Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO2764

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
224895 KG ZA 10-542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

aanbesteding taxivervoer; onregelmatigheden in gunningfase?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 224895 / KG ZA 10-542

Vonnis in kort geding van 3 november 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TAXICENTRALE MIDDEN-BRABANT BV,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

advocaat mr. H.G.A.M. Spoormans,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE VIER GEWESTEN BV,

gevestigd te Tilburg,

tussenkomende partij,

advocaat mr. A.L. Appelman.

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DONGEN,

zetelend te Dongen,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GILZE EN RIJEN,

zetelend te Rijen,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GOIRLE,

zetelend te Goirle,

4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LOON OP ZAND,

zetelend te Kaatsheuvel,

5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE NOORD-BRABANT,

zetelend te 's-Hertogenbosch,

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HILVARENBEEK,

zetelend te Hilvarenbeek,

7. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WAALWIJK,

zetelend te Waalwijk,

8. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OISTERWIJK,

zetelend te Oisterwijk,

9. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE TILBURG,

zetelend te Tilburg,

gedaagden,

advocaat mr. A.J.H.W. Coppelmans.

Partijen zullen hierna ook TCMB, DVG en gedaagden genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Mr. Appelman heeft namens DVG per faxbericht van 13 oktober 2010 verzocht om in dit geding primair te mogen tussenkomen, subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van gedaagden. Partijen hebben zich hiertegen niet verzet. De gemeenten erkennen dat DGV een zelfstandig belang heeft om tussen te komen. Nu partijen zich niet tegen het verzoek van DGV om in dit geding te mogen tussenkomen hebben verzet, en de voorzieningenrechter het zelfstandig belang van DVG bij het verzoek tot tussenkomst onderkent, wordt dit verzoek toegestaan.

1.2. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de eiswijziging,

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van TCMB,

- de pleitnota van DVG, tevens houdende conclusie van eis,

- de pleitnota van gedaagden.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. TCMB vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. gedaagden verbiedt gevolg te geven aan de gunningbeslissing ten gunste van DVG;

2. gedaagden gebiedt –voor zover zij de opdracht nog wenst op te dragen- de opdracht te gunnen aan TCMB;

Subsidiair: gedaagden gebiedt de onderhavige aanbestedingsprocedure te staken en –voor zover zij de opdracht wenst op te dragen- de opdracht opnieuw aan te besteden met in achtneming van het Bao en de algemene aanbestedingsbeginselen;

Meer subsidiair: een maatregel/maatregelen treft die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet/doen aan de belangen van TCMB;

Primair en subsidiair:

1. een direct opeisbare dwangsom van Euro 100.000,-- oplegt voor elke overtreding van een opgelegd gebod respectievelijk verbod;

2. gedaagden veroordeelt in de kosten van deze procedure, met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis.

2.2. DVG vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad TCMB niet-ontvankelijk verklaart, althans haar vorderingen afwijst en de gemeenten gebiedt de opdracht definitief te gunnen aan DGV, althans de gemeenten verbiedt de opdracht aan ieder ander dan DGV te gunnen, alles met veroordeling van TCMB in de kosten van dit geding.

2.3. Gedaagden voeren verweer.

3.De feiten

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. De gemeente Tilburg heeft, mede namens de overige gedaagden, op 27 juli 2010 een opdracht voor, kort samengevat, regietaken en feitelijke uitvoering van regiotaxivervoer gepubliceerd op de Aanbestedingskalender en de Europese databank TED.

b. Het aanbestedingsdocument vermeldt ten aanzien van de beoordelingsprocedure in paragraaf 3.4 ondermeer:

De beoordelingsprocedure bestaat uit een ronde met twee processtappen. In de eerste stap wordt beoordeeld of de inschrijving voldoet aan het Aanbestedingsdocument.

