Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO2517

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-11-2010
Datum publicatie
01-11-2010
Zaaknummer
02/800237-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal van goederen uit auto, twee pogingen tot afpersing (gepleegd op de snelweg) en beschadiging van een auto.

150 uur werkstraf + 120 dagen gevangenisstraf w.v. 65 dagen voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800237-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Kalle, advocaat te Middelburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 oktober 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Van Setten, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander een diefstal (met geweld) en/of een poging tot afpersing heeft gepleegd dan wel een persoon

heeft bedreigd;

Feit 2: samen met een ander een auto heeft vernield of beschadigd;

Feit 3: samen met een ander middels een brief heeft geprobeerd een persoon af te persen.

3 De voorvragen

- De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde onder feit 1 primair onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig is aangezien onder A en B twee strafbare feiten naast elkaar zijn tenlastegelegd met een verschillend oogmerk, terwijl die feiten gelijktijdig zijn gebeurd. Dit kan volgens de raadsman alleen maar middels een alternatieve tenlastelegging. Dit moet volgens de raadsman tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1 primair leiden.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen.

De rechtbank vermag niet in te zien waarom de feiten onder 1 A en 1 B niet naast elkaar tenlastegelegd kunnen worden. Uit deze tenlastelegging zelf blijkt niet dat de feiten gelijktijdig gepleegd zouden zijn. Mocht uit het dossier blijken dat dit wel zo is, dan kan vrijspraak van de variant volgen die niet te bewijzen valt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat van een innerlijk tegenstrijdige dagvaarding, zoals de raadsman heeft gesteld, geen sprake is.

De dagvaarding is daarom geldig.

- De rechtbank is bevoegd.

- De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

- Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht van feit 1, gelet op de aangifte van de heer [slachtoffer], de derde verklaring van mevrouw [betrokkene] en de gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een diefstal met geweld (zoals onder A tenlastegelegd) heeft gepleegd. Zij acht de derde verklaring van mevrouw [betrokkene], afgelegd op 1 juni 2010, betrouwbaar.

Ook feit 2, de vernieling van de auto van [slachtoffer], acht zij wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer] en voornoemde verklaring van mevrouw [betrokkene].

Ten slotte acht de officier van justitie feit 3, de poging tot afpersing van [slachtoffer] middels een brief, gepleegd samen met een ander, wettig en overtuigend bewezen. Verdachte erkent immers dat hij de brief, die in het dossier zit, heeft geschreven en heeft gestuurd naar [slachtoffer]. Mevrouw [betrokkene] heeft verklaard de brief te hebben gezien en de envelop te hebben geschreven. De woorden in de brief dat tot incasso wordt overgegaan als [slachtoffer] niet met het voorstel van verdachte akkoord gaat, zijn, mede gelet op de hele situatie, buitengewoon bedreigend, aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is ten aanzien van feit 1 van mening dat de verklaring van mevrouw [betrokkene] van 1 juni 2010 niet geloofwaardig is. Deze verklaring is ingegeven door wrokgevoelens, waardoor zij verdachte een hak heeft willen zetten. Volgens de raadsman moet uitgegaan worden van de tweede verklaring van mevrouw [betrokkene] van 2 april 2010 en van de verklaring van verdachte. Aangever is namelijk, waarschijnlijk uit schaamte voor het feit dat hij seks met een prostituee had gehad, niet volledig in zijn verklaring en deels ongeloofwaardig. Verdachte is achter de auto van verdachte aangereden om met woorden verhaal te halen. Hij wilde dat aangever betaalde voor de bewezen diensten. Duidelijk is dat verdachte goederen heeft meegenomen en onder zich heeft gehouden, maar hij wilde ze terug geven en heeft niet het oogmerk gehad zich deze goederen toe te eigenen. Hij heeft ook geen knuppel uit de auto meegenomen en het is het slachtoffer geweest die de aanrijding heeft veroorzaakt. Hij heeft geen geweld gebruikt voor de diefstal van deze goederen, maar heeft de overige handelingen zoals die in de tenlastelegging staan vermeld, verricht om verhaal te halen en niet om de goederen te stelen. Er bestaat dan ook geen causaal verband tussen de diefstal van de goederen en de tenlaste gelegde geweldshandelingen, aldus de raadsman.

