Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO2970

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-10-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
10/3372
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand EU-burger

Verzoekster bezit de Duitse nationaliteit en is langer dan 3 maanden in Nederland. Dat zij als ‘economisch niet-actief’ aangemerkt kan worden staat niet in de weg aan bijstandsverlening. Het is niet aan verweerder, maar aan de IND om, indien bijstand wordt aangevraagd en verleend, te bezien of dit consequenties heeft voor het verblijfsrecht. Het recht op bijstand voor deze rechtmatig in Nederland verblijvende EU-burger moet uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van artikel 11, lid 2, WWB en artikel 24 van de Richtlijn 2004/38/EG. Ingevolge lid 1 van artikel 24 geniet iedere EU-burger dezelfde behandeling als de onderdanen van het gastland. In lid 2 zijn drie uitzonderingen hierop opgenomen inzake het recht op sociale bijstand: a. gedurende de eerste drie maanden, b. gedurende de verlengde zoekperiode voor werk­zoekenden en c. voor studerenden die niet tot de beroepsbevolking behoren. Verzoekster valt niet onder deze uitzonderingen, zodat zij op grond van artikel 11, lid 2, WWB in aanmerking komt voor bijstand.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/457
RV20100089 met annotatie van Minderhoud P.E. Paul
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 3372 WWB VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekers],

wonende te Tilburg, verzoekers,

gemachtigde mr. A.W.M. van de Wouw,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 4 augustus 2010 (bestreden besluit) inzake hun recht op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Tevens hebben zij op 17 augustus 2010 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 september 2010, waarbij verzoekers zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde en namens verweerder [woordvoerders verweerder] aanwezig waren.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontvangt sinds augustus 2009 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Hij is op 5 november 2009 gehuwd met [naam echtgenote], die de Duitse nationaliteit bezit. Verzoekers hebben verweerder op 28 juni 2010 verzocht de bijstandsuitkering van verzoeker te herzien naar een bijstandsuitkering voor beiden naar de norm voor gehuwden (beide partners rechthebbend).

Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen en medegedeeld dat de bijstandsuitkering naar de norm gehuwden met een niet-rechthebbende partner wordt voortgezet. Hieraan is ten grondslag gelegd dat verzoekster als EU-burger gelet op de GBA code 28 tot de kring economisch actieven zou behoren. Verweerder is echter uit onderzoek gebleken dat verzoekers niet aan de voorwaarden voldoen om als economisch actieven aangemerkt te worden. Zij komen derhalve niet in aanmerking voor een normherziening van de uitkering.

2.2 Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat verzoekster rechtmatig in Nederland verblijft, op grond van haar verblijfsaantekening gelijk gesteld dient te worden met een Nederlander zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid van de WWB en derhalve aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering. Verzoekers wijzen er daarbij op dat het aan de IND is om te beoordelen of aan het beroep op bijstand verblijfsrechtelijke gevolgen worden verbonden. Zolang de IND dat niet heeft gedaan moet de gemeente uitgaan van rechtmatig verblijf en een bijstandsuitkering verstrekken.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen waarbij verweerder wordt opgedragen hen te behandelen als hadden zij recht op een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt.

Voor zover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Artikel 11, eerste en tweede lid, van de WWB luidt als volgt:

1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heet sinds 1 december 2009 het "Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie".

In artikel 20, eerste lid, van dit Verdrag is - voor zover hier van belang - bepaald dat een burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van dit Verdrag heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van de Richtlijn 2004/38/EG luidt als volgt:

Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt.

Artikel 14 van de Richtlijn 2004/38/EG luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. […]

2. Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden. […]

3. Een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het socialebijstandsstelsel van het gastland leidt niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel.

4. In afwijking van de leden 1 en 2 en onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VI, kan in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien:

a) de burgers van de Unie werknemer of zelfstandige zijn, of

b) de burgers van de Unie het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken. In dit geval kunnen zij niet worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.

Artikel 24 van de Richtlijn 2004/38/EG luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. […]

2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14 , lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

2.5 Aan de voorzieningenrechter ligt ter voorlopige beoordeling voor of verweerder het verzoek om een herziening van de bijstandsnorm terecht heeft afgewezen.

De vraag of verzoekster al dan niet in aanmerking komt voor bijstand moet worden beantwoord aan de hand van artikel 11, tweede lid van de WWB. Dit artikellid opent de mogelijkheid tot bijstandverlening aan in Nederland woonachtige en hier rechtmatig verblijvende vreemdelingen. De gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG zijn hiervan uitgezonderd.

