Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO3020

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
02/996015-07 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is als gevolg van grensoverschrijdend rechercheren door de Belgische politie in Nederland op heterdaad aangehouden voor het afleveren van anabole steroïden. Geen onrechtmatige bewijsvergaring door Nederlandse politie ondanks betrokkenheid van Belgische verbalisanten bij pseudokoop en vermeende infiltratie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/996015-07 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 3 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het wetboek van strafvordering heeft de economische politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 oktober 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Melssen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte – terwijl hij hiertoe onbevoegd was – spierversterkende middelen heeft bereid en/of afgeleverd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het feit dat aan verdachte wordt tenlastegelegd dateert van bijna vier jaar geleden. Sinds juni 2007 is er in deze zaak niets meer gebeurd. Er is sprake van een zodanig langdurige vertraging dat dit moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie vanwege overtreding van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Subsidiair moet volgens de raadsman de niet-ontvankelijkheid worden uitgesproken omdat sprake is van ernstige vormverzuimen met betrekking tot de bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: BOB).

De officier van justitie is van mening dat zij ontvankelijk is in de vervolging. Hoewel het zeker lang geduurd heeft voordat de zaak op zitting is aangebracht, is het volgens haar niet dermate lang dat het consequenties moet hebben ten aanzien van de ontvankelijkheid, maar hooguit voor de hoogte van de op te leggen straf. Daarnaast is er volgens de officier van justitie geen sprake van verzuimen met betrekking tot de pseudokoop, zijn er geen problemen over de bevoegdheden en is alles conform geldende regelgeving en rechtshulpverzoeken verlopen. Van de door de raadsman aangevoerde infiltratie is geen sprake.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad dient dit in de strafmaat tot uitdrukking te worden gebracht, ook in uitzonderlijke gevallen.

De rechtbank deelt ook het standpunt van de raadsman niet dat sprake is van onrechtmatig bewijs zodat dit derhalve ook geen consequenties voor de ontvankelijkheid heeft. Voor het overige zal de rechtbank dit verweer bespreken bij de beoordeling van het bewijs.

De officier van justitie is naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en zijn medeverdachte zijn op heterdaad aangehouden op het moment dat zij een tas met anabole steroïden afleverden. Alle geneesmiddelen zijn onderzocht en bleken de middelen te zijn zoals deze zijn tenlastegelegd. Beide verdachten waren ook niet bevoegd om deze geneesmiddelen af te leveren, zoals uit de registers is gebleken.

Verdachte [naam verdachte] erkent zijn betrokkenheid. Medeverdachte [mededader] zou niet hebben geweten wat er in de tas zat, maar zijn betrokkenheid en opzet zijn te bewijzen op grond van de eerste verklaring van [naam verdachte] bij de politie en de verklaringen van de Belgische medeverdachte [mededader 2] en de Belgische verbalisanten.

Ook de bereiding van de geneesmiddelen kan volgens de officier van justitie worden bewezen, nu er etiketten voor anabole steroïden, afsluitdopjes en capsules in de auto’s van de verdachten zijn aangetroffen, plus het feit dat het merk Generic Supplements niet blijkt te bestaan, waardoor aannemelijk is dat het een middel is dat door deze verdachten zelf is geproduceerd. Verder is in de auto van [mededader] een harde schijf aangetroffen waarop een webpagina werd aangetroffen van een technische beschrijving van een machine voor het afvullen van medicijnen in capsules.

Ten slotte kan een partiële vrijspraak volgen voor het afleveren van de flacons met het opschrift Benzylis benzoas, nu dit geen geneesmiddel blijkt te zijn.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen vanwege het feit dat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs omdat de BOB-regelgeving niet op juiste wijze is toegepast.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

In deze zaak is sprake geweest van grensoverschrijdend rechercheren door de Belgische politie op Nederlands grondgebied. Vanuit België heeft de politie aldaar een pseudokoopactie opgezet, waarbij de Belgische medeverdachte [mededader 2] werd vergezeld door twee Belgische verbalisanten die via deze [mededader 2] aan anabole steroïden zouden kunnen komen.

De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse officer van justitie op grond van een rechtshulpverzoek bevelen tot stelselmatige observatie en pseudokoop heeft afgegeven die slechts zagen op [mededader 2].

De Nederlandse verdachten [mededader] en [naam verdachte] zijn op heterdaad betrapt bij het afleveren van de in de tenlastelegging genoemde geneesmiddelen aan [mededader 2] en de pseudokopers. Van een strafbare uitlokking door de Belgen kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake zijn, aangezien [mededader] en [naam verdachte] voorafgaand aan de aflevering op 22 december 2006 in het onderzoek in Nederland en België in het geheel niet in beeld waren.