Voor zover het onder B tenlaste gelegde, de poging tot afpersing dan wel poging tot diefstal met geweld van 50 euro, aan de orde mocht komen, is de raadsman van mening dat er sprake was van een overeenkomst en dat verdachte wellicht de grenzen van hetgeen maatschappelijk betamelijk is, heeft overschreden, maar dat dit ook het geval was bij [slachtoffer] die immers niet wilde stoppen, waardoor het handelen van verdachte niet wederrechtelijk was.

Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat vrijspraak dient te volgen omdat verdachte de aanrijding niet heeft veroorzaakt. Bovendien is geen sprake van vernieling, zoals de officier van justitie heeft gesteld, maar slechts van beschadiging, nu alleen een fikse kras op de auto is ontstaan door de aanrijding.

Ook feit 3, de poging tot afpersing middels het versturen van een brief, acht de raadsman niet bewezen. Verdachte heeft bedoeld te zeggen dat hij een incassobureau zou inschakelen als [slachtoffer] niet 50 euro en de schade aan zijn auto zou betalen. Hij heeft de grenzen van hetgeen maatschappelijk nog betamelijk is, niet overschreden, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op de avond van 11 februari 2010 heeft zich op de snelweg A59 een incident voorgedaan.

Aan[slachtoffer]achtoffer], wonende in Made, heeft hierover verklaard dat hij die avond, nadat hij op de parkeerplaats ’t Vaerland was geweest, met zijn personenauto op de rechterrijstrook van de snelweg A59 reed, toen hij ongeveer een kilometer voor de stoplichten bij knooppunt Hooipolder een auto links naast hem zag komen rijden. Hij zag dat de bestuurder hem van de weg probeerde te drukken. Hij herkende de vrouw die op de passagiersstoel zat als degene die eerder op de parkeerplaats contact met hem had gehad. Hij zag dat de bestuurder van die auto met handgebaren hem probeerde duidelijk te maken dat hij moest stoppen. Vlak voor de stoplichten, die op rood stonden, zag die bestuurder kans zijn auto vlak voor hem tot stilstand te brengen, waardoor [slachtoffer] ineens hard moest remmen. Toen hij zag dat de bestuurder uitstapte, is [slachtoffer] van schrik achteruit gereden naar de vluchtstrook. Hij zag dat die bestuurder weer in zijn auto stapte en ook achteruit reed via de vluchtstrook. [slachtoffer] heeft vervolgens zijn auto weer in de 1e versnelling gezet om vooruit weg te komen, heeft gas gegeven en is onder een hoek van 45 graden de snelweg opgereden. Hij kon een botsing met de andere auto niet meer voorkomen. Hij zag vervolgens dat die andere bestuurder opnieuw uit zijn auto kwam. Hij zag dat die man een knuppel in zijn hand hield. [slachtoffer] is uitgestapt en is weggelopen bij zijn auto. Hij zag dat die man naar het opengelaten portier van zijn, [slachtoffer]’, auto liep, in de auto stapte en naar het dashboardkastje reikte. De man stapte toen uit en riep dat hij [slachtoffer] wist te wonen. Die man is toen weggereden in zijn eigen auto. Toen [slachtoffer] bij zijn auto terugkwam zag hij dat het dashboardkastje open stond en dat zijn Tom-Tom weg was. Later ontdekte hij dat zijn kentekenbewijs, zijn rijbewijs, een foedraal met daarin een alarmpistool en een doosje met bijbehorende kogeltjes was weggenomen.