Hiertoe wordt beoordeeld:

(…)

•of de inschrijver voldoet aan de geschiktheidcriteria zoals vermeld in Bijlage 1; Indien een inschrijver naar het oordeel van de Aanbestedende Dienst niet heeft aangetoond aan vorenbedoelde geschiktheideisen te voldoen, komt de inschrijver niet voor gunning in aanmerking;

•of de Inschrijving is geschied in overeenstemming met de eisen gesteld aan de voorwaarden gesteld in dit aanbestedingsdocument; Inschrijvingen die niet aan deze eisen voldoen zijn ongeldig;

(…..)

c. De gemeenten verlangen in deze aanbesteding van de inschrijver een relevante referentie om aan te tonen dat deze beschikt over voldoende ervaring. Deze referentie eis is door middel van rectificaties meerdere malen gewijzigd en in de eerste nota van inlichtingen onder vraag 1 als volgt nader toegelicht:

“Inlichtingen en formaliteiten om na te gaan of aan de vereisten is voldaan:

Eventueel vereiste minimumeisen: Een specificatie van tenminste een referentieopdracht bij te voegen, verricht gedurende de laatste drie jaar met een gemiddelde omzetwaarde van Euro 4.500.000,--.

In deze specificatie dienen minimaal de volgende gegevens opgenomen te worden:

1. Naam, contactpersoon, NAW-gegevens en telefoonnummer van de opdrachtgever;

2. De ingangsdatum en looptijd van de referentieopdracht;

3. De financiële waarde van de opdracht;

4. Gedetailleerde omschrijving van de regiotaxi vervoersopdracht, de WMO vervoersopdracht of zittend ziekenvervoeropdracht;

5. Indien van toepassing de gedeelten van de opdracht die in onderaanneming zijn uitgevoerd, met vermelding van namen, contactpersoon, NAW-gegevens van de onderaannemers.

Een tevredenheidverklaring van de opdrachtgever van de gespecificeerde referentieopdracht bij te voegen bij de inschrijving, (mede) ondertekend door de opdrachtgever, waaruit blijkt dat de referentieopdracht tijdig en naar tevredenheid is verricht.

Als referentieopdracht wordt beschouwd: Uitvoering van een Regiotaxi vervoersopdracht, WMO vervoersopdracht of zittend ziekenvervoeropdracht;

- onder uitvoering kan worden verstaan: de uitvoering en/of aansturing van de regie;

en/of

- het uitvoeren en/of aansturen van het rijden van de Regiotaxiritten, WMO ritten of zittend ziekenvervoerritten.(…)

d. DGV heeft bij haar inschrijving een brief bijgevoegd van haar opdrachtgever Bestuur Regio Utrecht (BRU), gedateerd 26 mei 2010 met als onderwerp “tevredenheidverklaring” en met de navolgende inhoud:

“Sinds 14 augustus 2007 verzorgt DGV met haar Franchisenemers het vervoer van het OV product “Regio-taxi Utrecht” in het vervoergebied van Bestuur Regio Utrecht. Maandelijks rijden zij ruim 29.000 ritten van de totaal 40.000 ritten.

Het overleg met DVG en haar franchisenemers is goed. Men is betrokken bij Regiotaxi Utrecht en in geval van problemen wordt er in overleg naar een oplossing gezocht. Afspraken worden nagekomen en het aanleveren van de gewenste managementinformatie gebeurt maandelijks en tijdig.

Mede dankzij de houding van DVG en haar franchisenemers kreeg de uitvoering van Regiotaxi Utrecht in het laatst gehouden klanttevredenheidonderzoek een gemiddeld rapportcijfer van 7,6.

Dagelijks wordt nog gewerkt aan verdere verbeteringen van Regiotaxi Utrecht. Bestuur Regio Utrecht verklaart met deze brief tevreden te zijn over de uitvoering van Regiotaxi Utrecht door DVG en haar franchisenemers.”

e. BRU heeft de genoemde opdracht aan DGV inmiddels met drie jaar verlengd.

f. Gedaagden hebben op 13 september 2010 aan TCMB bericht dat zij voornemens zijn om de opdracht aan DVG te gunnen.

