Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN7815

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-09-2010
Datum publicatie
21-09-2010
Zaaknummer
08/66
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV7606, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart de verordening op de heffing en de invordering van rioolafvoerrecht van de gemeente Roosendaal onverbindend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1490
FutD 2010-2238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/66

Uitspraakdatum: 1 september 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaatsnaam],

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Verweerder heeft aan belanghebbende, toen genaamd [oude naam belanghebbende] voor het jaar 2003 een aanslag rioolafvoerrecht opgelegd tot een bedrag van € 224.867,31. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

1.2.Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 november 2007 de aanslag gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 4 januari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 7 januari 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285.

1.4.Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende [namen], alsmede namens verweerder [namen].

1.7.Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen het overleggen van de stukken van verweerder. Verweerder verzoekt om tardiefverklaring van het stuk van belanghebbende.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 2 juli 2009 aan partijen is gestuurd.

1.8.De rechtbank heeft het onderzoek heropend en daarbij partijen gevraagd te reageren op de uitspraak van de Hoge Raad van 10 april 2009, met nummer 43 747 gepubliceerd op rechtspraak.nl LJN: BC3691. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.9.Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10.Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.11. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2010 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende [namen], alsmede namens verweerder [namen].

1.13.Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 7 november 2002 stelde de raad van de gemeente Roosendaal de “Verordening op de heffing en de invordering van rioolafvoerrecht” (hierna: de verordening) vast. De verordening houdt, voor zoveel hier van belang, het volgende in:

“Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht

1. Onder de naam "rioolafvoerrecht" wordt een recht geheven van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Met betrekking tot het recht, als bedoeld in het eerste lid, wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

(...)

HOOFDSTUK 3-RIOOLAFVOERRECHT GROOT-EIGENDOM-

Artikel 11 Maatstaf van heffing

1. Het recht wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd.

2. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in het heffingstijdvak naar het eigendom is toegevoerd en/of opgepompt.

(...)

4. Indien de gebruiker in de waterverbruikende procesindustrie doet blijken, dat meer dan 10% van de hoeveelheid toegevoerd en/of opgepompt water niet als afvalwater is afgevoerd doch in het productieproces is opgenomen, wordt op aanvraag de op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd en/of opgepompt water dienovereenkomstig verminderd.

Artikel 12 Belastingtarieven

1. Het recht als bedoeld in artikel 2, lid 1, bedraagt per eigendom per heffingstijdvak € 169,20

2. Het recht als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt bij een afvoer van:

(...)

- 100000 m3 water of meer, vermeerderd met € 56.444,00 alsmede met een bedrag van € 0,31 per m3 water voor de afvoer boven 100000 m3.

Artikel 13 Heffingstijdvak

1. Het belastingjaar is in de gevallen waarin de heffing plaatsvindt door middel van de afrekeningen van het energiegebruik de verbruiksperiode, zoals die voor de betrokken belastingplichtige voor het desbetreffende eigendom geldt;

2. Indien geen water wordt afgenomen door het energiebedrijf, is het heffingstijdvak gelijk aan het kalenderjaar.

(…)

Artikel 15 Wijze van heffing

1. Het recht wordt geheven bij wege van aanslag.”

De verordening is gepubliceerd in het gemeenteblad van de gemeente Roosendaal van 22 november 2002.

2.2.Voor het rioolafvoerrecht bedragen de geraamde opbrengsten voor het onderhavige jaar:

Opbrengst belastingen en heffingen € 6.406.400

Bestandsbeheer (-/-) € 44.634

Doorberekende personeels- en kantoorkosten (-/-) € 17.762

Kosten van de invordering (-/-) € 19.020

Totaal € 6.324.984

Voor het onderhavige jaar bedragen de geraamde lasten:

Gemeentelijk rioleringsplan € 124.108

Opst./actual. Basisrioleringsplan € 90.615

Rioolreiniging € 93.780

Rioolinspectie € 90.034

Rioolrenovatie/-reparatie € 603.079

Klachtenafhandeling € 37.583

Rioolbeheer € 260.352

Aansl/ontstop tbv 3 verhaalb € 61.751

Aansl/ontstop tbv 3 niet verhaalb € 3.845

Riolen en rioolgemalen alg. € 4.325.924

Plaatsing urinoirs € 10.576

Pomp- en drainagegemalen € 231.900

Minigemalen (Drukrioolgem) € 130.764

Stortrechten € 260.673

Totaal € 6.324.984

Bij de begroting wordt de post "Kapitaallasten" voor een bedrag van € 1.360.969 vermeld. Bij de bepaling van de hiervoor genoemde geraamde opbrengsten en geraamde lasten is die post niet als zodanig meegenomen.