Verdachte heeft toegegeven dat hij degene is geweest die die avond achter [slachtoffer] is aangereden. Volgens verdachte had zijn vriendi[betrok[betrokkene]] die als prostituee haar diensten aanbiedt, even tevoren op de parkeerplaats ’t Vaerland langs de A-59 met iemand gesproken over het hebben van seks. Volgens verdachte zou een bedrag van 50 euro afgesproken zijn die de man zou betalen voor het hebben van seks met [betrokkene] en zou de man daarna daadwerkelijk seks met [betrokkene] hebben gehad. Die persoon hebben ze even later achtervolgd op de snelweg. Hij is achter de man aangereden, omdat [betrokkene] had verteld dat die man nog niet betaald had voor de seks. Hij is op de snelweg links naast de man gaan rijden. Hij heeft hem even later net voor de stoplichten door zijn rijgedrag naar rechts gedwongen en heeft zijn auto voor de auto van aangever gezet. Hij zag dat de man achteruit de vluchtstrook opreed, waarna verdachte hetzelfde deed en zijn auto dwars op de vluchtstrook voor de auto van die man zette. De man reed zijn auto toen weer vooruit, waarna diens auto de auto van verdachte raakte. Verdachte is uitgestapt en zag dat de andere man uit zijn auto was gegaan en een eind verderop stond. Verdachte heeft naar de man geroepen dat hij dan wel spullen uit zijn auto zou pakken en dan wel wist waar hij woonde. Hij heeft toen uit de auto van de man de goederen gehaald, die aangever heeft genoemd, en deze goederen meegenomen naar huis.

Ongeveer een week later heeft hij die man een brief gestuurd om hem alsnog de kans te geven te betalen voor de diensten van [betrokkene] en de schade aan zijn auto te vergoeden.

[betrokkene] heeft over dit incident verklaard dat zij die betreffende avond op parkeerplaats ’t Vaerland heeft gesproken met een man en dat is afgesproken dat die man voor haar seksdiensten 50 euro zou betalen. Zij had met [verdachte], zijnde verdachte, de afspraak dat het geld dat zij verdiende met het hebben van seks, zou delen met hem. Toen zij achter elkaar naar de plek reden waar de seks zou plaatsvinden is de man in plaats van hen achterna te rijden de snelweg opgereden. [verdachte], zijnde verdachte, zou dat hebben gezien en is direct achter de auto van die man aangegaan. [verdachte] gaf aan dat die man gewoon ging betalen. Het lukte [verdachte] de andere auto in te halen en naast die auto te gaan rijden. [verdachte] heeft toen de auto ingehaald en ervoor geparkeerd. [verdachte] is toen uitgestapt en in de richting van de andere auto gelopen. Vervolgens is de man achteruit gaan rijden en is ook [verdachte] nadat hij terug kwam in zijn auto achteruit gaan rijden. Die man wilde toen waarschijnlijk vooruit rijden, waarna een aanrijding tussen de twee auto’s is ontstaan. [verdachte] is toen weer uitgestapt en heeft toen een houten knuppel uit de auto meegenomen. Korte tijd later kwam [verdachte] terug en had toen goederen bij zich, onder andere een kentekenbewijs van die betreffende auto.

Op enig moment heeft [verdachte] haar een brief getoond die hij had opgesteld waarin stond dat die man de kans kreeg om het afgesproken bedrag van 50 euro te betalen en tevens de schade aan de auto van [verdachte] te vergoeden. Zij heeft de envelop voor die brief geschreven en [verdachte] heeft die brief gepost.

De rechtbank stelt vast dat de verhalen van aangever, verdachte en [betr[betrokkene] voor wat betreft hetgeen op de parkeerplaats precies is gebeurd en of er al dan niet seks is geweest met aangever, uiteen lopen. Uit de verklaringen leidt de rechtbank wel af dat er in elk geval een afspraak is gemaakt over het hebben van seks. Of er daadwerkelijk seks heeft plaatsgevonden tussen aangever en [betr[betrokkene] is niet duidelijk geworden, maar is ook niet relevant. Dat aangever, mogelijk uit schaamte, heeft gelogen over het hebben van een seksafspraak, maakt nog niet dat zijn verklaring voor het overige ongeloofwaardig is. Zijn verklaring vindt ook steun in voornoemde verklaring van [betr[betrokkene].

