Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BO0034

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
02/004676-03 [P
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor onder andere witwassen middels money transfers en wisseltransacties.

Bij de bepaling van de straf is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/004676-03 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum 1970] te [plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 en 28 september 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een geldbedrag van € 2.336.344,00 heeft witgewassen door middel van money transfers en een geldbedrag van 258.520,00 Britse ponden heeft witgewassen door middel van wisseltransacties en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

feit 2: Western Union money transferformulieren valselijk heeft opgemaakt;

feit 3: een bedrag van € 50.000,00 en/of 36.910,00 Britse ponden heeft witgewassen;

feit 4: een bedrag van $ 30.000,00 heeft geheeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De gevoerde verweren

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De zaak is volgens de raadsman aangevangen op grond van een bericht uit Amerika dat bij het ministerie van financiën zou zijn binnengekomen. Dat bericht zou inhouden dat er vanuit Nederland geld zou worden overgemaakt door mensen met Arabisch klinkende namen. Nu hier geen nader onderzoek is gedaan, is er gehandeld in strijd met het Edwards-beginsel en dient het openbaar ministerie naar de mening van de raadsman niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Een volgende reden voor niet-ontvankelijkheid is volgens de raadsman gelegen in de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft daartoe een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 11 juli 2008 overgelegd waarin de advocaat-generaal, na overleg met en toestemming van het college van procureurs-generaal, heeft gerequireerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege termijnoverschrijding. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat, gezien dat arrest, ook de rechtbank na het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 in uitzonderlijke gevallen nog tot niet-ontvankelijkheid vanwege termijnoverschrijding moet kunnen komen. In aanvulling op het arrest van het gerechtshof Amsterdam heeft de raadsman nog gewezen op de gevolgen voor verdachte van de zeven jaar die hij in onzekerheid heeft geleefd.

Ook op grond van het dossier dient de officier van justitie naar de mening van de raadsman niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het dossier is volgens de raadsman een dossier van onwaarde omdat het is gebaseerd op niet onderbouwde vermoedens, suggesties en conclusies van verbalisanten, omdat er sprake is van vele incongruenties en omdat er een kennelijk meinedig proces-verbaal, te weten een proces-verbaal van 1 april 2005 met betrekking tot de verklaring van [getuige 1], in is opgenomen. Een dossier dat feiten en omstandigheden bevat waarvan niet met zekerheid kan worden gesteld dat die feiten en omstandigheden naar waarheid zijn bevonden, is in flagrante strijd met de goede procesorde en levert grove veronachtzaming van de rechten van verdachte op een eerlijk proces op, aldus de raadsman.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat hem door de rechtbank op 18 november 2009 het recht is onthouden om de volgens hem nog niet vernietigde geheimhoudergesprekken in te mogen zien, terwijl het verzoek eerder in een klaagschriftprocedure op 17 december 2003 is toegewezen.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende onderzoek is gedaan. Zo is de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 2.300.000,00 niet voldoende onderzocht. In de voetballerij gaat veel zwart geld om en er blijkt van geen enkel verband tussen verdachte en medeverdachte [mededader 1]. Verdachte had naar de mening van de raadsman op geen enkel moment hoeven te vermoeden dat het geld niet afkomstig zou zijn van de voetballerij. Ook is niet onderzocht hoeveel money transfers er in totaal vanuit het postagentschap zijn verzonden. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat uit de in beslag genomen computer door de verbalisanten moet zijn vastgesteld dat er door verdachte ook voor tonnen euro’s money transfers zijn gedaan naar landen in Afrika. Het nalaten van dermate ontlastende informatie, die volgens de raadsman bekend moet zijn bij de opsporingsinstanties, is in strijd met de goede procesorde en levert een grove schending op van de rechten van de verdachte op een eerlijk proces. Ook op grond hiervan dient het openbaar ministerie volgens de raadsman niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat het onderzoek is aangevangen naar aanleiding van een groot aantal money transfers op naam van medeverdachte [mededader 2] naar verschillende personen in Jamaica en Curaçao. Op één dag werden meestal meerdere money transfers verricht. Deze werden allemaal gedaan vanuit het postagentschap aan de Heksenakker te Breda. Bij elkaar ging het om 413 money transfers voor een totaal bedrag van meer dan 2,3 miljoen euro. Daarnaast was er sprake van een melding die eind februari 2003 bij de criminele inlichtingen eenheid was binnen gekomen en op 26 mei 2003 aan de politie is gerapporteerd.

De rechtbank gaat uit van de in het dossier weergegeven aanvang van het onderzoek, nu niet is gebleken dat het onderzoek is gestart op grond van andere redenen. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat de verklaring van getuige [getuige 2], over het blokkeren van money transfers op basis van een terroristenlijst, een algemene verklaring betreft en niet specifiek ziet op de start van dit onderzoek. Daarnaast verklaart de getuige [getuige 3] van Western Union juist dat de aanleiding voor het blokkeren van de money transfers afkomstig van [mededader 2] niet zag op een terroristenlijst maar op de hierboven reeds weergegeven hoeveelheid money transfers op één dag door één persoon. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman ten aanzien van de start van het onderzoek.