Het onderdeel "Riolen en rioolgemalen alg." betreft onder meer de volgende posten:

"Stelp kap.last.riol.buitengeb." € 42.490

"Storting reserves/voorzieningen" € 2.038.418

"Storting in BTW compensatiefds" € 545.113

Bij de onderdelen "Rioolrenovatie/-reparatie" en "Riolen en rioolgemalen alg." zijn gesaldeerde posten opgenomen. Gesaldeerd is met opbrengsten van derden en met bespaarde rente ("Rente eigen financ.middelen") van respectievelijk € 56.654 en € 121.958.

2.3. Belanghebbende heeft als gebruiker met betrekking tot de verbruiksperiode 2002/2003 vanuit het eigendom [adres] een hoeveelheid afvalwater van 643.301 m3 op het gemeentelijke riool geloosd. Deze hoeveelheid afvalwater is gebaseerd op het door belanghebbende zelf ingevulde inlichtingenformulier: 544.620 m3 water ingenomen via Brabant Water, het oppompen van 218.458 m3 water met behulp van een eigen watervoorziening en een verbruik van water in het productieproces van belanghebbende van 119.777 m3. Op basis van die hoeveelheid geloosd afvalwater is aan belanghebbende de onderwerpelijke aanslag opgelegd.

3.Geschil

3.1.Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zittingen is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

I. Is de verordening onverbindend nu er sprake is van volstrekte onzorgvuldigheid bij de opbrengstenraming en tariefstelling, dan wel het kostenverhaal onjuist dan wel niet inzichtelijk en controleerbaar is?

II.Zijn de posten "Gemeentelijke rioleringsplan" (GRP), "Opst./actual. Basisrioleringsplan" (BRP), "Storting reserves/voorzieningen" en "Storting in BTW compensatiefds" terecht als geraamde lasten in aanmerking genomen?

III.Moeten de onterecht verhaalde posten leiden tot onverbindendverklaring van de verordening?.

Belanghebbende beantwoordt deze eerste en derde vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. Verweerder beantwoordt die vragen in tegengestelde zin met de kanttekening dat de post "Stelp kap.last.riol.buitengeb." niet als geraamde last in aanmerking kan worden genomen en dat daarom de aanslag in ieder geval moet worden verminderd tot € 223.405,67.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zittingen hieraan is toegevoegd wordt verwezen naar de processen-verbaal van de zittingen.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot € 223.405,67.

4.Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.Belanghebbende voert aan dat de verweerder hem in bezwaar in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord. Belanghebbende heeft ter eerste mondelinge behandeling de rechtbank echter verzocht zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal dat doen.

4.2.Op de verschillende verzoeken om tardiefverklaring van beide partijen beslist de rechtbank, in aanvulling op de beslissing genomen tijdens de eerste mondelinge behandeling afwijzend. Met betrekking tot de tijdens de tweede mondelinge behandeling door belangebbende ingenomen stelling betreffende de totstandkoming van de verordening is ter zitting door de rechtbank aan verweerder verzekerd dat deze op die stelling mag reageren indien die stelling voor de beslissing van belang zal zijn. Nu die stelling voor de beslissing niet van belang is, de rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat de verordening op correcte wijze tot stand is gekomen, en partijen overigens in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om op de late stukken en stellingen te reageren, zijn partijen niet geschaad in hun procesbelang door het late moment waarop die stukken en stellingen zijn ingediend dan wel zijn ingenomen.

Materieel

4.3.1.Artikel 229 en 229b van de Gemeentewet luiden voor het onderhavige jaar als volgt:

"Artikel 229

1.Rechten kunnen worden geheven ter zake van:

a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

c. het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt.

2. Voor de toepassing van deze paragraaf en de eerste en vierde paragraaf van dit hoofdstuk worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen.

Artikel 229b

1.In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

2.Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:

a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;

b. de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds."

4.3.2.De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 10 april 2009, met nummer 43 747, onder meer het volgende beslist:

"3.3.2. In het onderhavige geval is strijd met het voorschrift van artikel 229b, lid 1, van de Wet ontstaan doordat in de raming van de lasten van de inzameling van bedrijfsvuil één of meer posten zijn opgenomen die niet, althans niet volledig dienen ter dekking van de kosten van deze inzameling. In zo'n geval geldt in beginsel dat de tariefstelling in de gemeentelijke verordening slechts partieel onverbindend is, namelijk voor zover - nadat uit de lastenraming de (gedeelten van) posten zijn geëlimineerd die daarin ten onrechte zijn opgenomen - de geraamde baten uitgaan boven de geraamde lasten. Van algehele onverbindendheid is echter sprake indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de desbetreffende post(en) (in zoverre) niet diende(n) ter dekking van de kosten waarvoor het recht of de rechten op grond van artikel 229, lid 1, letters a en b, van de Wet en de desbetreffende verordening mochten worden geheven, en bovendien (b) na de eliminatie van de desbetreffende bedragen uit de lastenraming, de geraamde baten in betekenende mate uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten."