De raadsman heeft die verklaring van [betr[betrokkene] weliswaar betwist als zijnde afgelegd uit wrokgevoelens tegen verdachte, maar de rechtbank acht die verklaring wel betrouwbaar en aannemelijk. Ze verklaart immers genuanceerd over hetgeen die avond heeft plaatsgevonden en volgt aangever ook niet op alle punten om verdachte in een kwader daglicht te stellen. Zij heeft bijvoorbeeld maar één keer gezien dat verdachte een knuppel in zijn hand had, zulks in tegenstelling tot aangever die in zijn aangifte spreekt over twee momenten dat verdachte een knuppel in zijn hand had. Het moge zo zijn dat [betr[betrokkene] kwaad was op verdachte, dat wil nog niet zeggen dat haar verklaring ongeloofwaardig is.

Bovendien acht de rechtbank geloofwaardig dat verdachte een knuppel in zijn handen heeft gehad. Verdachte heeft weliswaar ontkend dat hij een knuppel heeft gebruikt, maar hij heeft wel toegegeven dat hij een honkbalknuppel bij zijn bestuurdersstoel in zijn auto had staan ten tijde van dit incident. Dat aangever die knuppel heeft zien staan toen hij langs de voorkant van de auto van verdachte liep en daarom over die knuppel kon verklaren, zoals door de verdediging is beweerd, acht de rechtbank niet aannemelijk.

Uit voormelde verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte op de avond van 11 februari 2010 heeft geprobeerd [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 50 euro en dat hij daarbij heeft gedreigd met geweld middels de handelingen die hieronder bij de bewezenverklaring zijn vermeld. Derhalve is de onder 1B vermelde poging tot afpersing wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volgt het verweer van de raadsman niet dat het handelen van verdachte niet wederrechtelijk was. Duidelijk is dat verdachte door zijn handelen eigenrichting pleegde en daarmee de in het maatschappelijk verkeer als betamelijk geldende grenzen heeft overschreden. Dat aangever niet wilde stoppen, zoals door de raadsman naar voren is gebracht, doet hier niet aan af. De rechtbank vermag niet in te zien dat aangever door niet te stoppen, terwijl hij dreigend achterna werd gezeten door verdachte, de grenzen van het maatschappelijk betamelijke zou hebben overschreden. Zelfs als dat wel zo zou zijn, is dat geen rechtvaardiging voor een overschrijding door verdachte en blijft zijn handelen wederrechtelijk.

Voorts leidt de rechtbank uit de verklaring van verdachte af dat op het moment dat hij merkte dat aangever weg liep, zijn oogmerk om verdachte te dwingen tot afgifte van het bedrag van 50 euro, wijzigde in het oogmerk om goederen van verdachte weg te nemen. Het wegnemen van die goederen was wederrechtelijk. Verdachte wist dat die goederen van [slachtoffer] waren en dat hij geen toestemming had om die goederen weg te nemen. Bovendien is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte zich deze goederen heeft toegeëigend. Hij heeft ze immers een periode onder zich gehouden en er als heer en meester over beschikt door ze deels aan [betrok[betr[betrokkene] en deels ter bewaring aan een vriend af te geven.

De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de goederen die onder feit 1A worden genoemd met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Feit 1onder A - als zijnde diefstal zonder geweld of bedreiging met geweld – is derhalve ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank stelt, gelet op vorenstaande verklaringen, vast dat op 11 februari 2010 een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de personenauto van aangever en de auto van verdachte. De personenauto van aangever betreft een Opel Astra met kenteken [nummer].

Deze auto heeft daarbij schade opgelopen, te weten een deuk aan de rechterzijde. Deze schade is ook zichtbaar op de foto’s in het dossier op pagina 075.

Verdachte heeft, zoals hierboven is weergegeven, over het ontstaan van deze schade verklaard dat hij zijn auto dwars op de vluchtstrook voor de auto van aangever heeft gezet en dat aangever zijn auto toen weer vooruit reed, waarna diens auto de auto van verdachte raakte.

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van aangever blijkt dat hij aan verdachte wilde ontkomen en dat aan verdachte uit de manoeuvres van aangever duidelijk moet zijn geweest dat deze weg wilde komen. Door zijn auto onder die omstandigheden dwars voor de auto van aangever te zetten, heeft hij welbewust de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat zijn auto in aanrijding zou komen met de auto van aangever en dat de auto van aangever daardoor beschadigd zou raken. Het opzet van verdachte was daarmee - in voorwaardelijke zin - gericht op het veroorzaken van schade aan de auto van aangever.

