerven. Gezien zijn voorgeschiedenis is [eiser] niet uitsluitend aangewezen op de sector waarin VBH en Maasland actief zijn. De geografische beperking is niet onredelijk gelet op het belang van VBH. VBH was niet bekend met de wens van [eiser] om carrière te maken, op beschikbare buitendienstfuncties heeft [eiser] niet gereageerd. Van een slechte financiële situatie binnen VBH is geen sprake. Tot slot is het belang van VBH niet gedekt met een enkel relatiebeding. Dit klemt temeer nu uit de e-mail van Maasland aan [eiser] volgt dat Maasland met de indiensttreding van [eiser] een (oneerlijk) concurrentievoordeel beoogt.

3.3 De kantonrechter overweegt het volgende.

3.3.1 Nu [eiser] heeft gesteld dat hij de door Maasland aangeboden dienstbetrekking niet kan accepteren zolang hij geen duidelijkheid heeft omtrent zijn gehoudenheid aan het concurrentie- en relatiebeding, heeft hij naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering.

3.3.2 De vordering van [eiser] tot schorsing van het concurrentie- en relatiebeding is alleen toewijsbaar, indien aannemelijk is dat het beding in een bodemprocedure (geheel of ten dele) teniet zal worden gedaan, omdat het belang van [eiser] in verhouding tot het te beschermen belang van VBH onbillijk zou worden benadeeld.

3.3.3 Gesteld noch gebleken is dat er formele gebreken kleven aan het concurrentie- en relatiebeding. Het is door VBH schriftelijk overeengekomen met (de meerderjarige) [eiser].

3.3.4 De strekking van het concurrentie- en relatiebeding is te voorkomen dat [eiser] de specifieke kennis en ervaring die hij als werknemer in een commerciële functie bij VBH heeft verworven, ten nadele van VBH in een dienstverband bij een concurrent gaat benutten.

3.3.5 VBH heeft haar belang bij handhaving van het concurrentie- en relatiebeding alleszins aannemelijk gemaakt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het aannemelijk dat Maasland een gelijksoortig bedrijf is, althans dat zij gelijksoortige producten aanbiedt. Voorts is het gezien de inhoud van de e-mail van 8 september 2010 van Maasland aan [eiser], naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aannemelijk dat Maasland van [eiser] verlangt dat hij de kennis die hij bij VBH heeft opgedaan, ten voordele van haar zal gaan aanwenden. Er bestaat een reële kans dat VBH tengevolge daarvan schade zal lijden.

3.3.6 Tegenover het belang van VBH staat het belang van [eiser] om desgewenst een andere geschikte functie te kunnen verwerven. Vaststaat dat [eiser] zelf wenst op te zeggen en dat hij van VBH niet weg hoeft. De stellingen van [eiser] dat hij bij VBH geen mogelijkheden heeft (gekregen) om zich verder te ontplooien zijn, na de gemotiveerde betwisting daarvan door VBH, voorshands niet aannemelijk geworden. [eiser] heeft zijn stellingen dat hij er op financieel gebied bij Maasland aanzienlijk op vooruit gaat en dat hij zich ook voor het overige bij Maasland aanzienlijk kan verbeteren, na de gemotiveerde betwisting van deze stellingen door VBH, niet aannemelijk gemaakt. [eiser] had dit – mogelijk – op eenvoudige wijze kunnen doen door de nieuwe (concept) arbeidsovereenkomst in het geding te brengen dan wel ter inzage te overleggen, hetgeen hij heeft nagelaten. Ook heeft [eiser] onvoldoende gesteld over zijn verdere mogelijkheden op de arbeidsmarkt.

3.3.7 Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat vooralsnog onvoldoende is gebleken dat het belang van [eiser], in verhouding tot dat van VBH, onbillijk wordt

benadeeld door handhaving van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding. Niet valt aan te nemen dat dit beding door de bodemrechter (geheel of ten dele) zal worden vernietigd. De door [eiser] gevorderde voorlopige voorziening zal daarom worden geweigerd.

3.3.8 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

3.4 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4. De beslissing bij wege van voorlopige voorziening

De kantonrechter:

weigert de gevraagde voorziening;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van VBH gevallen tot deze uit¬spraak begroot op € 200,00 als salaris voor de gemachtigde van VBH;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. de Kroon, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2010.