Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN7820

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
21-09-2010
Zaaknummer
10/598
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. De rechtbank vermag niet in te zien dat een op de waardepeildatum aanwezige inpandige garage, die als zodanig in gebruik is, als woonruimte gewaardeerd zou dienen te worden, zoals verweerder voorstaat, uitsluitend op basis van de mogelijkheid dat deze bij de woonruimte getrokken zou kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2481
FutD 2010-2237
Belastingblad 2010/1423

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/598

Uitspraakdatum: 18 augustus 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 15 december 2009, verzonden op 23 december 2009, op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2009.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2010 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede, namens verweerder, [namen].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de vastgestelde waarde tot € 606.390;

-vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig;

-gelast dat verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet WOZ de waarde van de woning, per waardepeildatum 1 januari 2008 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 op € 645.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2009 bekend gemaakt. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de waarde gehandhaafd.

2.2.In geschil is primair of het beroepschrift en het bezwaarschrift tijdig zijn ingediend. Tevens is de waarde van de woning op de waardepeildatum in geschil. Belanghebbende bepleit een waarde van € 557.000. Verweerder persisteert in de door hem vastgestelde waarde.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep

2.3.Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

2.4.De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 15 december 2009. De uitspraak op bezwaar is pas op 23 december 2009 verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 3 februari 2010. Het beroepschrift is gedagtekend 6 februari 2010 en is op 8 februari 2010 door de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dus gelet op artikel 6:9 van de Awb niet tijdig ingediend.

2.5.Belanghebbende heeft echter gesteld dat hij de uitspraak op bezwaar pas op

28 december 2009 heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is het, gelet op de feestdagen, niet uitgesloten dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar inderdaad pas op 28 december 2009 heeft ontvangen. In zo’n geval eindigde de termijn voor het indienen van het beroepschrift op 8 februari 2010. Nu het beroepschrift op de laatstgenoemde datum door de rechtbank is ontvangen, is het beroepschrift tijdig binnengekomen. Het beroep is ontvankelijk.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar

2.6.Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet/voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is voor de dag van bekendmaking. In een dergelijk geval vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die van bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

2.7.De dagtekening van de onderhavige beschikking is zaterdag 28 februari 2009. In het onderhavige geval eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, gelet op de dagtekening van de beschikking en het bepaalde in de Algemene termijnenwet, op maandag 13 april 2009 (de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is). Het bezwaarschrift is volgens verweerder op 8 mei 2009 door hem ontvangen en is derhalve niet tijdig ingediend. Het bezwaarschrift is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

2.8.Belanghebbende heeft gesteld dat hij het bezwaarschrift tijdig per post heeft verzonden. Ter zitting heeft verweerder verklaard en aan de rechtbank en de wederpartij getoond dat er geen poststempel op de enveloppe staat en dat het mogelijk is dat er bij het verwerken van post door TNT-post het een en ander verkeerd is gegaan. De rechtbank is, gelet daarop en gelet op de geloofwaardige verklaring van belanghebbende ter zitting, van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende het bezwaarschrift tijdig ter post heeft aangeboden, nu het bezwaar gedagtekend is op 10 april 2009.

2.9.Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het bezwaarschrift ten onrechte

niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep in zoverre gegrond.

2.10.Indien verweerder de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld indien de rechter zelf in de zaak voorziet (vergelijk Hoge Raad 9 juni 2006, nr. 41.130, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/290).

2.11.In het onderhavige geval hebben partijen zich niet uitgelaten over de vraag of de rechtbank de zaak dient terug te wijzen naar verweerder. De rechtbank is echter van oordeel dat belanghebbende niet in zijn procesbelang wordt geschaad indien de rechtbank de zaak zelf afdoet en verweerder niet opdraagt opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. Redengevend hiervoor acht de rechtbank dat uit de gedingstukken de argumenten van beide partijen voldoende naar voren komen. Ook ter zitting hebben partijen gereageerd op elkaars standpunten met betrekking tot de waarde van de woning. Terugwijzing van de onderhavige zaak zou leiden tot vertraging van het geschil, hetgeen de rechtbank om proceseconomische redenen niet wenselijk acht. Derhalve zal de rechtbank de zaak niet terugwijzen naar verweerder, maar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien.

Met betrekking tot de waarde van de woning

2.12.Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

2.13.Verweerder, op wie te dezen de bewijslast rust van de in geschil zijnde waarde van de woning, heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 29 maart 2010 door [naam], WOZ-taxateur, en ter ondersteuning daarvan gewezen op de opbrengst behaald bij verkoop van een drietal ter vergelijking met de woning opgevoerde objecten (hierna: referentieobjecten). Het taxatierapport is voorzien van beeldmateriaal van zowel de woning als van de referentieobjecten. In het taxatierapport is de waarde van de woning op basis hiervan vastgesteld op € 645.000.

2.14.Vaststaat dat sprake is van een dubbele inpandige garage op souterrainniveau waarvan de totale inhoud 117 m³ bedraagt. De rechtbank vermag niet in te zien dat een op de waardepeildatum aanwezige inpandige garage, die als zodanig in gebruik is, als woonruimte gewaardeerd zou dienen te worden, zoals verweerder voorstaat, uitsluitend op basis van de mogelijkheid dat deze bij de woonruimte getrokken zou kunnen worden. De rechtbank stelt de prijs van de garage per m³ in goede justitie vast op € 225 in plaats van de door verweerder gehanteerde prijs per m³ van € 555. De waarde van de garage wordt derhalve verminderd met € 38.610 (€ 330 (€ 555 - € 225) x 117 m³), zodat de waarde van de woning wordt verminderd tot € 606.390 (€ 645.000 minus € 38.610).