Vooropgesteld wordt dat elke verdachte recht heeft op afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, te weten twee jaar nadat de termijn aanvang heeft genomen.

De rechtbank stelt vast dat die termijn in onderhavig geval is gaan lopen op 22 september 2003, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld. Het einddossier is ingeleverd in juni 2007. Op 28 januari 2008 is de zaak voor het eerst op zitting aangebracht. Uit het bovenstaande volgt dat in totaal nu ongeveer zeven jaar zijn verstreken sinds 22 september 2003. De oorzaak van het verstrijken van een deel van die tijd valt toe te rekenen aan de verdediging. Op grond van het dossier en hetgeen door de officier van justitie ter zitting is aangegeven, kan voorts worden vastgesteld dat de oorzaak van het verstrijken van een deel van de tijd valt toe te rekenen aan het openbaar ministerie.

Dat er in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het voorgaande vast. Echter, anders dan door de raadsman is betoogd, dient dit evenwel niet tot de conclusie te leiden, ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het door de raadsman overgelegde arrest maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In dat arrest was sprake van een periode van vijf jaar na het instellen van het hoger beroep waarin niets was gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier niet het geval. Er is steeds sprake geweest van enig onderzoek, er zijn getuigen gehoord door de politie in 2004, 2005 en 2006, het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten in 2007, en in 2008, 2009 en 2010 zijn er wederom getuigen gehoord, deze keer door de rechter commissaris. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman betreffende de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank acht het proces-verbaal van 1 april 2005 met betrekking tot de verklaring van [getuige 1] niet meinedig. In het proces-verbaal is opgenomen dat de Jamaicaanse politie aantekeningen heeft gemaakt bij het verhoor van die [getuige 1]. Dat [getuige 1] later zelf ook haar eigen verklaring op schrift heeft gesteld, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af en maakt het eerder opgemaakte proces-verbaal daarom niet meinedig.

Daarnaast zien de door de raadsman aangehaalde punten die zouden leiden tot een dossier van onwaarde naar het oordeel van de rechtbank op de waarde die aan de verschillende processen-verbaal wordt gehecht in het kader van het bewijs en niet op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Los van de vraag of er sprake is van niet onderbouwde vermoedens en incongruenties, kan naar het oordeel van de rechtbank, op grond van hetgeen de raadsman daartoe heeft aangevoerd, niet worden gesteld dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Ook hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de geheimhoudergesprekken levert naar het oordeel van de rechtbank geen schending van de rechten van verdachte op, nu de beslissing van de rechtbank van 18 november 2009 inhield dat de raadsman de door hem gewenste tapgesprekken op het politiebureau kon gaan uitluisteren. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de raadsman deze gesprekken dan ook niet onthouden.

Ten slotte is er naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende onderzoek verricht naar de voetballerij als mogelijke herkomst van het geld. Er zijn onder andere voorzitters van voetbalclubs en zaakwaarnemers gehoord. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet naar voren komt dat er onderzoek is gedaan naar de totale hoeveelheid aan money transfers die vanuit het postagentschap van verdachte zijn verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijk onderzoek echter niet nodig in het kader van deze zaak omdat het hier specifiek gaat over de money transfers op naam van een en dezelfde persoon naar Jamaica. De rechtbank verwerpt daarom ook dit verweer van de raadsman.

Nu al hetgeen de raadsman voor het overige, dat wil zeggen naast zijn beroep op overschrijding van de redelijke termijn, heeft aangevoerd naar het oordeel van de rechtbank geen grove schending oplevert van de rechten van verdachte, kan dit alles op zichzelf staand noch in onderlinge samenhang bezien leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Gelet op het voorgaande is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

feit 1 en 2

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

Dat het geld voor de money transfers van misdrijf afkomstig is, blijkt volgens de officier van justitie uit de wijze van verzenden, het verhullen van de rechthebbenden, het valselijk gebruik van de handtekening van verdachte, het afzien van de geblokkeerde € 200.000,00 en het ontbreken van enige aanwijzing dat het geld een legale herkomst zou kunnen hebben. De officier van justitie heeft ten aanzien van de wijze waarop de money transfers werden verzonden, gewezen op de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5], zijnde medewerkers van het postagentschap. Uit hun verklaringen volgt volgens de officier van justitie dat verdachte vaak Engelse ponden wisselde. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat uit het ALD computersysteem van de Postbank is gebleken dat de wisseltransacties elkaar op sommige dagen in hoog tempo opvolgden. Naar de mening van de officier van justitie kan het, gezien deze handelswijze gecombineerd met de wijze waarop verdachte binnen een tijdsbestek van vier maanden 413 money tranfers heeft uitgevoerd, niet anders zijn dan dat de gewisselde ponden afkomstig zijn van misdrijf.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte alle money transfers en wisseltransacties heeft uitgevoerd op een wijze die volstrekt afwijkt van en ingaat tegen de bij verdachte bekende interne regels van de Postbank. Het origineel van de money transfer of wisseltransactie blijft normaal op het kantoor en de doorslag gaat met de klant mee. Het is dus niet normaal om doorslag en origineel aan te treffen op het postagentschap. Ook geven de gewisselde bedragen en het aantal malen dat er is gewisseld geen normaal beeld van een postagentschap van die grootte. De officier van justitie heeft hierbij gewezen op de verklaring van getuige [getuige 6], destijds security coördinator bij TPG Post, en de verklaring van de getuige [getuige 7] van Postkantoren B.V.