4. De beoordeling

4.1. TCMB stelt zich op het standpunt dat DVG een ongeldige inschrijving heeft gedaan omdat de door DVG als referentie overgelegde opdracht “Regiotaxi Utrecht” niet kan voldoen aan de referentie-eis omdat:

a. “Regiotaxi Utrecht” niet gedurende de vereiste drie jaar wordt uitgevoerd.

b. “Regiotaxi Utrecht” niet voldoet aan de vereiste gemiddelde omzet van Euro 4,5 miljoen per jaar;

c. DVG niet zelfstandig voldoet aan de referentie-eis en ook geen beroep op bekwaamheden derden heeft gedaan met betrekking tot de referentie-eis;

d. de tevredenheidverklaring van de referentie niet voldoet;

e. DVG nog geen drie jaar bestaat;

TCMB grondt haar vorderingen op de stelling dat zij -voor zover de gemeenten de opdracht nog wensen te gunnen- recht heeft op de onderhavige opdracht, omdat de inschrijving van DGV ongeldig is en TCMB als tweede is geëindigd bij de beoordeling van de inschrijvingen.

4.2. De gemeenten en DVG hebben de stellingen van TCMB weersproken. Hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd zal hierna per stelling aan de orde komen.

4.3. DGV heeft de opdracht “Regiotaxi Utrecht” niet gedurende de vereiste drie jaar uitgevoerd

4.3.1. TCMB stelt dat de door DVG overgelegde tevredenheidverklaring niet voldoet aan de eis dat een referentie betrekking dient te hebben op werk dat gedurende drie jaar is verricht en wel in de jaren 2007, 2008 en 2009. Dit laatste blijkt uit vraag 2 van de eerste Nota van Inlichtingen. De door DVG aangeboden referentie inzake “Regiotaxi Utrecht” wordt echter pas sinds 15 augustus 2007 uitgevoerd en dit betekent dat de referentie geen volwaardige drie jaar is uitgevoerd zoals vereist voor de jaren 2007, 2008 en 2009, maar voor een termijn van slechts twee jaar en 4,5 maanden.

4.3.2. De gemeenten stellen dat uit het rekenvoorbeeld gegeven bij vraag 3 van de eerste Nota van Inlichtingen en vraag 3 van de tweede Nota van Inlichtingen blijkt dat zij niet hebben beoogd 1 januari 2007 als ingangsdatum vast te stellen. De referentie over de laatste drie jaren mocht in de jaren 2007 tot en met 2009 zijn, maar ook in de jaren 2007 tot en met 2010, als daarmee sprake kan zijn van drie hele contractsjaren. Zij stellen voorts dat DGV in Bijlage B9 heeft verklaard in de jaren 2007-2013 in opdracht van het BRU tezamen met haar franchisenemers het vervoer “Regiotaxi Utrecht” uit te voeren, welke opdracht derhalve ruim voldoet aan de vereiste minimale omvang. Dat de tevredenheidverklaring op het moment van het afgeven op 26 mei 2010 nog niet een looptijd van drie jaar kon bestrijken, doet niet af aan het feit dat de gemeenten met de opgave van de referentieopdracht en de tevredenheidverklaring hebben kunnen vaststellen dat de referentieopdracht op het moment van inschrijving op 7 september 2010 voldeed aan de gestelde eisen.

4.3.3. DGV stelt dat zij uit vraag 3 van de eerste Nota van Inlichtingen heeft mogen afleiden dat zij aan de referentie eis voldoet. Die vraag luidt: “Wij voeren gedurende de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 een regiotaxicontract uit in onderaanneming, waarvan we alleen de uitvoering doen dus niet de regie. De omzet hiervan overstijgt de 4.500.000 Euro per jaar. Voldoen we hiermee aan de gestelde referentie opdracht, zoals beschreven in 2.7?”

Antwoord: “Ja, hiermee voldoet u aan de referentie eis.”

DGV stelt dat zij de referentie opdracht, die is aangevangen op 14 augustus 2007, daadwerkelijk al drie jaar had uitgevoerd op het moment van aanbesteding. Nu de BRU al op 22 februari 2010 te kennen had gegeven dat zij de opdracht met drie jaar wenste te verlengen omdat de BRU zeer tevreden was over DVG stond bovendien reeds toen vast dat DVG de referentie opdracht in totaal zes jaar zal uitvoeren.