Ter beantwoording ligt allereerst de vraag voor of verzoekster rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Zoals ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 13 juni 2006, LJN AY3868) vloeit de rechtmatigheid van het verblijf van een EU-onderdaan rechtstreeks voort uit het gemeenschapsrecht zoals dat is neergelegd in het EG-verdrag en de daaruit voortvloeiende richtlijnen en verordeningen. EU-onderdanen hebben dus geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te kunnen verblijven. Een eventueel aan een EU-onderdaan verstrekt verblijfsdocument heeft daarom geen rechtscheppend, maar slechts een declaratoir karakter. Dit betekent dat het bestuursorgaan bij de beoordeling van het recht op bijstand van EU-onderdanen niet kan volstaan met een verwijzing naar door de vreemdelingendienst afgegeven verblijfscodes in de GBA, maar dat het zelfstandig dient na te gaan of de belanghebbende rechtmatig in Nederland verblijft.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster de Duitse nationaliteit heeft en dus ingevolge artikel 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie als EU-burger in beginsel rechtmatig in Nederland verblijft.

In de Richtlijn 2004/38/EG zijn nadere voorwaarden en beperkingen opgenomen met betrekking tot dit verblijf.

Deze Richtlijn is bij Wet van 7 juli 2006 in de WWB geïmplementeerd door wijziging van artikel 11 van de WWB. Daarbij is aan het tweede lid van artikel 11 de zinsnede toegevoegd “met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG”.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster geen recht op bijstand heeft omdat zij niet als economisch actief kan worden aangemerkt.

De voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder hiermee doelt op artikel 7 van de Richtlijn. en overweegt (onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Wet van 7 juli 2006, Kamerstukken II, zitting 2005/06, 30493 nr. 3 pagina 3) als volgt.

Artikel 7 van de Richtlijn heeft betrekking op een verblijf van langer dan 3 maanden doch korter dan 5 jaar in een ander EU-land. Niet in geschil is dat verzoekster ten tijde in geding (28 juni 2010) langer dan 3 maanden doch korter dan 5 jaar in Nederland verbleef.

Artikel 7 onderscheidt een drietal categorieën: a. economisch actieven, b. niet-actieven en c. studerenden. Ten aanzien van categorie b geldt als voorwaarde voor het verblijfsrecht dat betrokkene over voldoende eigen bestaansmiddelen zal moeten kunnen beschikken. Het verblijfsrecht eindigt, ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn, wanneer niet langer aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Uit het derde lid van artikel 14 volgt evenwel dat een beroep op bijstand niet automatisch tot gevolg heeft dat het verblijfsrecht wordt beëindigd en betrokkene het land moet verlaten. Aan de verblijfsbeëindiging op die grond dient een expliciete beslissing vooraf te gaan, waarbij rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden van het geval en waarbij, overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, het proportionaliteitsbeginsel in acht dient te worden genomen. Zolang er geen beslissing is genomen tot beëindiging van het verblijfsrecht, bestaat er ingevolge artikel 24 van de Richtlijn recht op bijstand op dezelfde voorwaarden als voor Nederlanders gelden.

Anders dan verweerder stelt, staat de status van verzoekster als "niet-actieve" naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet in de weg aan bijstandsverlening. Het is niet aan verweerder, maar aan de IND om, in geval bijstand wordt aangevraagd en verleend, te bezien of dit consequenties heeft voor het verblijfsrecht van verzoekster.

Het recht op bijstand moet door verweerder uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van artikel 11, tweede lid, van de WWB in samenhang met artikel 24 van de Richtlijn.

2.7 Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Richtlijn geniet iedere EU-burger dezelfde behandeling als de onderdanen van het gastland.

Artikel 24, tweede lid, bevat een beperking daarop met betrekking tot het recht op sociale bijstand (kort samengevat):

- gedurende de eerste drie maanden van het verblijf;

- gedurende de verlengde zoekperiode voor werkzoekenden;

- voor studerenden die niet tot de beroepsbevolking behoren.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster langer dan drie maanden in Nederland verblijft en dat zij geen studerende is. Verder is ter zitting duidelijk geworden dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster ook geen werkzoekende EU-burger is. Derhalve valt zij niet onder de uitzonderingen die zijn neergelegd in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn. Dit betekent dat verzoekster op gelijke voet als in Nederland woonachtige Nederlanders op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB in aanmerking komt voor bijstand.

2.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de bijstandsuitkering van verzoeker te wijzigen naar de norm voor gehuwden. Het bestreden besluit zal naar verwachting dan ook in rechte geen stand kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Nu niet is gebleken van enige andere belemmering voor bijstandsverlening, zal verweerder worden opgedragen aan verzoekers bijstand te verstrekken naar de norm voor gehuwden.

2.9 Nu het verzoek wordt toegewezen dient het griffierecht aan verzoekers te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekers, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag. Omdat verzoekers op toevoeging procederen moet dit bedrag aan de griffier worden betaald, waarvoor een acceptgiro zal worden toegezonden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder met ingang van 28 juni 2010 aan verzoekers bijstand verleent naar de norm voor gehuwden;

bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar;

gelast dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. M.Ch. Grazell, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 7 oktober 2010