Verder heeft verdachte alle money transfers op naam van [mededader 2] verricht en voorzien van een valse handtekening.

Gelet op deze omstandigheden kan volgens de officier van justitie geconcludeerd worden dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was.

De officier van justitie heeft nog opgemerkt dat verdachte zelf wisselend, onjuist en ontwijkend heeft verklaard over de money transfers en (de herkomst van) het aangetroffen geld. Voor het overige is de strekking van de verklaringen van verdachte dat iedereen die bezwarend over hem heeft verklaard, liegt, omdat ze iets persoonlijks tegen hem zouden hebben of dat hen door de politie woorden in de mond zijn gelegd, aldus de officier van justitie.

Vooralsnog kan deze wijze van verklaren volgens de officier van justitie slechts worden uitgelegd in de zin dat verdachte dat doet met het doel om de ware herkomst van het geld te verhullen. Dat betekent naar de mening van de officier van justitie dat de eigen verklaringen van verdachte tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat het geld afkomstig is van misdrijf en dat verdachte dat heeft geweten.

feit 3

De officier van justitie is van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van het witwassen van € 50.000,00 te komen en vraagt om verdachte daarvan vrij te spreken.

Het witwassen van £ 36.910,00 acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen. Tegen de achtergrond van hetgeen hij bij feit 1 en 2 heeft aangevoerd, kan volgens de officier van justitie worden geconcludeerd dat verdachte ook wist dat de ponden afkomstig zijn van misdrijf. De wijze van verpakken, verbergen en buiten de administratie houden zegt naar de mening van de officier van justitie genoeg.

feit 4

De officier van justitie acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten [verdachte] en [mededader 4] schuldig heeft gemaakt aan heling van $ 30.000,00 en baseert zich daarbij op de verklaringen van de getuige [getuige 8] en van medeverdachte [mededader 4] en het feit dat [mededader 4] en [mededader 2] in het postagentschap kwamen. De officier van justitie heeft daartoe gewezen op de verklaring van getuige [getuige 9].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft opgemerkt dat verdachte niet wordt verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met de voorschriften van de Postbank, terwijl hij daar eindeloos over is doorgevraagd. Daarnaast was de vraagstelling door de politie gericht op het ontduiken van de wet Melding Ongebruikelijke Transacties, terwijl die grens op € 12.500,00 ligt en de grens voor een money transfer al op € 7.000,00. De raadsman heeft vervolgens de vraag aangehaald of er zoveel money transfers per dag mogen worden gedaan en aangevoerd dat nergens uit blijkt dat het niet mag.

De raadsman heeft gewezen op de verklaring van getuige [getuige 8] en aangevoerd dat zij psychotisch is en dat op haar verklaring geen enkel bewijs is te bouwen. Toen hij haar hoorde in Amerika, slikte ze volgens de raadsman tien keer de toegestane hoeveelheid psychofarmacum per dag.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman erop gewezen dat zowel verdachte als medeverdachte [mededader 2] hebben verklaard dat ze nooit $ 30.000,00 van [getuige 8] hebben gekregen, laat staan gewisseld hebben.

Vervolgens heeft de raadsman opgemerkt dat er een getuige is gehoord aan wie in het kader van een bargain-proces in Amerika toezeggingen zijn gedaan in zijn eigen belang. Naar de mening van de raadsman moet men zich hierbij afvragen wat de waarde van een dergelijke verklaring is in het Nederlandse bewijsrecht.

Voorts is de aard van de valuta volgens de raadsman van geen enkele relevantie. Het gaat volgens de raadsman om geld en om de vraag of het van misdrijf afkomstig is. Het gaat niet om wat voor valuta het betrof, aldus de raadsman.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat het nalaten om bepaalde zaken te onderzoeken, indien dat tot niet niet-ontvankelijkheid leidt, dient te leiden tot vrijspraak. Naar de mening van de verdediging is in deze zaak slechts van belang of het ontwijken van de belasting door diverse voetballers de reden was voor money transfers en is voor verdachte van belang of hij mocht menen dat het geld afkomstig was van de voetballerij.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

feit 1 ten aanzien van de money transfers

In het dossier bevinden zich doorslagen van 413 money transfers waarvan het totaal van de overgemaakte bedragen per dag overeenkomt met de bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd. Van de money transfers staan er 410 op naam van medeverdachte [mededader 2] en 3 op naam van [getuige 10]. De doorslagen van de money transfers zijn, samen met enkele originele formulieren, in beslag genomen bij het postagentschap aan de Heksenakker te Breda.

De rechtbank zal de vraag moeten beantwoorden of verdachte 410 money transfers heeft verricht op naam van [mededader 2] en 3 money transfers op naam van [getuige 10], terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld afkomstig was van misdrijf.