4.3.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder de formulering “de laatste drie jaar” niet slechts de kalenderjaren 2007, 2008 en 2009 vallen. De behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver mocht daarbij ook 2010 als relevant tijdvak meerekenen. De gemeente heeft overigens onweersproken gesteld dat blijkens de inschrijvingen zeven van de acht inschrijvers dit zo hebben begrepen. Indien dit anders zou zijn dan zou uitsluitend een tijdvak van exact 1 januari 2007 tot 31 december 2009 kwalificeren als geschikt voor een referentie.

In de aanbesteding is de referentie eis als volgt omschreven: Een specificatie van tenminste een referentieopdracht bij te voegen, verricht gedurende de laatste drie jaar met een gemiddelde omzetwaarde van Euro 4.500.000,--.

De in de omschrijving gebruikte woorden “bij te voegen” zijn voor de behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver een aanwijzing dat de periode van drie jaar zich mag uitstrekken tot de uiterste datum van inschrijving. De datum waarop uiterlijk moest worden ingeschreven was na verlenging: 7 september 2010. Nu DVG vanaf 15 augustus 2007 de opdracht voor BRU uitvoert, staat vast dat DVG op 7 september 2010 gedurende meer dan drie jaar de opdracht voor BRU uitvoerde.

Dat de door DGV overgelegde tevredenheidverklaring van BRU is gedateerd op 26 mei 2010 en zodoende slechts betrekking kan hebben op een periode van twee jaar, negen maanden en 12 dagen en niet op een periode van drie jaar, zoals TCMB stelt, is op zich juist. Vast staat echter dat op de datum van inschrijving de referentie opdracht door DGV

reeds meer dan drie jaar werd uitgevoerd en dat die referentie opdracht door BRU met drie jaar was verlengd, te weten tot medio augustus 2013. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gemeenten uit laatst genoemde omstandigheden mochten afleiden dat DGV op de datum 7 september 2010 gedurende drie jaar de opdracht naar volle tevredenheid had uitgevoerd.

4.4. “Regiotaxi Utrecht” voldoet niet aan de vereiste gemiddelde omzet van Euro 4,5 miljoen per jaar

4.4.1. TCMB stelt dat het vervoer voor Regiotaxi Utrecht is opgedeeld in drie percelen en dat uitsluitend de percelen 1 en 2 worden uitgevoerd door de franchisenemers van DVG.

Volgens TCMB wordt door DVG een gemiddelde omzet van ca Euro 3,3 miljoen per jaar behaald indien wordt uitgegaan van de periode 15 augustus 2007 tot 31 december 2009. Bovendien gaat een gedeelte van de omzet naar de franchisenemers.

4.4.2. De gemeenten voeren als verweer dat DGV heeft opgegeven dat zij met haar vervoerders vanaf 14 augustus 2007 gedurende de afgelopen drie jaren (14 augustus 2007 t/m 7 september 2010, aanbestedingsdatum) een omzet heeft behaald die gemiddeld boven de Euro 4.500.000,00 per jaar ligt. Uitgaande van het aantal ritten (29.000 per maand) dat in de tevredenheidverklaring wordt genoemd tegen een marktconforme prijs voldoet de referentie daarmee aan deze eis, en was er in ieder geval geen aanleiding voor de gemeenten om te veronderstellen dat niet aan de minimale omvang wordt voldaan, zodat zij de referentie als geldig mochten beoordelen.

4.4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat de gemeenten, uitgaande van de door hen als hiervoor onder r.o. 4.4.2. bepaalde periode, aan de hand van de aantallen ritten en een marktconforme ritprijs hebben mogen concluderen dat aan de eis werd voldaan.

De benaderingen van TCMB gaan uit van een andere, door TCMB voorgestane periode, terwijl, zoals hiervoor onder r.o. 4.3 e.v. is overwogen, moet worden uitgegaan van de periode van 14 augustus 2007 t/m 7 september 2010, aanbestedingsdatum.