Er is naar het oordeel van de rechtbank geen strijd met het Tallon-criterium, wat inhoudt dat een verdachte niet gebracht mag worden tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

Voorts is door de raadsman bepleit dat er onvoldoende nauwkeurig en niet volgens de Nederlandse regelen der kunst op Nederlands grondgebied gerechercheerd zou zijn door Belgische verbalisanten. Zij zouden immers onvoldoende op de hoogte zijn geweest van de BOB-regelgeving in Nederland. De rechtbank heeft uit het dossier echter afgeleid dat de verdachten zijn aangehouden en verhoord door Nederlandse verbalisanten, en dat er slechts – overigens mét toestemming – Belgische verbalisanten bij aanwezig zijn geweest.

De aanhouding en alle daarop volgende handelingen hebben dan ook onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse politie en justitie plaatsgevonden.

Als derde onrechtmatigheid is door de raadsman aangevoerd dat sprake zou zijn geweest van grensoverschrijdende infiltratie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er zich voor infiltratie in Nederland geen enkele aanwijzing in het dossier bevindt. Bovendien wijst de rechtbank met betrekking tot infiltratie in België op een recent arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010 (LJN: BL5629), waarin is bepaald dat ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe is beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000/107).

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het Tallon-criterium of de BOB-regelgeving waardoor het bewijs onrechtmatig verkregen zou zijn.

Dit leidt dan ook niet tot de uitsluiting van bewijs.

De rechtbank zal nu inhoudelijk beoordelen of er voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is.

Tijdens de pseudokoopactie op 22 december 2006 in Breda zijn de verdachten [mededader] en [naam verdachte] op heterdaad aangehouden toen zij na bemiddeling door de Belgische medeverdachte [mededader 2] een tas met spierversterkende middelen afleverden aan twee Belgische verbalisanten.

[naam verdachte] heeft verklaard dat hij op 22 december 2006 in Rotterdam op verzoek van een persoon, van wie hij de identiteit niet bekend wil maken, de tas met daarin de spierversterkende middelen heeft ontvangen en daarmee naar de locatie in Breda is gereden. Hij zou hiervoor een geldbedrag betaald krijgen. Hij heeft [mededader] gevraagd of deze met hem meeging. Het was [naam verdachte] bekend dat het om verboden spierversterkende middelen ging. Deze tas stond in eerste instantie in de auto van [naam verdachte] en is overgeheveld naar de auto van de Belgische pseudokopers. In de tas zaten honderden potjes en flesjes. Deze middelen zijn getest door het NFI, waarbij is vastgesteld dat het gaat om alle in de tenlastelegging genoemde anabole steroïden. Volgens inspecteur voor de Gezondheidszorg [naam deskundige] gaat het om middelen die dienen te worden aangemerkt als geneesmiddelen, die overigens niet geregistreerd zijn zoals genoemd in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Bovendien zijn verdachte en zijn medeverdachte niet opgenomen in het register Farmatec van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het registratiesysteem voor apothekers en artsen. Zij mogen dan ook geen geneesmiddelen afleveren of in voorraad hebben.

De rechtbank overweegt dat van het middel Boldenone undecyclate is gebleken dat dit geen geneesmiddel is dat bij mensen wordt toegepast, maar dat dit voor veterinaire doeleinden wordt gebruikt. Het middel Benzylis benzoas kan in het geheel niet als geneesmiddel worden beschouwd. Om die reden zal verdachte op deze punten partieel worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het medeplegen van dit feit worden bewezen. Hoewel medeverdachte [mededader] heeft ontkend dat hij wist wat er in de tas zat, kan het opzet van [mededader] worden afgeleid uit een aantal bewijsmiddelen.

Zo heeft verdachte [naam verdachte] in eerste instantie bij de politie verklaard dat [mededader] bij de overdracht in Rotterdam samen met hem de middelen heeft uitgeteld. Pas nadat

[naam verdachte] wist dat [mededader] dit had ontkend, heeft [naam verdachte] zijn verklaring hieromtrent aangepast.

Daarnaast heeft de Belgische pseudokoper “[naam pseudokoper]” verklaard dat [mededader] erbij aanwezig was toen de pseudokoper achter in de auto van [naam verdachte] de inhoud van de tas mocht bekijken en dat [mededader] zich concreet met de betaling en de overdracht van de spierversterkende middelen heeft bemoeid. Dit laatste is tevens verklaard door de Belgische medeverdachte [mededader 2]. Ook zou [mededader] gezegd hebben dat de bestelde 500 stuks in de tas zaten. Ten slotte zou [mededader] de envelop met geld die hij van [naam pseudokoper] ontving, hebben nageteld.

De verklaringen van [naam pseudokoper] en [mededader 2] wordt bevestigd door de bevindingen van het observatieteam.

