Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO3811

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
10/2191
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[naam coffeeshop]. Gedoogbeleid gemeente Roosendaal. Inwerkingtreding Nota Cannabisbeleid 2009 (Nota): verkoop van softdrugs wordt niet langer gedoogd. Marginale toetsing. Verweerder kan de bevoegdheid niet worden ontzegd de Opiumwet te handhaven. De gevolgen na het nemen van het bestreden besluit kunnen in beginsel voor de beoordeling van het onderhavige geding niet doorslaggevend zijn. Artikel 1:6, aanhef en sub b, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2009. Het beleid zoals neergelegd in de Nota kan worden aangemerkt als een verandering van inzichten, opgetreden na het verlenen van de horeca-exploitatievergunning, op grond waarvan verweerder bevoegd was tot intrekking en wijziging van de horeca-exploitatievergunning. Horeca-exploitatievergunning mag in het belang van openbare orde worden ingetrokken dan wel gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3720
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 2191 HOREC

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

[eiser]

wonende te Roosendaal, eiser,

gemachtigde mr. I.M. van den Heuvel,

en

de burgemeester van de gemeente Roosendaal,

verweerder,

gemachtigde mr. B.J.P.G. Roozendaal.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 april 2010 (bestreden besluit), inzake het intrekken en opnieuw verlenen van een horeca-exploitatievergunning voor het pand [adres].

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 september 2010, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van eiser, tevens bijgestaan door [gemachtigde]. Eiser is niet ter zitting verschenen. Namens verweerder zijn ter zitting verschenen [woordvoerders verweerder]. De gemachtigde van verweerder is niet verschenen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft verweerder aan eiser een horeca-exploitatievergunning ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening 1997 verleend voor het exploiteren van een horecabedrijf op voornoemd perceel ([naam perceel]). Aan deze horeca-exploitatievergunning zijn – onder meer – de volgende voorwaarden verbonden.

1. (…).

7. Er mag geen sprake zijn van verkoop van verdovende middelen aan minderjarigen (leeftijdsgrens van 18 jaar).

8. Per transactie mag niet meer dan 5 gram softdrugs worden verkocht. Een transactie is alle koop en verkoop in de inrichting op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper.

9. In de inrichting mag maximaal 500 gram softdrugs voorradig zijn.

10. (…).

Met ingang van 16 maart 2009 is de Nota Cannabisbeleid 2009 (Nota) in werking getreden. Bij brief van 12 augustus 2009 is eiser erop gewezen dat de aan hem verleende horeca-exploitatievergunning zal worden aangepast, in die zin dat de daarin expliciet opgenomen gedoogvoorwaarden komen te vervallen. Een ontwerpbesluit is daarbij aan eiser verstrekt. Eiser heeft daartegen zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit van 11 september 2009 onder meer:

A. de horeca-exploitatievergunning van 22 juni 2004 ingetrokken per 16 september 2009;

B. aan eiser – met ingang van 16 september 2009 – vergunning verleend voor het exploiteren van een horecabedrijf gevestigd op het perceel [adres];

C. aan deze vergunning de volgende voorschriften en beperkingen verbonden.

1. (…).

2. Het is niet toegestaan in het horecabedrijf middelen zoals omschreven in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen of voorbereidingen daartoe te verrichten c.q. toe te laten dat bedoelde middelen worden gebruikt, worden toegediend dan wel daartoe voorbereidingen worden verricht.

3. (…).

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft eerst ter zitting aangevoerd dat verweerder drie verschillende versies van de Ontwerpnota Cannabisbeleid 2009 in omloop heeft gebracht. De versies verschillen tekstueel en hebben afwijkende voetnoten en paginanummering. Eiser heeft aangevoerd dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad bij het opstellen van de zienswijze tegen de Ontwerpnota Cannabisbeleid 2009. Hij wil de verschillende versies alsnog in het geding brengen. Eiser verzoekt de rechtbank om deze reden primair het bestreden besluit te vernietigen, subsidiair het onderzoek te heropenen.

Verder heeft eiser in beroep aangevoerd dat de drugsoverlast sinds het bestreden besluit is verergerd. Volgens hem is als gevolg van het beleid de veiligheid afgenomen, de buurt verpauperd, blijven toeristen weg en bevinden zich drugsdealers op straat. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder deze gevolgen had kunnen voorzien. Het beleid is ook daarom onredelijk, aldus eiser.

Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder geen bevoegdheid had om de vergunning in te trekken en te wijzigen omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in de Algemene Plaatselijke Verordening 2004 zich hier niet voordoen. De vergunning is enkel ingetrokken omdat verweerder niet meer wenste dat eiser een vergunning bezat voor het verkopen van drugs. Dat is volgens eiser geen rechtsgeldige intrekkingsgrond.

Ten slotte heeft eiser ter zitting verduidelijkt dat de horeca-exploitatievergunning volgens hem alleen mag worden gewijzigd of ingetrokken in het belang van toezicht op horecabedrijven en niet in het belang van de openbare orde.

2.3 Ingevolge artikel 1:6, aanhef en sub b, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2009 (APV 2009) kan een vergunning worden ingetrokken of gewijzigd, indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.

2.4 Het intrekkings- en wijzigingsbesluit is gebaseerd op de Nota. De rechtbank kan het daarin opgenomen cannabisbeleid slechts marginaal toetsen. Dit betekent dat eerst indien sprake is van een kennelijk onredelijk beleid, dit beleid niet ten grondslag kan worden gelegd aan het intrekkings- en wijzigingsbesluit. De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of er verschillende versies van de Ontwerpnota Cannabisbeleid 2009 hebben gerouleerd. Voor zover er al in de voorbereiding van het beleid gebreken worden geconstateerd, kunnen deze eventuele gebreken er niet toe leiden dat het uiteindelijk vastgestelde beleid daarom als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Verweerder voert immers thans een beleid conform de wet, te weten de Opiumwet. Verweerder kan de bevoegdheid niet worden ontzegd deze wet te handhaven. Van een kennelijk onredelijk beleid is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank zal gezien het vorenstaande het verzoek van eiser de verschillende versies van de Ontwerpnota Cannabisbeleid 2009 in het geding te brengen afwijzen. De rechtbank ziet evenmin in het voorgaande aanleiding het onderzoek te heropenen.

2.5 Ten aanzien van de gevolgen van het beleid overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit dit besluit op goede gronden heeft genomen. De gevolgen na die datum kunnen in beginsel voor de beoordeling van het onderhavige geding niet doorslaggevend zijn. Dit is slechts anders indien verweerder bij het vaststellen van het beleid had kunnen voorzien dat het beleid onredelijk nadelige gevolgen zou hebben. Daarvan is niet gebleken. De door eiser overgelegde krantenartikelen zijn daarvoor ontoereikend.

2.6 De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of verweerder de horeca-exploitaitievergunning op goede gronden heeft ingetrokken onder het verlenen van een nieuwe horeca-exploitatievergunning.

In dit kader is van belang dat per 16 maart 2009 de Nota in werking is getreden, op grond waarvan met ingang van 16 september 2009 de verkoop van softdrugs bestuurlijk niet langer wordt gedoogd. Dit beleid strookt niet met de horeca-exploitatievergunning van 22 juni 2004 waarin, anders dan eiser stelt, expliciet gedoogvoorwaarden zijn opgenomen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het beleid zoals neergelegd in de Nota is aan te merken als een verandering van inzichten als bedoeld in artikel 1:6 van de APV 2009.

De rechtbank kan eiser niet volgen in hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het toezicht op horecabedrijven en de openbare orde. De vergunningplicht voor horecabedrijven is geregeld in hoofdstuk 2 ‘Openbare Orde’ van de APV 2009. Weliswaar is voor het toezicht op horecabedrijven een aparte afdeling in de APV 2009 opgenomen (hoofdstuk 2, afdeling 8), maar dit is een onderdeel van het hoofdstuk ‘Openbare Orde’. Derhalve valt niet in te zien waarom een horeca-exploitatievergunning niet in het belang van openbare orde zou mogen worden ingetrokken danwel gewijzigd. De rechtbank acht de intrekking van de horeca-exploitatievergunning in dat licht dan ook niet onrechtmatig.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het beleid zoals neergelegd in de Nota kan worden aangemerkt als een verandering van inzichten, opgetreden na het verlenen van de horeca-exploitatievergunning, op grond waarvan verweerder bevoegd was tot intrekking en wijziging van de horeca-exploitatievergunning.

2.7 Verweerder heeft de horeca-exploitatievergunning van 22 juni 2004 derhalve op goede gronden ingetrokken met ingang van 16 september 2009, onder het verlenen van een nieuwe horeca-exploitatievergunning. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

2.8 Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.M.D.M. van der Linden, voorzitter, mrs. Th. Peters en L.P. Hertsig rechters, en door de voorzitter en mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

's-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 10 november 2010