Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO1112

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
09/4971
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BR1448
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vraag of artikel 109a van de APV onverbindend is, wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord. Artikel 109a van de APV heeft niet het door eiser gestelde effect dat de belijding van godsdienst illusoir wordt en is niet in strijd met artikel 6 van de Grondwet. De wijze waarop verweerder het klokgelui voor een deel van het etmaal door artikel 109a van de APV aan banden legt, wordt toegestaan door artikel 10 Wet openbare manifestaties. Nu artikel 109a van de APV niet onverbindend is en verweerder gelet op de geluidsmetingen terecht heeft geconstateerd dat eiser dat artikel heeft overtreden, was verweerder bevoegd handhavend op te treden. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig om van handhaving af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 4971 GEMWT

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de pastoor van de parochie H. Margarita Maria Alacoque (parochie),

wonende te Tilburg, eiser,

gemachtigden mr. P.L.J.M. van Dun en mr. R.J.G. Ensink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 28 oktober 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 23 oktober 2009 met kenmerk GODRIWI/PU09_10325885 (bestreden besluit), inzake een aan eiser opgelegde last onder dwangsom.

Verweerder heeft – onder verwijzing naar artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – ingestemd met eisers verzoek om rechtstreeks beroep bij de rechtbank.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:54a, eerste lid, van de Awb.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 september 2010. Eiser en zijn gemachtigden waren daarbij aanwezig. Verweerder werd vertegenwoordigd door [woordvoerder verweerder].

2. Beoordeling

2.1 Eiser leidt als pastoor de diensten in de kerk op het perceel [adres] (kerk). Aldaar vindt dagelijks om 7.30 uur een kerkdienst plaats. In dit kader luidt eiser dagelijks vanaf 7.15 uur de klok.

Een aantal omwonenden heeft aan verweerder gevraagd een einde aan deze praktijk te maken. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder onderzoek laten verrichten, om te bezien hoeveel geluid het klokgelui produceert. Op basis van dit onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat artikel 109a van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Tilburg 2005 (APV) onder meer op 26 mei 2009 en 27 mei 2009 is overtreden.

Bij besluit van 7 juli 2009 met kenmerk GOOOSIN/1588/PU09_10304543 heeft verweerder het bestuur van de parochie gelast om na 26 juli 2009 het klokgelui vanuit de kerk te staken en gestaakt te houden, voor zover dit meer geluid veroorzaakt dan ingevolge artikel 109a van de APV is toegestaan. Verweerder heeft aan de last een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding verbonden, met een maximum van € 50.000,-.

Per brief van 12 augustus 2009 heeft het bestuur van de parochie bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2009 gemaakt. In het aanvullend bezwaarschrift van 9 september 2009 heeft het bestuur van de parochie – onder verwijzing naar artikel 7:1a van de Awb – onder meer verzocht om het bezwaar van 12 augustus ter behandeling als beroep door te zenden aan de rechtbank.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – in reactie op het aanvullend bezwaarschrift van 9 september 2009 – eiser gelast om na 26 oktober 2009 het klokgelui vanuit de kerk te staken en gestaakt te houden, voor zover dit meer geluid veroorzaakt dan ingevolge artikel 109a van de APV is toegestaan. Verweerder heeft aan de last een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding verbonden, met een maximum van € 50.000,-.

2.2 Eiser staat op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is om tegen overtreding van artikel 109a van de APV handhavend op te treden, en meer in het bijzonder dat artikel 109a van de APV wegens onverbindendheid buiten toepassing moet blijven. Ter ondersteuning van dit standpunt betoogt eiser allereerst dat artikel 109a van de APV de vrijheid van godsdienst meer beperkt dan artikel 6 van de Grondwet (Gw) en artikel 10 van de Wet openbare manifestaties (WOM) toelaten. Verder stelt eiser dat artikel 109a van de APV niet strookt met het bepaalde in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim).

Eiser heeft de rechtbank gevraagd om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, en om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten.

2.3 De rechtbank stelt vast dat het onderhavige geding zich beperkt tot het beroep tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft het bezwaar van 12 augustus 2009 tegen het besluit van 7 juli 2009 namelijk niet ter behandeling als beroep aan de rechtbank doorgezonden, maar slechts als een op de zaak betrekking hebbend stuk bij het verweerschrift van 23 december 2009.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit niet kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Hierbij neemt zij in aanmerking dat het besluit van 7 juli 2009 is gericht aan, en rechtsgevolgen heeft voor, andere personen dan het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook niet de herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid als waarop de bij het bestreden besluit gehandhaafde last onder dwangsom steunt.

Bovendien oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit niet tevens valt aan te merken als de intrekking van het besluit van 7 juli 2009, ook al was dit – zoals verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard – wél de bedoeling.

Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder nog een beslissing op het bezwaar van 12 augustus 2009 moet nemen, hetzij verweerder dit bezwaar alsnog ter behandeling als beroep door moet sturen aan de rechtbank. Het bestuur van de parochie heeft het bezwaar van 12 augustus 2009 namelijk niet ingetrokken, en verweerder heeft het besluit van 7 juli 2009 (nog) niet herroepen.