De rechtbank acht derhalve feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Hoewel uit het zich in het dossier bevindende expertiserapport met betrekking tot de schade aan de auto van aangever zou kunnen blijken dat de auto van aangever als gevolg van de aanrijding total-loss is geraakt, omdat de gecalculeerde reparatiekosten hoger zijn dan de dagwaarde van deze auto, wil dit niet zeggen dat de auto van aangever vernield is. Immers niet is gebleken dat de auto van aangever niet meer te gebruiken of te repareren was.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 1B en onder 2, gelet op het verband tussen beide feiten, sprake is van een voortgezette handeling.

Ten aanzien van feit 3 stelt de rechtbank op basis van voormelde verklaringen vast dat door verdachte een brief aan aangever, wonende in Made, is verstuurd, Het proces-verbaal relaas van de politie vermeldt dat aangever [slachtoffer] op 20 februari 2010 de brief, die refereert naar het incident op 11 februari 2010, op zijn thuisadres heeft ontvangen. In de brief staat vermeld dat hij, [slachtoffer], de door verdachte meegenomen spullen retour krijgt als hij het overeengekomen bedrag van 50 euro alsnog betaalt en de door [slachtoffer] ontstane schade aan de auto van verdachte, welke schade nog niet exact bekend zou zijn, vergoedt. Voorts staat vermeld: ”Als je niet genegen bent om met dit voorstel akkoord te gaan zullen wij overgaan tot incasso.”

In de context van hetgeen op 11 februari 2010 is voorgevallen, kan deze brief bezwaarlijk anders worden gezien dan een poging om aangever [slachtoffer] te dwingen tot betaling van genoemde bedragen door te dreigen anders met geweld de bedragen te incasseren.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zo te handelen de in het maatschappelijk verkeer als betamelijk geldende grenzen heeft overschreden en daardoor wederrechtelijk heeft gehandeld.

Daarnaast concludeert de rechtbank dat verdachte deze poging tot afpersing tezamen en in vereniging met [betr[betrokkene] heeft gepleegd. De brief is immers door [betr[betrokkene] gelezen en ze heeft tevens de envelop voor deze brief geschreven. Derhalve is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene] om aangever te dwingen tot betaling.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

A)

op 11 februari 2010 in Nederland, op de openbare weg, de snelweg A59 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kentekenbewijs en een rijbewijs en een Tom Tom navigatiesysteem en een tasje met daarin een alampistool en daarbijhorende kogeltjes toebehorende aan [slachtoffer]

EN

B)

op 11 februari 2010 in Nederland, op de openbare weg, de snelweg A59, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [sla[slachtoffer], te dwingen tot de afgifte van 50 euro, toebehorende aan die [slachtoffer], daartoe

* op die snelweg achter die [slachtoffer] is aangereden en naast die [slachtoffer] is gaan rijden en die [slachtoffer] heeft gedwongen naar rechts te gaan rijden en getracht heeft die [slachtoffer] van de weg te drukken en vlak voor de stoplichten voor die [slachtoffer] is gestopt (waardoor die [slachtoffer] (abrupt/krachtig) moest remmen) en

* op die snelweg op de vluchtsstrook in zijn achteruit achter die [slachtoffer]

is aangereden en zijn, verdachte's auto dwars op de vluchtstrook voor de auto van die [slachtoffer] heeft gezet en

* op die snelweg de vrije doorgang voor die [slachtoffer] heeft geblokkeerd (tengevolge

waarvan een botsing tussen de auto van verdachte en de auto van [slachtoffer]

ontstond) en

* (vervolgens) op de snelweg die [slachtoffer] met een honkbalknuppel heeft benaderd en

* die [slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden heeft toegevoegd - zakelijk

weergegeven - dat hij, verdachte nu wist waar die [slachtoffer] woonde

en dat die [slachtoffer] (nog) (50 euro) moest betalen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 11 februari 2010 in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Opel Astra met kenteken [nummer]), toebehorende aan [sla[slachtoffer] heeft beschadigd;