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 24 april 2010, nummer 07/12961, gepubliceerd op rechtspraak.nl LJN: BI1968 onder meer het volgende beslist:

"3.1. Het Hof heeft de rioolrechtverordening waarop de onderhavige aanslag berust onverbindend geoordeeld op de grond dat de heffingsambtenaar, op wie naar het oordeel van het Hof de last rust te bewijzen dat de heffing is gebaseerd op inzichtelijke en controleerbare gegevens, niet in haar bewijslast ter zake is geslaagd. Als gevolg hiervan is, aldus het Hof, niet te beoordelen of de tarieven zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten van het rioolafvoerrecht niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

3.2.1. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte middelen III en IV dient het volgende te worden vooropgesteld. Een geschil over, kort gezegd, limietoverschrijding wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot de hierna te omschrijven (verzwaarde) eisen aan de motivering die de heffingsambtenaar geeft voor zijn betwisting dat de limiet is overschreden.

3.2.2. Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde "lasten ter zake" hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen.

3.2.3. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een "last ter zake", dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen.

3.2.4. Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake". Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden.

3.2.5. Indien de belanghebbende wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, en de heffingsambtenaar deze stelling van de belanghebbende betwist, komt bewijslevering aan de orde.

In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij inroept (onverbindendheid van de verordening). Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden die hiervoor in 3.2.4 is omschreven, en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden."

4.4.Gezien de oordelen van de Hoge Raad in bovenvermelde arresten kan een mogelijke onzorgvuldigheid bij de opbrengstenraming en tariefstelling, dan wel een niet inzichtelijk en controleerbaar kostenverhaal op zich zelf beschouwd niet leiden tot een onverbindendverklaring van de verordening waarbij de kosten van het riool op de gebruikers van dat riool worden verhaald. De rechtbank beantwoordt de eerste in geschil zijnde vraag, ongeacht of de daarbij gestelde gebreken zich daadwerkelijk voordoen, daarom ontkennend.

4.5.Met betrekking tot de post "Storting reserves/voorzieningen" ten bedrage van € 2.038.418 merkt de rechtbank het volgende op. Vaststaat dat ten laste van deze reserve ondermeer het Visriool Westrand en de retentievijver Vlekkenstraat zijn gerealiseerd. Tevens staat vast dat het hierbij om uitbreidingsinvesteringen gaat. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de gehele reserve bestemd is voor onderhoud van het bestaande riool. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat uit de begroting blijkt dat het onderhoud van het riool uit andere posten van die begroting wordt gefinancierd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat belanghebbende tegenover de betwisting door verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat deze reserve is bestemd om uitbreidingsinvesteringen te financieren. Het feit dat de reserve in omvang vanaf 2003 toeneemt in samenhang met het feit dat het onderhoud met andere posten uit de begroting wordt gefinancierd is daarvoor eveneens een aanwijzing. Hetgeen verweerder daartegen heeft aangevoerd kan niet leiden tot een andere conclusie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de post "Storting reserves/voorzieningen" niet kan worden aangemerkt als een "last ter zake" van het riool in de zin van artikel 229b voornoemd. Gezien de omvang van deze post laat de rechtbank de vraag of de overigens bij de tweede in geschil zijnde vraag genoemde posten "last ter zake" zijn onbeantwoord.

4.6.Niet in geschil is dat de "Stelp kap.last.riol.buitengeb." ten bedrage van € 42.490 niet als "last ter zake" in aanmerking komt, hetgeen de rechtbank juist acht. En op grond van het in 4.5 overwogene komt de post "Storting reserves/voorzieningen" tot een bedrage van € 2.038.418 evenmin als "last ter zake" in aanmerking nu het daar gaat om uitbreidingsinvesteringen. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 2.080.908 (€ 42.490 plus € 2.038.418) dat niet als "last ter zake" in aanmerking komt. De rechtbank is voorts van oordeel dat de geraamde baten van € 6.324.984 dan de gecorrigeerde geraamde lasten van € 4.244.076, (zijnde € 6.324.984 minus € 2.080.908) in betekenende mate overschrijden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verordening algeheel onverbindend is.

4.7.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

5.1.Belanghebbende verzoekt tijdens de eerste mondelinge behandeling om een integrale kostenvergoeding.

Nu verweerder zich hiertegen verzet en belanghebbende dit verzoek niet nader heeft onderbouwd en geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de rechtbank kan afwijken van het bepaalde in het eerste lid van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), zal de rechtbank niet aan dat verzoek voldoen.

5.2.De rechtbank vindt aanleiding de verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.127 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, ½ punt voor de schriftelijke uiteenzetting 1½ punt voor het verschijnen ter zittingen met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de aanslag;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.127;

-gelast dat verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 285 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen , voorzitter, mr. M.L. Weerkamp en mr. drs. M.M. de Werd, rechters, en door de voorzitter ondertekend. De griffier, mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 15 september 2010

Deze uitspraak hoeft pas te worden uitgevoerd als die onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als binnen zes weken na verzending van de uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.