Daarmee acht de rechtbank de verklaring van [mededader] dat hij van niets zou hebben geweten volstrekt ongeloofwaardig. Het opzet op de aflevering kan ten aanzien van beide verdachten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het bereiden van de geneesmiddelen niet bewezen. Hoewel er zeker indicaties zijn dat de verdachten zich hieraan schuldig hebben gemaakt, is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot wettig en overtuigend bewijs te komen. In ieder geval geldt dit voor de specifiek tenlastegelegde datum 22 december 2006. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Ten slotte dient de rechtbank nog te kijken naar de strafbaarheid en strafbaarstelling van het bewezenverklaarde feit, nu de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening inmiddels is komen te vervallen. De bewezenverklaarde handelingen zijn nu strafbaar gesteld in de Geneesmiddelenwet, en wel onder artikel 61, eerste lid van deze wet. De Geneesmiddelenwet gebruikt het begrip ter hand stellen, waar de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening nog het begrip afleveren bezigde. Onder terhandstelling wordt verstaan “het rechtstreeks verstrekken of doen toekomen aan de patiënt voor wie het geneesmiddel is bestemd…” Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake, nu de geneesmiddelen rechtstreeks zijn verstrekt aan de pseudokoper “[naam pseudokoper]”.

Hiermee staat de strafbaarheid van het feit vast.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 december 2006, te Breda, tezamen en in vereniging met een ander,

als personen, die niet bevoegd zijn tot uitoefening der artsenijbereidkunst, opzettelijk geneesmiddelen, te weten:

-100 potjes voorzien van het opschrift Nolvadex, elk bevattende 100

tabletten met daarin de stof tamoxifen en

-100 flesjes voorzien van het opschrift Testosteron enanthate, elk

bevattende 10 milliliter met daarin de stof testosteron enanthaat en

-99 potjes voorzien van het opschrift Clenbuterol, elk bevattende 100

tabletten met daarin de stof clenbuterol en

-100 flesjes voorzien van het opschift Primobolan depot, elk bevattende 10

milliliter met daarin de stof methenolon enanthaat heeft afgeleverd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geldboete van € 2.500,- met aftrek van voorarrest naar rato van € 50,- per dag.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat vanwege het tijdsverloop en de daadwerkelijke rol van verdachte hooguit een voorwaardelijke straf op zijn plaats zou zijn.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 22 december 2006 samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het afleveren van diverse soorten anabole steroïden, terwijl beide verdachten hiertoe niet bevoegd waren. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het om een ernstig feit, nu uit medisch onderzoek is gebleken dat het gebruik van dergelijke middelen kan leiden tot het ontstaan van tumoren, hetgeen voor de gezondheid van de afnemers vanzelfsprekend zeer ernstige gevolgen kan hebben. Verdachte heeft hier blijkens zijn handelswijze geen enkel moment bij stilgestaan en heeft slechts gehandeld uit eigenbelang, namelijk het feit dat hij snel geld wilde verdienen.

Zoals door de officier van justitie is betoogd, worden voor soortgelijke feiten normaliter werkstraffen opgelegd. Gelet op de hoeveelheden waar het in deze zaak om gaat, zou een werkstraf van 150 uur in dit geval passend zijn. De rechtbank zal er echter rekening mee houden dat in deze zaak sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn en om die reden een geldboete opleggen.

Omgerekend zou een werkstraf van 150 uur inhouden een vervangende hechtenis van

75 dagen, ofwel een geldboete van € 8.000,-. De rechtbank zal echter ook rekening houden met de hoogte van de aangeboden transactie, te weten € 2.500,-. Voorts zal de rechtbank een lagere straf opleggen omdat zij verdachte partieel vrijspreekt van het bereiden van de geneesmiddelen en ten aanzien van het afleveren van de middelen boldenone undecyclate en benzylis benzoas. Ten slotte laat de rechtbank in het voordeel van verdachte meewegen dat hij een blanco strafblad heeft.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een geldboete van € 2.000,- met aftrek van voorarrest naar rato van € 50,- per dag een passende sanctie is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2, 31 en 37 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en de artikelen 61 en 134 van de Geneesmiddelenwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 2.000,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete naar rato van € 50,- per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pick, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

3 november 2010.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 22 december 2006, te Breda, althans in het arrondissement

Breda, in ieder geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander,

althans alleen, als (een) perso(o)n(en), die niet bevoegd zijn/is tot

uitoefening der artsenijbereidkunst, opzettelijk geneesmiddelen, te weten:

-100 potjes voorzien van het opschrift Nolvadex, (elk) bevattende 100

tabletten met daarin de stof tamoxifen en/of

-100 flesjes voorzien van het opschrift Boldenone undecylate, (elk) bevattende

10 milliliter met daarin de stof boldenone undecylate en/of

-100 flesjes voorzien van het opschrift Testosteron enanthate, (elk)

bevattende 10 milliliter met daarin de stof testosteron enanthaat en/of

-99 potjes voorzien van het opschrift Clenbuterol, (elk) bevattende 100

tabletten met daarin de stof clenbuterol en/of

-100 flesjes voorzien van het opschift Primobolan depot, (elk) bevattende 10

milliliter met daarin de stof methenolon enanthaat en/of

-2 flacons voorzien van het opschrift Benzylis benzoas, (elk) bevattende 5

liter met daarin de stof benzylbenzoaat,

heeft bereid en/of heeft afgeleverd;

(artikel 2 lid 3 van de toenmalige Wet op de Geneesmiddelenvoorziening,

strafbaar gesteld in artikel 1 onder 1e van de Wet op de economische delicten)

art 2 lid 3 Wet op de Geneesmiddelenvoorziening