Verdachte was destijds filiaalhouder van het desbetreffende postagentschap. Hij heeft bekend dat hij alle money transfers heeft verricht op naam van [mededader 2] en daarbij het paspoort van [mededader 2] heeft gebruikt. Over de herkomst van het geld verklaart verdachte dat het geld afkomstig was uit de voetballerij. Hij kreeg naar zijn zeggen het geld van [mededader 2], nam het geld dan mee naar het postkantoor, splitste daar vervolgens de bedragen tot maximaal 7.000 euro en verrichtte de money transfer op naam van [mededader 2] en tekende het formulier daarvan namens [mededader 2]. De 3 money transfers op naam van [getuige 10] zeggen hem niets.

De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of de 3 money transfers op naam van [getuige 10] aan verdachte kunnen worden toegeschreven. [getuige 10] heeft daarover verklaard dat zij op haar naam de money transfers van 20 en 27 februari 2003 niet heeft verricht. De handtekening onder de formulieren betreft niet haar handtekening. Wel heeft ze een lidmaatschappasje voor de videotheek van verdachte waarvoor een kopie van haar identiteitsbewijs is gemaakt. De begunstigden van de money transfers die op haar naam zijn verricht komen ook voor op de money transfers op naam van [mededader 2]. Gezien deze samenhang gaat de rechtbank er van uit dat verdachte ook de 3 money transfers heeft verricht op naam van [getuige 10] nu hij over haar identiteitsgegevens kon beschikken.

Naar de vraag of het geld, dat verdachte per money transfer in de tenlastegelegde periode heeft overgemaakt, afkomstig was van [mededader 2], is onderzoek gedaan. [mededader 2] heeft verklaard dat hij het geld voor de money transfers niet aan verdachte heeft gegeven. Hij heeft ook geen toestemming gegeven aan verdachte om in de tenlastegelegde periode op zijn naam money transfers te verrichten. Voorts zijn er diverse getuigen uit de voetballerij gehoord die iets kunnen zeggen over wat [mededader 2] met het voetballen verdiende en is er onderzoek gedaan bij de belastingdienst. Uit dit onderzoek is gebleken dat het geld niet van het voetballen van [mededader 2] afkomstig kan zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte het betreffende geld van een onbekende derde heeft ontvangen en niet van [mededader 2]. Voor het door de raadsman gesuggereerde standpunt dat [mededader 2] met het voetballen “zwart geld” zou hebben verdiend ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten.

Medewerkers van het postagentschap hebben voorts verklaard dat verdachte money transfers verrichtte zonder dat er mensen aan de balie aanwezig waren. Getuige [getuige 4] zegt dat er dagen bij waren waarop verdachte op deze wijze wel 7 à 8 money transfers verrichtte. Hij zette het computerscherm dan op een ander scherm als zij daarvan in de buurt kwam.

De rechtbank stelt op grond van de aangetroffen money transfers vast dat er per dag veel geld werd overgemaakt op naam van één afzender naar verschillende ontvangers in overwegend één land. Voor het merendeel van de money transfers betrof dit Jamaica, maar er zijn ook enkele dagen waarop er money transfers naar Curaçao en de Dominicaanse Republiek zijn verzonden.

De getuige [getuige 3], directeur bij Western Union Financial Services, heeft verklaard dat de money transfers op naam van [mededader 2] naar Jamaica opvielen vanwege de aard en de frequentie daarvan en de bedragen daarop. Het gehele bedrag was ongewoon groot.

Het is daarnaast opmerkelijk dat van een aantal van de money transfers niet alleen de doorslagen zijn aangetroffen bij het postagentschap maar ook de originelen, die doorgaans aan de klant dienen te worden meegegeven. Een dergelijke gang van zaken past bij typologieën die worden gebruikt bij het witwassen van geld.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Daarnaast is er geen legale economische verklaring gegeven voor het overmaken van grote hoeveelheden contante bedragen middels money transfers, te meer niet nu het aanmerkelijk duurder is om geld over te maken naar het buitenland via money transfers dan via girale transacties. Als het geld, zoals door verdachte is gesteld, naar de Cayman eilanden zou moeten gaan, zou het geld uiteindelijk tot twee maal toe een koerswisseling moeten ondergaan. Daarbij kan het fysiek bij zich hebben van grote sommen geld op Jamaica, dan wel Curaçao of de Dominicaanse Republiek, tot aanzienlijke risico’s leiden.

Op grond van het bovenstaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het geld voor de money transfers uit misdrijf afkomstig is en heeft verdachte dit – gelet op de wijze waarop hij dat overmaakte – ook geweten.

Gezien de hoeveelheid money transfers die verdachte gedurende een langere tijd heeft verricht, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank van het medeplegen van witwassen middels money transfers een gewoonte gemaakt.

feit 1 ten aanzien van de wisseltransacties

In het dossier bevinden zich overzichtslijsten van wisseltransacties van Britse ponden naar euro’s waarvan het totaal van het bedrag per dag in Britse ponden overeenkomt met de bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd. Alle wisseltransacties zijn uitgevoerd in het postagentschap aan de Heksenakker te Breda.

