Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN9795

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
09/4685
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Baatbelasting

Belanghebbendes pand is 1 van de 540 panden welke op de gemeentelijke riolering zijn aangesloten. Ter zake daarvan is aan belanghebbende een aanslag baatbelasting opgelegd, terwijl dit in 405 van de 540 gevallen achterwege is gebleven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het gebate (buiten)gebied is onderverdeeld in 36 clusters en voor elk cluster is een bekostigingsbesluit vastgesteld. Verweerder heeft geloofwaardig aangevoerd dat er geen fysieke of technische samenhang bestaat tussen de clusters. Samen met de Verordening vormt het bekostigingsbesluit het juridisch kader op grond waarvan baatbelasting wordt geheven. Nu per cluster een bekostigingsbesluit is vastgesteld, is, mede gelet op hetgeen verweerder heeft aangevoerd, geen sprake van gevallen die feitelijk en rechtens vergelijkbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/4685

Uitspraakdatum: 1 oktober 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag baatbelasting opgelegd van € 5.445.

1.2.Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 september 2009 de aanslag gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 30 oktober 2009, ontvangen bij de rechtbank op 2 november 2009, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4.Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010 door de enkelvoudige belastingkamer te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, mr. [gemachtigde], verbonden aan ZLTO te Tilburg, alsmede, namens verweerder, mr. [gemachtigde], tot bijstand vergezeld van mr. [gemachtigde]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 30 juni 2010 door de rechtbank aan partijen is toegezonden.

1.6.Nadat het onderzoek ter zitting werd gesloten heeft de rechtbank een mondelinge uitspraak aangekondigd. Op 30 juni 2010 heeft de rechtbank de zaak op grond van artikel 8:10, vierde lid, van de Awb ter behandeling doorverwezen naar de meervoudige belastingkamer. Ter zitting hadden partijen reeds verklaard dat een tweede mondelinge behandeling in dat geval niet nodig zou zijn. Voorts heeft de rechtbank meegedeeld dat niet mondeling, maar schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

1.7.Bij brief van 27 juli 2010 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de uitspraak niet op 26 juli 2010 maar op 6 september 2010 in het openbaar wordt uitgesproken. Bij brief van 6 september 2010 van de rechtbank aan partijen is die termijn verlengd tot 18 oktober 2010. Bij brief van 15 september 2010 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de uitspraak op 1 oktober 2010 in het openbaar wordt uitgesproken.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.In het door de gemeenteraad van de gemeente Roosendaal (verder: de gemeenteraad) vastgestelde “Gemeentelijk Rioleringsplan 2004-2008” (hierna: het Rioleringsplan) is besloten om de panden in het buitengebied van de gemeente, tot het zogeheten normbedrag behorend bij de wettelijke zorgplicht, aan te sluiten op de riolering. Uiteindelijk zijn op basis van het Rioleringsplan 540 panden op de gemeentelijke riolering aangesloten.

2.2.Het buitengebied is onderverdeeld in zesendertig clusters. De woning van belanghebbende is gelegen in cluster [cluster].

2.3.Op 29 juni 2006 heeft de gemeenteraad het “Aangevuld bekostigingsbesluit riolering buitengebied cluster [cluster]” vastgesteld. Dit besluit is op correcte wijze bekendgemaakt.

2.4.De aanleg van de riolering in cluster [cluster] is aangevangen op 21 augustus 2006 en voltooid op 7 december 2006.

2.5.Bij besluit van 3 juli 2008 heeft de gemeenteraad de “Verordening op de heffing en de invordering van baatbelasting riolering buitengebied cluster [cluster]” (hierna: de Verordening) vastgesteld. Bij besluit van 25 september 2008 heeft de gemeenteraad vastgesteld een Verordening tot wijziging van de Verordening. Daarbij zijn onder meer de peildatum van de baat en de datum van aanvang van de werkzaamheden gewijzigd.

2.6.In zevenentwintig van de zesendertig clusters wordt geen baatbelasting geheven aangezien voor die clusters de Aangevulde bekostigingsbesluiten niet op de juiste wijze waren bekendgemaakt.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1.dient de Verordening onverbindend te worden verklaard in verband met schending van het gelijkheidsbeginsel?

