Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO0150

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
08/2482
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting 1 van een cluster van 12

Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat bij het vaststellen van de aanslag en/of het doen van uitspraak op bezwaar enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de vervangingsreserve per ultimo van het jaar gehandhaafd kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2482

Uitspraakdatum: 6 oktober 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [plaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 1999 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. De aanslag is, na verrekening van een verlies uit voorgaande jaren van ƒ 253.668, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.369.891.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 april 2008 de aanslag gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 29 mei 2008, bij de rechtbank ontvangen op 30 mei 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6.Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2010 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [DGA onderneming B] en ing. [naam], tot bijstand vergezeld van mr. [gemachtigde], alsmede, namens de inspecteur, mr. [gemachtigden]. De zaken met procedurenummers 08/2482, 08/4183, 08/4968, 09/72, 09/73, 09/243, 09/926, 09/1164, 09/1677, 09/2461, 09/2593, 09/2761, 10/850, 10/851 en 10/852 zijn gezamenlijk behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is verstrekt.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is opgericht op [datum] 1988. De aandelen in het kapitaal van belanghebbende zijn sinds [datum] 1996 in handen van [onderneming B] B.V., welke vennootschap tevens de directie voert over belanghebbende. De aandelen in [onderneming B] B.V. zijn uiteindelijk voor 100% in handen van de heer [DGA onderneming B] (hierna: [DGA onderneming B]).

2.2.Belanghebbende heeft in het jaar 1995 een onroerende zaak verkocht en heeft daarbij een boekwinst behaald van ƒ 2.373.544. Daarvoor heeft zij een vervangingsreserve in de zin van artikel 14, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) gevormd.

2.3.Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een “Koopakte Bedrijfs Onroerend Goed” van 1 december 1999, met daarop het nummer D/134. Deze overeenkomst luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

“Ondergetekende:

[onderneming H] GmbH, (…)

hierna te noemen verkoper,

[eiseres] BV, (…)

hierna te noemen koper,

hebben op 01-12-1999 een koopovereenkomst gesloten inzake [onroerend goed F], Hallen, Bijgebouwen en Bureaugebouwen, plaatselijk bekend [adres] –Kadastraal bekend gemeente [gemeente E], no.64/1, groot 38 ha, 89 a, 383 ca, tegen een koopsom van DM 3.800.000,- (…)”

2.4.Tot de gedingstukken behoort voorts een afschrift van een rekeningafschrift van Banque Artesia Nederland van 23 april 2001. Blijkens dit afschrift heeft [onderneming R] B.V. (een 100%-groepsmaatschappij van belanghebbende) op deze datum een bedrag van DM 118.000 (ƒ 132.955,20) overgemaakt op de door [onderneming H] GmbH bij de Dresdner Bank gehouden rekening met als omschrijving: “aanbet. [onroerend goed F] [adres] [gemeente E]”.

2.5.Bij arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van [datum] 2007 is [DGA onderneming B] in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het Gerechtshof acht bewezen verklaard dat [DGA onderneming B] meermalen valsheid in geschrifte heeft gepleegd, valsheid in geschrifte heeft medegepleegd, opzettelijk onjuiste aangiften vennootschapsbelasting heeft gedaan/daaraan medeplichtig is (waaronder de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende over het onderhavige jaar), telkens ertoe strekkende dat te weinig belasting werd/zou kunnen worden geheven.

In het arrest van het Gerechtsof zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

“Vervolgens is op 11 januari 2002 een kopie van een Koopakte Bedrijfs Onroerend Goed inzake het onroerend goed [onroerend goed F] te [gemeente E] Bondsrepubliek Duitsland tussen [onderneming H] GmbH en [belanghebbende], d.d. 1 december 1999, aan de belastingdienst toegezonden (D/134).

(…)

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de Koopakte Bedrijfs Onroerend Goed D/134, zoals opgenomen in de bewezenverklaring valselijk is opgemaakt en valselijk is gedateerd en vervolgens ondertekend.”

Bij arrest van [datum] 2010 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Deze is verminderd tot 34 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1.dient de aanslag te worden vernietigd in verband met schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de inspecteur?

2.is de aanslag tot het juiste bedrag opgelegd?

3.heeft belanghebbende recht op schadevergoeding?

Belanghebbende beantwoordt de eerste en de derde vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zitting hieraan is toegevoegd verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de aanslag. Subsidiair concludeert belanghebbende tot verlaging van de aanslag tot een berekend naar een belastbare winst van ƒ 250.015 en, naar de rechtbank verstaat, een belastbaar bedrag van negatief ƒ 3.653. Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zij haar recht om een schadevergoeding te claimen laat vervallen. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen hieromtrent is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting (pagina acht).

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag

4.1.Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat het niet doen van uitspraak op bezwaar binnen de termijn van artikel 25 van de AWR, geen nietigheid van de uitspraak op bezwaar of verlaging van de aanslag tot gevolg heeft. Belanghebbende had, ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, in beroep kunnen komen zodra de inspecteur in gebreke was tijdig uitspraak te doen.

4.2.Voorts stelt belanghebbende dat zij wordt gediscrimineerd en dat de belastingdienst een hetze tegen haar voert. Dit zou onder meer blijken uit de omstandigheid dat bij alle tot het concern behorende groepsvennootschappen de vervangingsreserve is geschrapt.

Belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, maakt de juistheid van deze stelling niet aannemelijk. Allereerst merkt de rechtbank op dat de juistheid van aanslagen van groepsvennootschappen in de onderhavige zaak niet ter beoordeling staat. Voorts is van belang dat de vervangingsreserve in het onderhavige jaar, volgens de hoofdregel (zie hierna onder 4.8), dient vrij te vallen. Het is dan niet vreemd indien de inspecteur, zonder dat hij over aanwijzingen beschikt op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat genoemde hoofdregel niet van toepassing is, de vervangingsreserve schrapt. Tot slot acht de rechtbank van belang dat ten tijde van het opleggen van de onderhavige aanslag een strafrechtelijk onderzoek was gestart tegen (onder meer) belanghebbende en [DGA onderneming B] betreffende (onder meer) valsheid in geschrifte om (kort gezegd) daarmee een vervangingsreserve te onderbouwen. Daaraan doet niet af dat [DGA onderneming B] op dat moment nog niet veroordeeld was en dat belanghebbende uiteindelijk niet veroordeeld is.

4.3.Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat de inspecteur niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Zo maakt zij niet aannemelijk dat de inspecteur valsheid in geschrifte heeft gepleegd dan wel poststukken heeft verduisterd en/of vervreemd. Evenmin maakt zij aannemelijk dat de inspecteur ten onrechte beslag heeft gelegd/dit beslag ten onrechte heeft gehandhaafd op aan belanghebbende toebehorende zaken. De door belanghebbende overgelegde stukken met betrekking tot beslaglegging op onroerende zaken hebben alle betrekking op andere vennootschappen. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende overgelegde stukken met betrekking tot het afzien van verdere financiering door banken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, zowel in de aanslagfase als in de bezwaarfase, zorgvuldig gehandeld.

4.4.Belanghebbendes stelling dat de inspecteur, bij het opleggen van de aanslag en bij het doen van uitspraak op bezwaar, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht heeft geschonden en om die reden de aanslag niet in stand kan blijven, wordt door de rechtbank verworpen. De loop van de procedure in belastingzaken brengt in beginsel mee dat eventuele onzorgvuldigheden in de motivering van de bestreden aanslag en/of uitspraak op bezwaar op zichzelf niet tot vernietiging van die uitspraak/aanslag en/of vermindering van die aanslag kunnen leiden. Hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen reden in dezen anders te oordelen.

4.5.Voorts stelt belanghebbende dat de inspecteur het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Voor zover deze stelling ziet op het bij een groot aantal groepsvennootschappen afwijken van de aangifte, verwerpt de rechtbank het beroep. Zoals gezegd, is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een hetze door de belastingdienst. Bovendien staat in de onderhavige procedure slechts de aanslag vennootschapsbelasting 1999 ten name van belanghebbende ter beoordeling.

4.6.Tot slot stelt belanghebbende dat haar, voorafgaand aan gesprekken met de controleur en de inspecteur, geen cautie is gegeven en dat dit in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank overweegt dat de cautie alleen hoeft te worden gegeven indien door de controleur of de inspecteur een handeling wordt verricht jegens de belastingplichtige waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat de inspecteur een boete zal opleggen. Belanghebbende heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat een dergelijke handeling is verricht. Bovendien is bij het opleggen van de aanslag (uiteindelijk) geen boetebeschikking afgegeven.

4.7.Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de inspecteur, zodat het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag aan de inspecteur is.

Ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag

4.8.Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, wordt een vervangingsreserve uiterlijk in het vierde kalenderjaar waarin deze is ontstaan, in de winst opgenomen (hoofdregel), tenzij voor de vervanging of het herstel een langer tijdvak vereist is dan wel de vervanging of het herstel, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd.

4.9.Nu de vervangingsreserve in 1995 is ontstaan, dient deze volgens de hoofdregel in het onderhavige jaar vrij te vallen. De bewijslast ten aanzien van omstandigheden op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat voor de vervanging of het herstel een langer tijdvak vereist is of dat vervanging/herstel door bijzondere omstandigheden is vertraagd, rust op belanghebbende.

4.10.Belanghebbende heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat voor de vervanging van de onroerende zaak een langer tijdvak vereist is in verband met de aard daarvan. De rechtbank merkt op dat deze uitzondering in het leven is geroepen voor gevallen waarin de vervanging bijzonder tijdrovend kan zijn, zoals bij verkoop en aanschaf van een industrieel complex, en dat niet uit de stukken kan worden afgeleid dat van een dergelijke situatie sprake is.

4.11.Naar het oordeel van de rechtbank maakt belanghebbende evenmin aannemelijk dat per ultimo 1999 reeds een begin van uitvoering is gegeven aan de vervanging van de onroerende zaak. Belanghebbende wijst in dit verband op de in 2.3 genoemde overeenkomst met [onderneming H] GmbH. Aan deze overeenkomst komt in elk geval wat betreft de datering ervan naar het oordeel van de rechtbank geen bewijskracht toe, nu de strafrechter tot in hoogste instantie heeft geoordeeld dat deze valselijk is opgemaakt en valselijk is gedateerd en vervolgens ondertekend. Voorts wijst belanghebbende op het bestaan van een Duitstalig “kaufvertrage”. Hij heeft echter verzuimd deze in het geding te brengen zodat ook dit geen bewijsmiddel is dat steun kan bieden aan het standpunt van belanghebbende. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in het in 2.5 genoemde arrest heeft overwogen dat het “kaufvertrage” niet kan worden aangemerkt als een koopovereenkomst, maar als een “Angebot” en dat geen overeenkomst tot stand is gekomen nu niet is gebleken dat het aanbod binnen 30 dagen is aanvaard. Daarnaast stelt belanghebbende dat er, met betrekking tot de in Duitsland gelegen onroerende zaak, in de jaren 2000 en 2001 verzekeringspremies zijn betaald, in het jaar 2002 een notariële akte is opgemaakt en in het jaar 2002 een huur- koopovereenkomst is gesloten met een leasemaatschappij. De rechtbank overweegt dat belanghebbende deze stellingen tegenover de betwisting door de inspecteur niet met bewijsmiddelen heeft geschraagd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Bovendien wordt met de hiervoor vermelde gebeurtenissen die in de jaren 2001 en 2002 hebben plaatsgevonden, niet aannemelijk gemaakt dat in 1999 reeds een begin van uitvoering is gegeven aan de vervanging van de onroerende zaak. Tot slot stelt belanghebbende dat [onderneming R] B.V. de in 2.4 genoemde betaling namens belanghebbende heeft verricht ter zake van de aanschaf van de in Duitland gelegen onroerende zaak. De rechtbank overweegt dat, zou uit het in 2.4 genoemde rekeningafschrift al kunnen worden afgeleid dat namens belanghebbende is betaald, daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat in 1999 een begin van uitvoering is gegeven aan de vervanging van de onroerende zaak.

4.12.Gelet op het vorenoverwogene heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat de vervangingsreserve in 1999 niet vrij dient te vallen.

4.13.Het gelijk ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag is derhalve aan de inspecteur.

Conclusie

4.14.Gelet op al het vorenoverwogene, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. M.L. Weerkamp en mr. R.W. Otto, rechters, en door de voorzitter en mr. I. van Wijk, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19 oktober 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.