4.5. DVG voldoet niet zelfstandig aan de referentie-eis en heeft ook geen beroep op bekwaamheden derden gedaan met betrekking tot de referentie-eis

4.5.1. TCMB stelt dat DGV in haar inschrijving heeft vermeld dat zij zelfstandig, dus zonder inzet van onderaannemers, aan de gestelde referentie-eis kan voldoen, zodat een beroep op de bekwaamheden van derden ten aanzien van de gestelde referentie-eis dus niet aan de orde is. Voor zover DGV zich op het standpunt zou stellen dat zij impliciet een beroep heeft gedaan op de ervaring van haar onderaannemers/franchisenemers dan gaat dit beroep niet op. TCMB voert hiertoe aan dat het vaste jurisprudentie is dat een ondernemer die ervaring in combinatie met derden heeft opgedaan, deze ervaring niet aan zichzelf kan toe-eigenen zonder ook daadwerkelijk gebruik te gaan maken van de betreffende derden bij de uitvoering van de opdracht. Dit geldt eens te meer nu DVG feitelijk geen vervoer uitvoert.

4.5.2. De gemeenten stellen dat het aanbestedingsdocument niet de eis stelt dat de inschrijver ten aanzien van de referentieopdracht de enige contractant van de opdrachtgever zou moeten zijn en dat de opdracht volledig door haar zou moeten worden uitgevoerd.

Volgens de gemeenten is de uitleg van TCMB ook onbegrijpelijk omdat TCMB zelf een referentie heeft opgegeven die zij niet zelfstandig, maar in onderaanneming uitvoert.

De gemeenten merken in dit verband nog op dat het reeds bij de beoordeling van de inschrijving duidelijk was dat DGV de referentieopdracht “ Regiotaxi Utrecht” tezamen met een ander en voorts met behulp van onderaannemers uitvoerde en dat DGV ook de namen van de onderaannemers heeft genoemd waarvan zij gebruik maakt om te voldoen aan de technische bekwaamheden. Volgens de gemeenten is geborgd dat DGV verantwoordelijk is voor een deugdelijke uitvoering van de overeenkomst omdat DGV hoofdaannemer is en de gemeenten door middel van de B3 verklaringen ter nakoming van de vervoersovereenkomst ook deze onderaannemers aanspreken.

4.5.3. DGV stelt dat zij de referentie als een eigen referentie mag opvoeren, omdat zij daadwerkelijk de contractspartij is van de BRU die in combinatie met haar franchisenemers heeft ingeschreven en het bestek niet vereist dat de referentie opdracht volledig zelfstandig moet worden uitgevoerd. Volgens DGV is het gebruikelijk om per regio andere vervoerders in te schakelen en zal DGV voor de onderhavige opdracht dezelfde vervoerders inschakelen die thans de opdracht van de gemeenten uitvoeren voor de huidige contractant.

4.5.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt:

Het bestek vereist niet dat de inschrijver de referentie opdracht volledig zelfstandig moet hebben uitgevoerd. DVG verzorgde blijkens de referentie van BRU vergelijkbare dienstverlening, als eindverantwoordelijke voor de uitvoering. Bij een opdracht als de onderhavige, met deze omvang, is het voor een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver duidelijk dat de uitvoering van de feitelijke ritten in de provincie Noord-Brabant niet door dezelfde taxi bedrijven kan plaatsvinden als de bedrijven die de uitvoering hebben verzorgd van de referentieopdracht in Utrecht. Terecht stelt DVG dat die opvatting het onaanvaardbare gevolg zou hebben dat enkel de taxibedrijven die in de aanbestede regio al werkzaam waren voor de soortgelijke regio-taxi als referentie zouden mogen meetellen.

4.6. De tevredenheidverklaring van de referentie van DVG voldoet niet

4.6.1. TCMB stelt dat DGV niet het vereiste format “Certificaat behorende bij bijlage B9” heeft bijgevoegd bij haar inschrijving, omdat BRU in haar tevredenheidverklaring heeft nagelaten de periode “van .. tot …” aan te geven. Bovendien is de tevredenheidverklaring niet recent ondertekend en dateert zelfs van voor de datum waarop de EG-publicatie van de onderhavige opdracht is verschenen.