2.dient verweerder aan belanghebbende een schadevergoeding te betalen?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en verweerder ontkennend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zitting hieraan is toegevoegd verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de aanslag en tot veroordeling van verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 20.000.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag

4.1.Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden aangezien 540 panden op de riolering zijn aangesloten en in 405 van deze gevallen heffing van baatbelasting achterwege is gebleven.

4.2.Verweerder voert in dit verband aan dat de gebieden buiten de bebouwde kom zijn verdeeld in 36 clusters en dat ieder cluster bestaat uit een bepaald gedeelte van het buitengebied waarin – gelet op de samenhang van de zich binnen dat cluster bevindende opstallen – een samenhangend geheel van rioleringswerkzaamheden zou worden uitgevoerd. Er bestond volgens verweerder geen fysieke of technische samenhang tussen de verschillende clusters. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen.

4.3.De rechtbank overweegt dat van schending van het gelijkheidsbeginsel sprake kan zijn indien de handelwijze van verweerder leidt tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen en deze ongelijke behandeling het gevolg is van:

•een begunstigend beleid dat niet van toepassing is op belanghebbende, of;

•een oogmerk tot begunstiging van andere gevallen dan dat van belanghebbende, of;

•een begunstigende behandeling van de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen.

Op belanghebbende rust de last te bewijzen dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

4.4.Zoals weergegeven in 4.3, kan schending van het gelijkheidsbeginsel eerst aan de orde komen bij ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Van gelijke gevallen is sprake indien deze gevallen zowel rechtens als feitelijk vergelijkbaar zijn. De rechtbank overweegt dat het vaststellen van een bekostigingsbesluit een formele voorwaarde is om op een later tijdstip een baatbelasting te kunnen invoeren. Ingevolge artikel 222, tweede lid, van de Gemeentewet, dient een bekostigingsbesluit te vermelden in welke mate kostenverhaal plaatsvindt en in welk gebied de gebate objecten zijn gelegen. Aldus vormt het kostenbesluit tezamen met de Verordening het juridisch kader op grond waarvan de gemeente een baatbelasting kan heffen. Nu dit juridisch kader in het onderhavige geval, door het van toepassing zijn van per cluster vastgestelde bekostigingsbesluiten, per cluster verschilt, zijn, mede gelet op het in 4.2 overwogene, gevallen in het ene cluster naar het oordeel van de rechtbank rechtens niet vergelijkbaar met gevallen in de andere clusters.

4.5.Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, gelet op het in 4.4 overwogene, niet aannemelijk gemaakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

4.6.Het gelijk ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag is derhalve aan verweerder.

Ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag

4.7.Belanghebbende stelt dat hij, door mededelingen van verweerder, in de veronderstelling verkeerde dat zijn woning niet zou worden aangesloten op de riolering. Daarom is hij in 2005 begonnen met de aanleg van een zogeheten septic tank. Toen bleek dat belanghebbendes woning toch op de riolering werd aangesloten, diende de septic tank te worden gesloopt en verwijderd. Dit zou een schadepost voor belanghebbende hebben opgeleverd van circa € 20.000.

4.8.De rechtbank overweegt dat een schadevergoeding, ex artikel 8:73 van de Awb, slechts kan worden toegekend indien de rechter het beroep gegrond verklaard. Nu daarvan, op grond van het bovenstaande, geen sprake is, komt belanghebbende niet voor een schadevergoeding op grond van voornoemde bepaling in aanmerking.

4.9.Voor zover belanghebbende verzoekt om vergoeding van schade die hij heeft gelegen als gevolg van een door verweerder gepleegde onrechtmatige daad, ex artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, dient een dergelijk verzoek bij de civiele rechter aanhangig te worden gemaakt en niet bij de belastingrechter.

4.10.Het gelijk ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag is derhalve eveneens aan verweerder.

4.11.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en door de voorzitter en mr. I. van Wijk, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 11-10-2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.