3.

op 20 februari 2010 te Made, gemeente Drimmelen , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [sla[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 50 euro en een (op dat moment) nog niet bekend zijnd (ander) geldbedrag (ter hoogte van de schade aan zijn, verdachte's auto), toebehorende aan [sla[slachtoffer], daartoe een brief heeft gestuurd naar die [slachtoffer] waarin verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] opdragen/verzoeken om genoemde geldbedrag (en) (aan hem, verdachte) te betalen en die [slachtoffer] (daarbij) (in die brief) opzettelijk dreigend de woorden hebben toegevoegd: "als je niet genegen bent om met dit voorstel akkoord te gaan zullen wij overgaan tot incasso",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van 255 dagen waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt bij de straftoemeting rekening te houden met de samenloop van

de feiten 1 en 2 en de samenhang tussen alle feiten. Voorts merkt de raadsman op dat verdachte geen relevante documentatie heeft en dat de ondergane voorlopige hechtenis een preventieve werking op verdachte heeft gehad. Hij pleit voor een werkstraf, waarvan de duur afhankelijk dient te zijn van hetgeen bewezen wordt verklaard. Bij een gedeeltelijk vrijspraak dient de werkstraf lager uit te vallen dan is geëist. Tegen het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf bestaat geen bezwaar, maar deze dient wel lager uit te vallen dan de eis van de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van goederen van [slachtoffer], twee pogingen tot afpersing van deze [slachtoffer] en de beschadiging van de auto van [slachtoffer].

Alle bewezenverklaarde feiten hangen met elkaar samen.

Aanleiding voor deze feiten was een ontmoeting tussen de vriendin van verdachte, die af en toe als prostituee op een parkeerplaats werkzaam was, en aangever. Aangever en de vriendin spraken af seks met elkaar te hebben, voor welke dienst aangever 50 euro zou betalen.

Toen bleek dat aangever zich niet hield aan deze afspraak en al dan niet na het hebben van seks wegreed zonder betaald te hebben, is verdachte samen met de vriendin achter de auto van aangever aangereden om hem tot stoppen en betaling van de 50 euro te dwingen.

Verdachte is hierbij zeer dreigend te werk gegaan. Hij probeerde onder andere aangever van de weg te drukken en zette zijn auto dwars voor de auto van aangever, die in zijn drang om weg te komen, tegen de auto van verdachte aanreed. Toen aangever van zijn auto wegliep, heeft verdachte spullen uit die auto gehaald, zoals het kentekenbewijs van de auto en het rijbewijs van verdachte, waardoor hij het adres van aangever kon achterhalen. Een aantal dagen later heeft verdachte samen met zijn vriendin geprobeerd aangever af te persen door aangever een dreigende brief te sturen waarin hem werd verzocht de eerder afgesproken 50 euro en de schade aan verdachte’s auto te betalen en dat verdachte anders over zou gaan tot incasso.

De rechtbank acht dit ernstige feiten. Het gaat niet aan om op deze bedreigende manier eigen rechter te spelen wanneer een afspraak tot betaling niet wordt nagekomen. Het is goed voor te stellen dat aangever op 11 februari 2010 zeer angstige momenten heeft beleefd op de snelweg en dat bij hem ruim een week later weer hevige angstgevoelens ontstonden toen hij de brief ontving van aangever en zijn vriendin.

In het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport staat vermeld dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat en dat geen investering vanuit de reclassering noodzakelijk is, ook omdat verdachte niet gemotiveerd is tot enige gedragsverandering. Verdachte heeft voorts verklaard voor zichzelf te werken als taxateur van onroerend goed.

De rechtbank is van oordeel dat voor deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Rekening houdende met het ontbreken van een relevant strafblad, de samenhang tussen de feiten en de omstandigheid dat verdachte voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn werk, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de duur het voorarrest van 55 dagen passend en geboden.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 65 dagen, grotendeels teneinde de ernst van de feiten te benadrukken en

voor een klein deel om verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.

Voorts acht de rechtbank een werkstraf van 150 uur noodzakelijk om verdachte de ernst van de gepleegde feiten te laten inzien.