2.4.1 Ingevolge artikel IV van de Wet Vierde Tranche Awb (wet van 25 juni 2009, Staatsblad 2009, nummer 264) moet het voorliggende geschil worden beslecht aan de hand van de Awb zoals deze gold op 30 juni 2009. De overtredingen waarop het bestreden besluit is gebaseerd, hebben namelijk vóór 1 juli 2009 plaatsgevonden. In zoverre verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2010 met procedurenummer 200904490/1 (LJN: BL4420).

Artikel 5:21 van de Awb verstaat onder toepassing van bestuursdwang: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.4.2 Ingevolge artikel 109a van de APV is het verboden om van 23.00 uur tot 7.30 uur door middel van klokgelui dan wel op andere wijze op te roepen tot gebed, in de zin van artikel 10 van Wet openbare manifestaties, met een geluidsniveau dat meer dan 10 dB(A) ligt boven de normen uit het Barim en meer dan 10 dB(A) boven het referentieniveau van de omgeving.

2.4.3 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Gw heeft ieder het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Gw kan de wet ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10, eerste volzin, van de WOM bepaalt dat klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zijn toegestaan.

Artikel 10, tweede volzin, van de WOM bepaalt dat de gemeenteraad bevoegd is ter zake regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau.

2.5 De rechtbank oordeelt dat artikel 109a van de APV de in artikel 10, tweede lid, van de WOM omschreven bevoegdheid niet overschrijdt. Daartoe overweegt zij het volgende.

Artikel 10, tweede lid, van de WOM laat toe dat de gemeenteraad het geluidsniveau van klokgelui voor het gehele etmaal aan banden legt. Dit betekent dat de gemeenteraad niet handelt in strijd met artikel 10, tweede lid, van de WOM indien hij het geluidsniveau van het klokgelui voor een deel van het etmaal aan banden legt. Uit de door verweerder ingezonden parlementaire stukken – met name de nota naar aanleiding van het eindverslag over het toenmalige wetsontwerp (Kamerstukken II 1987-1988, 19 427, nummer 8, bladzijde 8) – leidt de rechtbank af dat ook de wetgever de zojuist weergegeven redenering volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet staande te houden dat artikel 109a van de APV de mogelijkheid tot – het oproepen tot – de belijding van godsdienst illusoir maakt. Tussen 7.30 uur en 23.00 uur geldt voor klokgelui helemaal geen beperking, en als vaststaand kan worden aangenomen dat ook met gedempt klokgelui in ieder geval een aantal inwoners van de parochie kan worden bereikt. Gelet hierop kent de rechtbank aan eisers klacht dat verweerder geen onderzoek naar het exacte bereik van het toegestane klokgelui heeft verricht, niet het gewicht toe dat eiser wenst.

Ter ondersteuning van het betoog dat artikel 109a van de APV de mogelijkheid tot – het oproepen tot – de belijding van godsdienst illusoir maakt, heeft eiser nog gesteld dat het voor hem onmogelijk is om het geluidsniveau van het klokgelui te beperken. De rechtbank acht echter onvoldoende aannemelijk dat eiser niet in staat is om het geluid te dempen, bijvoorbeeld door het treffen van tijdelijke maatregelen aan de klepel.

2.6 Blijkens zijn stelling dat artikel 109a van de APV niet strookt met het bepaalde in het Barim, en de daarop gegeven toelichting, staat eiser op het standpunt dat artikel 109a van de APV aan het Barim dient te worden getoetst.

De rechtbank verwerpt dit standpunt. Hierbij neemt zij in aanmerking dat artikel 109a van de APV zijn grondslag niet vindt in de Wet milieubeheer (Wm) of een tot de Wm te herleiden algemene maatregel van bestuur, maar slechts in de WOM. Daarom leidt strijd met een bepaling van het Barim – zo daarvan sprake zou zijn – op zichzelf niet tot de conclusie dat artikel 109a van de APV wegens onverbindendheid buiten toepassing moet blijven.

Overigens is evengenoemd standpunt van eiser ingegeven door de onjuiste veronderstelling dat voor hem tussen 7.00 uur en 7.30 uur de eisen gelden die op grond van artikel 2.17 van het Barim, en de in die bepaling vervatte tabel 2.17a, gelden voor de “nachtperiode” (van 23.00 uur tot 7.00 uur). Uit artikel 109a van de APV moet namelijk – zoals ter zitting door verweerders gemachtigde uitdrukkelijk is bevestigd – worden afgeleid dat eiser tussen 7.00 en 7.30 uur moet voldoen aan de eisen voor de “dagperiode” (van 7.00 uur tot 19.00 uur).

2.7 Nu de rechtbank van oordeel is dat artikel 109a van de APV niet onverbindend is en verweerder gelet op de geluidsmetingen terecht geconstateerd heeft dat eiser artikel 109a van de APV heeft overtreden, is verweerder bevoegd handhavend op te treden. Volgens vaste jurisprudentie zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Hiervan is in dit geval geen sprake.

2.8 Het beroep is ongegrond.

2.9 Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzitter, mr. C.A.F. van Ginneken en mr. S. Ketelaars-Mast, rechters, en door de voorzitter en mr. L.M. Koenraad, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen

bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019 te 2500 EA

‘s-Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 20 oktober 2010