4.6.2. De gemeenten stellen dat aan de tevredenheidverklaring van de referent in het aanbestedingsdocument geen format-eisen zijn gesteld en dat de actualiteit van de tevredenheidverklaring is gewaarborgd door de ondertekening door DVG van Verklaring B9.

4.6.3. De voorzieningenrechter overweegt dat de stelling van de gemeenten dat de eis van gebruik van dit format niet wordt gesteld juist is. Formulier B9 moet worden ingezonden door de inschrijver, en het certificaat moet blijkens de laatste regel van dit B9 formulier worden bijgevoegd. Dat certificaat is dus (kennelijk) de tevredenheidverklaring.

Nu de stelling van de gemeenten dat DVG dienovereenkomstig heeft gehandeld niet is weersproken faalt deze grondslag van eis.

4.7. DVG bestaat nog geen 3 jaar

4.7.1. Volgens TCMB is DVG pas op 10 september 2008 opgericht en kan zij dus feitelijk niet beschikken over een referentie die zij gedurende de laatste drie jaar zelfstandig heeft uitgevoerd. De overeenkomst met BRU is destijds kennelijk ondertekend door de (huidige) DGV Holding BV, maar deze rechtspersoon is bij de onderhavige opdracht geen inschrijver.

4.7.2. De gemeenten voeren als verweer dat zij ermee bekend waren dat DGV op 10 september 2008 is ontstaan door splitsing van de toenmalige De Vier Gewesten BV, aangezien DVG bij haar inschrijving uittreksels van het Handelsregister had bijgevoegd.

De gemeenten stellen dat DGV door overgang onder algemene titel in alle rechten en plichten van de voormalige De Vier Gewesten BV, thans De Vier Gewesten Holding BV is getreden en dat alle activiteiten van deze BV in 2008 zijn overgegaan naar de nieuw opgerichte DGV, waaronder de vervoersovereenkomst met het BRU.

DGV voegt daar nog aan toe dat de splitsing een interne reorganisatie betrof en er voor contractspartijen niets is veranderd, omdat de overeenkomsten die zij met DVG Holding hadden gesloten, nu worden uitgevoerd door DVG, die dezelfde zekerheden en garanties biedt.

4.7.3. De voorzieningenrechter overweegt dat naar vaste jurisprudentie van de RvA (Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland) geldt dat na een acquisitie een beroep kan worden gedaan op kennis en ervaring van de verworven onderneming, mits bij de acquisitie alle activiteiten, inclusief personeel en materieel, zijn overgenomen. Ditzelfde dient te gelden in het geval van een splitsing. Nu de splitsing onbestreden is en de splitsingsakte van 9 september 2008 vermeldt dat alle vermogensbestanddelen, waaronder de vervoersovereenkomst met BRU, van DVG Holding onder algemene titel zijn overgegaan naar DVG, mag DGV zich beroepen op de kennis en ervaring van DGV Holding.

4.8. Nu niet is gebleken van onregelmatigheid in de fase van de gunning worden de door TCMB gevorderde voorzieningen als ongegrond geweigerd.

4.9. De door DGV ingestelde vordering sub 2, die ertoe strekt de opdracht definitief aan DGV te gunnen zal worden toegewezen.

5. De kosten

5.1. TCMB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de gemeenten en van DGV.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

In de hoofdzaak:

6.1. wijst de vorderingen af;

6.2. veroordeelt TCMB in de proceskosten aan de zijde van de gemeenten tot op heden begroot op EUR 1.079,00;

In de tussenkomst;

6.3. gebiedt gedaagden de opdracht definitief te gunnen aan DVG;

6.4. veroordeelt TCMB in de proceskosten aan de zijde van DVG tot op heden begroot op EUR 1.079,00;

In de hoofdzaak en in de tussenkomst:

6.5. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Leijten en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van de Kreeke-Schütz op 3 november 2010.?