Daarmee legt de rechtbank een lagere straf op dan is geëist. Haar argument hiervoor is de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, tereijl de samenhang tussen alle feiten zeer sterk is. Tenslotte heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 45, 56, 57, 310, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 onder A: Diefstal;

feit 1 onder B: Poging tot afpersing;

feit 2: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan

een ander toebehoort, beschadigen;

feit 3: Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- bepaalt dat de feiten 1 onder B en 2 een voortgezette handeling uitmaken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Dekker en mr. Koch, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 november 2010.

Mr. Dekker is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

A)

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Geertruidenberg, althans in Nederland,

op/aan de openbare weg, de snelweg A59, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een kentekenbewijs en/of een rijbewijs en/of een Tom Tom /

navigatiesysteem en/of een tasje met daarin een alampistool en/of

daarbijhorende kogeltjes, in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan [sla[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn

mededader(s)

* op die snelweg achter die [slachtoffer] is/zijn aangereden en/of naast die

[slachtoffer] is/zijn gaan rijden en/of die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen

(naar) rechts te gaan (rijden) en/of getracht heeft/hebben die [slachtoffer] van

de weg te rijden en/of drukken en/of af te snijden en/of vlak voor de

stoplichten voor die [slachtoffer] is/zijn gestopt (waardoor die [slachtoffer]

(abrupt/krachtig) moest remmen) en/of

* op die snelweg met een honkbalknuppel en/of houten knuppel/paal(tje),

althans een daarop gelijkend voorwerp in zijn/hun hand(en) op die [slachtoffer]

is/zijn afgelopen, althans een honkbalknuppel en/of houten

knuppel/paal(tje), althans een daarop gelijkend voorwerp heeft/hebben

getoond aan die [slachtoffer] en/of

* op die snelweg op de vluchtsstrook in de/zijn achteruit achter die [slachtoffer]

is/zijn aangereden en/of zijn, verdachte's auto dwars op de vluchtstrook

voor de auto van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet/geplaatst en/of

* op die snelweg tegen de auto van die [slachtoffer] is/zijn aangereden en/of de

vrije doorgang voor die [slachtoffer] heeft/hebben geblokkeerd/beperkt

(tengevolge waarvan een botsing tussen de auto van verdachte en de auto van

[slachtoffer] ontstond) en/of (de auto van) die [slachtoffer] heeft/hebben

klemgereden en/of

* (vervolgens) op de snelweg die [slachtoffer] (wederom/nogmaals) met een

honkbalknuppel en/of houten knuppel/paal(tje), althans een daarop gelijkend

voorwerp heeft/hebben benaderd en/of

* die [slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden heeft/hebben toege-

voegd - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte nu (wel) wist waar die

[slachtoffer] woonde, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

artikel 312 wetboek van strafrecht

EN/OF

B)

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Geertruidenberg, althans in Nederland,

op/aan de openbare weg, de snelweg A59, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk

te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [sla[slachtoffer], te

dwingen tot de afgifte van 50 euro, in elk geval van een of meer goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

daartoe

* op die snelweg achter die [slachtoffer] is aangereden en/of naast die

[slachtoffer] is gaan rijden en/of die [slachtoffer] heeft gedwongen

(naar) rechts te gaan (rijden) en/of getracht heeft die [slachtoffer] van

de weg te rijden en/of drukken en/of af te snijden en/of vlak voor de

stoplichten voor die [slachtoffer] is gestopt (waardoor die [slachtoffer]

(abrupt/krachtig) moest remmen) en/of

* op die snelweg met een honkbalknuppel en/of houten knuppel/paal(tje),

althans een daarop gelijkend voorwerp in zijn hand(en) op die [slachtoffer]

is afgelopen, althans een honkbalknuppel en/of houten knuppel/paal(tje),

althans een daarop gelijkend voorwerp heeft getoond aan die

[slachtoffer] en/of

* op die snelweg op de vluchtsstrook in de/zijn achteruit achter die [slachtoffer]

is aangereden en/of zijn, verdachte's auto dwars op de vluchtstrook

voor de auto van die [slachtoffer] heeft gezet/geplaatst en/of

* op die snelweg tegen de auto van die [slachtoffer] is aangereden en/of de vrije