2.15.Voor zover belanghebbende zich nog beroept op de waarde die voor het voorafgaande tijdvak aan zijn woning is toegekend en in samenhang daarmee op de sindsdien opgetreden algemene waardeontwikkeling op de markt voor woningen als de onderhavige, verwerpt de rechtbank dit beroep. De juistheid van die eerder vastgestelde waarde staat thans niet ter beoordeling van de belastingrechter en aan de algemene waardeontwikkeling van woningen kan geen, althans niet voldoende, betekenis worden toegekend voor de waardebepaling van een specifieke woning.

2.16.Belanghebbendes stelling dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is en onzorgvuldig tot stand is gekomen, kan hem niet baten. Volgens vaste jurisprudentie brengt de loop van de procedure in belastingzaken mee dat schending van het motiveringsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, daargelaten of daarvan in het onderhavige geval al sprake zou zijn, alleen tot gevolg heeft dat de rechtbank, zo deze de uitspraak van verweerder bevestigt, verplicht is om zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen.

2.17.Voor zover belanghebbende stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase, verwerpt de rechtbank dit beroep. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de AWR, wordt een belanghebbende in belastingzaken, in afwijking van artikel 7:2 van de Awb, slechts gehoord op zijn verzoek. Dat belanghebbende een dergelijk verzoek in de bezwaarfase heeft gedaan, is niet gesteld en kan ook niet uit de gedingstukken worden afgeleid.

2.18.Belanghebbendes stelling dat verweerder van een onjuiste inhoud is uitgegaan, wordt door de rechtbank verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank dient bij het vaststellen van de inhoud van de onroerende zaak te worden uitgegaan van de bruto inhoudsmaten (buitenmaten) in plaats van de – door belanghebbende gehanteerde – netto inhoudsmaten (binnenmaten). Nu verweerder bij de berekening van de inhoud van de woning in het verweerschrift uitgegaan is van de bruto inhoudsmaten en aannemelijk is dat hij de inhoud van de kruipruimte niet heeft meegenomen, zal de rechtbank voor de waardering van de woning ook aansluiten bij de inhoudsmaten zoals deze zijn vastgesteld door verweerder. Voorts heeft de rechtbank geen aanwijzing dat de inhoud van de woning door verweerder onjuist is bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de inhoud van de woning 900 m3 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de inhoud gelijk te stellen aan de door verweerder, naar aanleiding van een verkoopadvertentie,

herrekende inhoud.

2.19.De stelling van belanghebbende dat de twee dakkapellen van de woning op € 1.750 per stuk worden gewaardeerd terwijl bij de referentieobjecten een prijs wordt gehanteerd van € 1.000 per meter dakkapel, faalt naar het oordeel van de rechtbank. Hiertegen heeft verweerder onbestreden aangevoerd dat de lengte van een dakkapel bij belanghebbende op afgerond 2 m uitkomt en dat die bij de referentieobjecten op afgerond 4 m of langer uitkomen. Bij het bepalen van de prijs per dakkapel heeft verweerder voldoende rekening gehouden met het principe van het afnemend grensnut, hetgeen inhoudt dat de waarde van een meter dakkapel afneemt naarmate de lengte toeneemt. De prijs per dakkapel is derhalve juist vastgesteld.

2.20.Tenslotte heeft belanghebbende gesteld dat de referentieobjecten aan de [adres A] niet met de woning vergelijkbaar zijn. Deze objecten zouden in een wijk met uitsluitend vrijstaande villa’s en bungalows liggen. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling van belanghebbende geen doel treft, nu die referentieobjecten evenals de woning vrijstaande objecten zijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat die referentieobjecten kort vóór of kort na de waardepeildatum zijn verkocht en wat type, bouwjaar, ligging, en onderhoudstoestand betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Uit de gedingstukken en de toelichting ter zitting blijkt dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de verschillen in type, ouderdom, ligging, kwaliteit en oppervlakte tussen die referentieobjecten en de woning. In dit kader merkt de rechtbank op dat het vorenoverwogene tevens geldt voor het referentieobject aan de [adres B] dat ook met de woning vergelijkbaar is.

2.21.De rechtbank overweegt dat belanghebbende de door hem voorgestane waarde van € 557.000 niet met een taxatierapport van een deskundige of andere bewijsmiddelen van gelijk gewicht heeft onderbouwd. Daarnaast komt een dergelijke waarde de rechtbank te laag voor.

2.22.Hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een verdere verlaging van de waarde van de woning.

2.23.Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond verklaard, nu belanghebbendes bezwaar ten onrechte niet- ontvankelijk is verklaard. Het bezwaar is gegrond verklaard. De waarde van de woning wordt verminderd tot € 606.390. De aanslag onroerende-zaakbelastingen wordt dienovereenkomstig verminderd.

2.24.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Aldus gedaan door mr. D. Hund, rechter, en door deze en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 26 augustus 2010

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.