Verdachte was destijds filiaalhouder van het desbetreffende postagentschap.

De getuige [getuige 5], die in de ten laste gelegde periode werkzaam was op het postagentschap, heeft verklaard dat zij verdachte wel eens met een tas de waardekamer in zag gaan en vervolgens door verdachte werd gevraagd om Engelse ponden te tellen. Deze verklaring wordt onder meer bevestigd door de verklaring van de getuige [getuige 4], die toen eveneens werkzaam was bij het postagentschap. Daarnaast heeft [getuige 4] verklaard dat verdachte zelf regelmatig grote bedragen aan vreemde valuta wisselde in het kantoor. Hij maakte dan zelf de formulieren op en er was dan geen sprake van klanten waarvoor hij dat geld wisselde. Het ging voornamelijk om Engelse ponden. Op het einde van de dag moesten de medewerkers van het postagentschap de kas opmaken. Zij hebben daarbij regelmatig Britse ponden geteld. De benodigde formulieren waren door verdachte opgemaakt. Het vreemde geld was door verdachte zelf meegebracht.

Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij wel eens aan medewerkers de opdracht gaf om geld te tellen. De rechtbank overweegt daarnaast dat de medewerkers inzage hadden in de administratie van het postkantoor.

Uit onderzoek is gebleken dat regelmatig onjuiste formulieren werden gebruikt bij het wisselen van Engelse ponden en dat formulieren die aan klanten hadden moeten worden gegeven in de administratie van het postagentschap zijn aangetroffen.

[getuige 6], destijds security coördinator bij TPG Post, heeft daarnaast verklaard dat de werkwijze van verdachte met betrekking tot de wisseltransacties niet conform de richtlijnen van Postkantoren B.V. is en dat die richtlijnen verdachte bekend zijn middels handboeken zoals Handleiding postagentschappen en via een blad genaamd Balienieuws.

De rechtbank overweegt dat verdachte geen verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld en stelt vast dat er op één dag veel verschillende wisseltransacties werden uitgevoerd in één valuta, te weten Britse ponden.

In internationaal geldende witwastypologieën is aangegeven dat uit eerdere onderzoeken is gebleken dat het wisselen van Britse ponden in kleinere coupures buiten het Verenigd Koninkrijk vaak in relatie kan worden gebracht met de handel in verdovende middelen.

Zoals ten aanzien van de money transfers reeds is aangehaald, acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Verdachte moet dat vanuit zijn functie als postagentschaphouder hebben geweten. Ook hier ontbreekt een legale economische verklaring voor het wisselen van grote contante bedragen. Door het vervoeren van grote bedragen in contanten worden tevens ongebruikelijke veiligheidsrisico’s geaccepteerd.

Doordat verdachte het geld wisselde in hoeveelheden beneden de € 1.000,00, behoefde hij op grond van de interne richtlijnen van de Postbank de identiteit van de klant en de herkomst van het geld niet kenbaar te maken of te onderzoeken.

Op grond van het bovenstaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de Britse ponden die zijn gebruikt voor de wisseltransacties van misdrijf afkomstig zijn. Gezien de werkwijze die door verdachte werd gehanteerd, kan voor het overige worden vastgesteld dat verdachte ook wist dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Gelet op de hoeveelheid wisseltransacties die verdachte per dag heeft verricht en het aantal dagen waarop hij een dergelijke hoeveelheid wisseltransacties heeft verricht, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank van het witwassen middels die transacties een gewoonte gemaakt.

feit 2

De rechtbank verwijst ten aanzien van dit feit naar de onder feit 1 aangehaalde money transfers en de verklaringen daarover van [getuige 10] en van verdachte.

Bij vergelijking van de echte handtekening van [mededader 2] bleek dat er geen overeenkomsten bestonden tussen die handtekening en de handtekeningen op de op zijn naam gestelde money transfers.

Verdachte heeft in zijn achtste verhoor verklaard dat hij de handtekeningen op de money transfers heeft gezet en dat het niet zijn handtekening betreft. De rechtbank overweegt dat, ook als men in opdracht van iemand anders handelt, dit niet inhoudt dat men de handtekening van die ander mag gebruiken. Nu verdachte dit wel heeft gedaan, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank de money transferformulieren valselijk opgemaakt.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

feit 3 ten aanzien van € 50.000,00

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde witwassen van € 50.000,00 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard nu niet kan worden vastgesteld dat het geld afkomstig is van enig misdrijf. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

feit 3 ten aanzien van £ 36.910,00

Op 22 september 2003 werd een doorzoeking verricht in het postagentschap en de videotheek aan de Heksenakker te Breda. Bij deze doorzoeking stond in een beveiligde ruimte van het postagentschap een grote kluis. Op deze kluis lag een groot aantal videobanden opgestapeld. Achter deze stapel videobanden lag – aan het oog onttrokken – een plastic draagtas van Lidl. In deze opgevouwen draagtas zat een grote hoeveelheid bankbiljetten bestaande uit 22 bundels bankbiljetten van Engelse ponden. Het totale bedrag was 36.910 Britse ponden.

Verdachte was destijds filiaalhouder van het desbetreffende postagentschap.

[getuige 6], destijds security coördinator bij TPG Post, heeft verklaard dat de aangetroffen Britse ponden geen deel uitmaakten van de kas van het postagentschap.

Verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig was van een lening van [getuige 11] aan hem en dat hij het geld heeft geleend voor zijn woning. Hij heeft daarvoor € 90.000,00 van [getuige 11] ontvangen bestaande uit € 40.000,00 en 40.000,00 Britse ponden. De euro’s zijn opgegaan aan speculeren en gokken.

[getuige 11] heeft echter verklaard dat hij alleen een bedrag in euro’s aan verdachte heeft geleend en nooit Britse ponden aan verdachte heeft verstrekt. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen.

Verdachte heeft de rechtbank geen plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat er een bedrag in Britse ponden is aangetroffen terwijl [getuige 11] hem euro’s heeft geleend. De verklaring van verdachte acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Op grond van het bovenstaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de aangetroffen Engelse ponden van misdrijf afkomstig zijn.

feit 4

[voornaam] [getuige 8] heeft bij de politie verklaard dat ze $ 30.000 had van de opbrengst van de verkoop van XTC pillen. Ze was in Nederland en wilde het geld laten omwisselen bij [voornaam] [mededader 2], omdat ze dacht dat het postkantoor in Breda van hem was. Ze wist pas later dat het postkantoor eigendom was van [verdachte]. Tegen [voornaam] heeft ze gezegd dat het geld afkomstig was van de verkoop van XTC. [getuige 8] heeft vervolgens aan [mededader 4] gevraagd of hij het geld wilde wisselen bij [voornaam]. Zij zegt dat [mededader 4] ervan op de hoogte was dat het geld van de verkoop van XTC afkomstig was.

Deze verklaring strookt grotendeels met de verklaring van medeverdachte [mededader 4] zoals hij deze bij de politie heeft afgelegd. [mededader 4] heeft verklaard dat [voornaam] [getuige 8] een tas met ongeveer $ 30.000 voor hem wegzette en aan hem vroeg het geld om te wisselen in het postkantoor in Breda. Ze had tegen hem gezegd dat hij daar gemakkelijk kon wisselen zonder in de problemen te komen en dat het daar op een goedkopere manier gewisseld kon worden. [mededader 4] heeft daarop contact gezocht met [voornaam] en via hem een afspraak gemaakt. [voornaam] wist – aldus [mededader 4] – dat het geld van [voornaam] was. Hij heeft daarna het geld gewisseld op het postkantoor samen met [verdachte]. Hij werd door [verdachte] mee naar achteren in de kluisruimte genomen en [verdachte] telde het geld en hij kreeg daarvoor Nederlands geld terug. Hij hoefde zich niet te legitimeren noch een ontvangstbewijs te tekenen voor het verkregen geld. [mededader 4] heeft aanvankelijk verklaard dat dit wisselen heeft plaatsgevonden eind 2001, begin 2002. Later is hij op deze verklaring teruggekomen en heeft hij aangegeven dat het in 1999 moet zijn geweest.

Uit het verhoor van [mededader 4] blijkt dat hij met [voornaam] medeverdachte [mededader 2] bedoelt en dat [verdachte] een vriend van [mededader 2] is en een postagentschap in Breda heeft. Verdachte heeft verklaard dat hij filiaalhouder was van een postagentschap in Breda en bevriend was met [mededader 2].

Gelet op de verklaringen van [mededader 4] en [getuige 8], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [getuige 8] $ 30.000,00 aan [mededader 4] heeft gegeven en dat [mededader 4] dit geld, met tussenkomst van [mededader 2], bij het postkantoor van verdachte heeft gewisseld. De rol van verdachte heeft daarin bestaan dat hij het geld voor [mededader 4] daadwerkelijk heeft gewisseld. Hij heeft het geld daartoe voorhanden gehad en overgedragen. Dat het van misdrijf afkomstig geld betrof, staat naar het oordeel van de rechtbank vast op grond van de aangehaalde verklaringen. Gezien het feit dat verdachte [mededader 4] niet heeft gevraagd om een legitimatiebewijs en geen bewijs van het wisselen heeft gegeven, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verdachte vermoedde, dan wel in ieder geval had moeten vermoeden, dat het van misdrijf afkomstig geld betrof.

Verdachte heeft zich daardoor schuldig gemaakt aan medeplegen van schuldheling van $ 30.000,00.

Met betrekking tot de opmerking van de raadsman dat hij de verklaringen van [getuige 8] onbetrouwbaar acht, gezien haar geestelijke toestand tijdens het afleggen van die verklaringen, overweegt de rechtbank nog als volgt.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de door [getuige 8] ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring blijkt dat zij in een zodanige geestelijke toestand verkeerde dat aan de betrouwbaarheid van die verklaring getwijfeld kan worden. Anders is dat echter ten aanzien van de verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 13 februari 2003 tot en met 22 september 2003, te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader(s) voorwerpen, te weten telkens een geldbedrag (tot een totaal geldbedrag van euro 2.336.344,-) van

(door middel van 413 stuks moneytransfers)

op 13 februari 2003 (17 stuks totaal) euro 85.000,- en/of

op 20 februari 2003 (2 stuks totaal) euro 10.000,- en/of

op 27 februari 2003 (1 stuks totaal) euro 2.500,- en/of

op 1 maart 2003 (13 stuks totaal) euro 43.000,- en/of

op 8 maart 2003 (2 stuks totaal) euro 10.000,- en/of

op 12 maart 2003 (10 stuks totaal) euro 47.480,- en/of

op 15 maart 2003 (10 stuks totaal) euro 47.500,- en/of

op 19 maart 2003 (6 stuks totaal) euro 28.500,- en/of

op 27 maart 2003 (21 stuks totaal) 105.000,- en/of

op 28 maart 2003 (22 stuks totaal) euro 110.000,- en/of

op 29 maart 2003 (16 stuks totaal) euro 80.000,- en/of

op 31 maart 2003 (1 stuks totaal) euro 3.000,- en/of

op 01 april 2003 (19 stuks totaal) euro 95.000,- en/of

op 05 april 2003 (24 stuks totaal) euro 120.500,- en/of

op 15 april 2003 (19 stuks totaal) euro 95.000,- en/of

op 19 april 2003 (38 stuks totaal) euro 190.000,- en/of

op 22 april 2003 (4 stuks totaal) euro 22.300,- en/of

op 29 april 2003 (1 stuks totaal) euro 1.850,- en/of

op 02 mei 2003 (4 stuks totaal) euro 24.000,- en/of

op 16 mei 2003 (14 stuks totaal) euro 84.000,- en/of

op 17 mei 2003 (40 stuks totaal) euro 240.000,- en/of

op 19 mei 2003 (18 stuks totaal) euro 116.703,- en/of

op 22 mei 2003 (4 stuks totaal) euro 23.361,- en/of

op 24 mei 2003 (17 stuks totaal) euro 118.750,- en/of

op 27 mei 2003 (27 stuks totaal) euro 190.000,- en/of

op 05 juni 2003 (27 stuks totaal) euro 189.000,- en/of

op 06 juni 2003 (9 stuks totaal) euro 63.900,- en/of

op 07 juni 2003 (27 stuks totaal) euro 190.000,- en/of

voorhanden gehad, overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en

in de periode van 13 februari 2003 tot en met 22 september 2003, te Breda, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte een voorwerpen, te weten telkens een geldbedrag (tot een totaal geldbedrag van 258.520,- Britse ponden) van

(door middel van 384 wisseltranacties)

op 21 juni 2003 (15 stuks totaal) 10.000 britse ponden en/of

op 30 juni 2003 (15 stuks totaal) 10.000 britse ponden en/of

op 15 juli 2003 (05 stuks totaal) 2.520 britse ponden en/of

op 02 augustus 2003 (51 stuks totaal) 35.120 britse ponden en/of

op 26 augustus 2003 (89 stuks totaal) 60.150 britse ponden en/of

op 27 augustus 2003 (148 stuks totaal) 100.000 britse ponden en/of

op 05 september 2003 (61 stuks totaal) 40.730 britse ponden

voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

feit 2

op tijdstippen gelegen in de periode van 13 februari 2003 tot en met 07 juni 2003 te Breda, Western Union moneytransferformulieren,

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte (telkens) valselijk - dat formulier op naam van Y. [mededader 2] als opdrachtgever opgemaakt en (vervolgens) - voorzien van de handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van die Y. [mededader 2], zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

feit 3

op 22 september 2003, te Breda, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 36.910 Britse ponden, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 4

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 1 juni 2002, te Breda tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van (ongeveer) US Dollar 30.000,- voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van dat geldbedrag redelijkerwijze hadden moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de feiten, de rol van verdachte bij de tenlastegelegde feiten, het verband dat de feiten hebben met drugshandel en de gevolgen van die drugshandel voor de maatschappij.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel vrijspraak, en ter zake van de eventueel op te leggen straf slechts opgemerkt dat het een zaak van zeven jaar oud betreft en dat verdachte gedurende die zeven jaar veel heeft moeten doorstaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende een langere tijd en op verschillende manieren beziggehouden met witwassen van geld. Het betrof hierbij aanzienlijke geldbedragen. Het vertrouwen dat in het financiële verkeer kan worden gesteld in financiële documenten, zoals money transfers en bonnen betreffende wisseltransacties, heeft verdachte door zijn handelswijze ernstig geschaad. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de herkomst van gelden wordt verhuld. Zeker in zijn hoedanigheid als postagentschaphouder is dit hem ernstig aan te rekenen.

Daarnaast heeft verdachte een rol gespeeld in het omwisselen van een aanzienlijk geldbedrag dat afkomstig was uit misdrijf. Door aldus te handelen, heeft verdachte misdrijven ondersteund. Als het handelen van verdachte achterwege zou blijven, zou dit het plegen van misdrijven in belangrijke mate bemoeilijken.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte, blijkens zijn strafblad, eerder met justitie in aanraking is geweest maar niet voor soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de hoogte van de bewezen verklaarde bedragen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel aangewezen is. In de termijnoverschrijding vindt de rechtbank echter aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze schending zou hebben opgelegd. Gelet op het tijdsverloop en de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans niet meer opportuun. Op grond daarvan heeft de rechtbank ervoor gekozen om een andere strafmodaliteit aan verdachte op te leggen, te weten een werkstraf. De rechtbank zal daarnaast, om de ernst van de feiten te benadrukken, een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, de maximale werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden met een proeftijd van twee jaar voldoende recht doet aan de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57, 225, 417bis, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 Het beslag

8.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen geldbedragen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat het geldbedrag in euro’s dat bij de Postbank op naam van verdachte is aangetroffen grotendeels door middel van strafbare feiten is verkregen.

Daarnaast is het onder 3 ten laste gelegde feit begaan met betrekking tot de in beslag genomen Engelse ponden.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van een gewoonte maken van witwassen en een gewoonte maken

van witwassen;

feit 2: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 3: witwassen;

feit 4: medeplegen van schuldheling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 308 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag in Engelse ponden en een geldbedrag in euro’s.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gameren, voorzitter, mr. Volkers en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 oktober 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 13 februari 2003 tot en met 22 september 2003, te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (een) voorwerp(en), te weten telkens (een) geldbedrag(en)/geld (tot een totaal geldbedrag van euro 2.336.344,- en/of 258.520,- britse ponden) van

(door middel van 413 stuks moneytransfers en/of 384 wisseltranacties)

op 13 februari 2003 (17 stuks totaal) euro 85.000,- en/of

op 20 februari 2003 (2 stuks totaal) euro 10.000,- en/of

op 27 februari 2003 (1 stuks totaal) euro 2.500,- en/of

op 1 maart 2003 (13 stuks totaal) euro 43.000,- en/of

op 8 maart 2003 (2 stuks totaal) euro 10.000,- en/of

op 12 maart 2003 (10 stuks totaal) euro 47.480,- en/of

op 15 maart 2003 (10 stuks totaal) euro 47.500,- en/of

op 19 maart 2003 (6 stuks totaal) euro 28.500,- en/of

op 27 maart 2003 (21 stuks totaal) 105.000,- en/of

op 28 maart 2003 (22 stuks totaal) euro 110.000,- en/of

op 29 maart 2003 (16 stuks totaal) euro 80.000,- en/of

op 31 maart 2003 (1 stuks totaal) euro 3.000,- en/of

op 01 april 2003 (19 stuks totaal) euro 95.000,- en/of

op 05 april 2003 (24 stuks totaal) euro 120.500,- en/of

op 15 april 2003 (19 stuks totaal) euro 95.000,- en/of

op 19 april 2003 (38 stuks totaal) euro 190.000,- en/of

op 22 april 2003 (4 stuks totaal) euro 22.300,- en/of

op 29 april 2003 (1 stuks totaal) euro 1.850,- en/of

op 02 mei 2003 (4 stuks totaal) euro 24.000,- en/of

op 16 mei 2003 (14 stuks totaal) euro 84.000,- en/of

op 17 mei 2003 (40 stuks totaal) euro 240.000,- en/of

op 19 mei 2003 (18 stuks totaal) euro 116.703,- en/of

op 22 mei 2003 (4 stuks totaal) euro 23.361,- en/of

op 24 mei 2003 (17 stuks totaal) euro 118.750,- en/of

op 27 mei 2003 (27 stuks totaal) euro 190.000,- en/of

op 05 juni 2003 (27 stuks totaal) euro 189.000,- en/of

op 06 juni 2003 (9 stuks totaal) euro 63.900,- en/of

op 07 juni 2003 (27 stuks totaal) euro 190.000,- en/of

(wisseltransacties)

op 21 juni 2003 (15 stuks totaal) 10.000 britse ponden en/of

op 30 juni 2003 (15 stuks totaal) 10.000 britse ponden en/of

op 15 juli 2003 (05 stuks totaal) 2.520 britse ponden en/of

op 02 augustus 2003 (51 stuks totaal) 35.120 britse ponden en/of

op 26 augustus 2003 (89 stuks totaal) 60.150 britse ponden en/of

op 27 augustus 2003 (148 stuks totaal) 100.000 britse ponden en/of

op 05 september 2003 (61 stuks totaal) 40.730 britse ponden

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (die) (een) voorwerp(en), te weten die/dat geldbedrag(en)/geld, gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 13 februari 2003 tot en met 07 juni 2003 te Breda, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) Western Union moneytransferformulier(en),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk - die/dat formulier(en) op naam van Y. [mededader 2] als opdrachtgever opgemaakt en/of (vervolgens) - voorzien van de handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van die Y. [mededader 2], zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

feit 3

hij op of omstreeks 22 september 2003, te Breda, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van euro 50.000,- en/of 36.910 Britse ponden, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijze had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

feit 4

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 1 juni 2002, althans in het jaar 2002, te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van (ongeveer) US Dollar 30.000,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat geldbedrag(en) wist(en), dan wel redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.