doorgang voor die [slachtoffer] heeft geblokkeerd/beperkt (tengevolge

waarvan een botsing tussen de auto van verdachte en de auto van [slachtoffer]

ontstond) en/of (de auto van) die [slachtoffer] heeft klemgereden en/of

* (vervolgens) op de snelweg die [slachtoffer] (wederom/nogmaals) met een

honkbalknuppel en/of houten knuppel/paal(tje), althans een daarop gelijkend

voorwerp heeft benaderd en/of

* die [slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden heeft toegevoegd - zakelijk

weergegeven - dat hij, verdachte nu (wel) wist waar die [slachtoffer] woonde

en/of dat die [slachtoffer] (nog) (50 euro) moest betalen en/of (naar hem,

verdachte) moest komen omdat die [slachtoffer] nog (50 euro /geld) moest

betalen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair: indien en voorzover het vorenstaande onder B niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Geertruidenberg, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer]

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling, immers

* is/zijn, verdachte en/of zijn mededader(s) op de snelweg A59 achter die

[slachtoffer] aangereden en/of naast die [slachtoffer] gaan rijden en/of

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) op de snelweg A59 die

[slachtoffer] gedwongen (naar) rechts te gaan (rijden) en/of getracht die

[slachtoffer] van de snelweg A59 te rijden en/of drukken en/of af te snijden

en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) op de snelweg A59 vlak voor

de stoplichten voor die [slachtoffer] gestopt (waardoor die [slachtoffer]

(abrupt/krachtig) moest remmen) en/of

* is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) op de snelweg A59 met een

honkbalknuppel en/of houten knuppel/paal(tje), althans een daarop gelijkend

voorwerp in zijn/hun hand(en) op die [slachtoffer] afgelopen, althans

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een honkbalknuppel en/of

houten knuppel/paal(tje), althans een daarop gelijkend voorwerp getoond aan

die [slachtoffer] en/of

* is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) op de snelweg A59 op de

vluchtstrook in de/zijn achteruit achter die [slachtoffer]

aangereden en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) zijn,

verdachte's auto dwars op de vluchtstrook voor de auto van die [slachtoffer]

gezet/geplaatst en/of

* is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) op de snelweg A59 tegen de

auto van die [slachtoffer] aangereden en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s) de vrije doorgang voor die [slachtoffer] geblokkeerd/beperkt

(tengevolge waarvan een botsing tussen de auto van verdachte en de auto van

[slachtoffer] ontstond) en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (de

auto van) die [slachtoffer] klemgereden en/of

* heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) op de snelweg

A59 die [slachtoffer] (wederom/nogmaals) met een honkbalknuppel en/of houten

knuppel/paal(tje), althans een daarop gelijkend voorwerp benaderd en/of

* heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] opzettelijk

dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte

nu (wel) wist waar die [slachtoffer] woonde en/of dat die [slachtoffer] (nog) (50

euro) moest betalen en/of (naar hem, verdachte) moest komen omdat die

[slachtoffer] nog (50 euro /geld) moest betalen, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking,

artikel 285 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Geertruidenberg, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

en wederrechtelijk een auto (Opel Astra met kenteken [nummer]), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [sla[slachtoffer], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 20 februari 2010 te Made, gemeente Drimmelen en/of te

Terneuzen en/of te Vleuten, gemeente Utrecht en/of elders in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [sla[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 50 euro

en/of een (op dat moment) nog niet bekend zijnd (ander) geldbedrag (ter hoogte

van de schade aan zijn, verdachte's auto), althans van een of meer

geldbedrag(en), in elk geval van een of meer goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [sla[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe

een brief heeft gestuurd naar die [slachtoffer] waarin verdachte en/of zijn

mededader(s) die [slachtoffer] opdragen/verzoeken om genoemde geldbedrag(en)

(aan hem, verdachte) te betalen en/of die [slachtoffer] (daarbij) (in die/een

brief) opzettelijk dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "als je niet

genegen bent om met dit voorstel akkoord te gaan zullen wij overgaan tot

incasso",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht