Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2010:BN6039

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
07-09-2010
Zaaknummer
02/627769-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van openlijk geweld, vrijspraak valse aangifte.

Salduzverweer aangenomen, leidt tot bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/627769-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsvrouwe mr. N. van Vliet, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De kinderrechter heeft de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juni 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Jordaan, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen [slachtoffer] in het openbaar heeft geslagen en geschopt en ook geweld heeft toegepast op de schoenen en fiets [slachtoffer] dan wel samen met anderen die [slachtoffer] heeft mishandeld;

feit 2: valse aangifte heeft gedaan dat hij bedreigd is door [mededader 1].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de openlijk geweldpleging tegen [slachtoffer], zijn schoenen en zijn fiets wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich hierbij op de aangifte van [slachtoffer], de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en de verklaring van medeverdachten [mededader 2] en [mededader 1].

De officier van justitie acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een valse aangifte heeft gedaan van bedreiging door [mededader 1]. Zij baseert zich hierbij op het proces-verbaal bevindingen d.d. 2 november 2009 en de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De verklaring van verdachte afgelegd op 20 augustus 2009 dient van het bewijs te worden uitgesloten omdat de Salduz-normen zijn geschonden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 18 augustus 2009 contact opgenomen met de politie om aangifte te doen tegen [mededader 1], omdat hij door [mededader 1] zou zijn bedreigd op 18 augustus 2009. Deze aangifte is gedateerd 19 augustus 2009, 00.30 uur. Deze aangifte heeft verdachte gedaan in bijzijn van zijn moeder. Op 20 augustus 2009, in de vroege ochtend, heeft de politie verdachte van het bed gelicht om hem te horen als verdachte.

De richtlijnen ten aanzien van het consultatie- en bijstandsrecht van minderjarige waren er nog niet ten tijde van het verhoor van verdachte.

In het proces-verbaal bevindingen d.d. 2 november 2009 staat vermeld dat verdachte meerdere malen is voorgehouden dat zijn ouders of een raadsman bij het verhoor aanwezig konden zijn en dat hij, verdachte, heeft aangegeven dat hij dat niet op prijs stelde.

De rechtbank acht de volgende omstandigheden van belang:

- verdachte was ten tijde van het verhoor slechts 13 jaar oud;

- hij had een blanco strafblad;

- hij heeft op 19 augustus om 00.30 uur ’s nachts aangifte gedaan waarbij zijn moeder de gehele tijd aanwezig is geweest;

- hij is op 20 augustus om 06.00 uur door de politie van van zijn bed gelicht om als verdachte gehoord te worden, waarbij de ouders kennelijk niet zijn meegegaan naar het politiebureau.

Gelet op deze omstandigheden, waarbij met name de jonge leeftijd van verdachte een prominente rol speelt, had naar het oordeel van de rechtbank niet mogen worden volstaan met de constatering dat verdachte afzag van het recht op bijstand; ook niet nadat hem dit meermalen nadrukkelijk was gevraagd. Verdachte was op dat moment onvoldoende in staat om de consequenties van deze keuze te overzien. Hiermee zijn de Salduz-normen geschonden en zal de rechtbank de verklaring van verdachte van 20 augustus 2009 buiten beschouwing laten.

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van openlijke geweldpleging . Hij had op 18 augustus 2009 afgesproken met [voornaam] [mededader 1] bij de skatebaan. Daar aangekomen bleken ook [verdachte], [voorvoegsel] [mededader 2] en [mededader 3] aanwezig te zijn. Volgens [slachtoffer] werd hij door [mededader 1] in zijn rug geschopt. Ook verdachte begon met zijn vuisten te slaan en te schoppen.

Het groepje heeft zich vervolgens verplaatst waarbij [slachtoffer] te horen kreeg dat hij moest lopen, anders zou een mes tussen zijn ribben gestoken worden. Vervolgens is hij weer door [mededader 1] en verdachte tegen de armen en benen geschopt en geslagen. Toen [slachtoffer] riep om het niet te doen moest hij stil zijn of anders kreeg hij een mes tussen zijn ribben.

Vervolgens moest [slachtoffer] zijn schoenen uit doen, waarna verdachte en medeverdachte [mededader 3] de schoenen overgooiden en ook naar de hond van [mededader 3] gooiden. De hond heeft de schoenen kapot gebeten en verdachte heeft in de schoenen geplast. Toen [slachtoffer] de schoenen weer terug had, moest hij ze weer aantrekken terwijl hij dat niet wilde. Dit heeft hij toch gedaan, omdat hij bang was om weer geslagen te worden. Toch werd [slachtoffer] weer geslagen door verdachte en [mededader 1]. Door [mededader 2] is hij vervolgens een keer tegen het hoofd getrapt. [slachtoffer] heeft verder gezien dat [mededader 1] de voorlamp van zijn fiets heeft afgebroken.

Tegen [slachtoffer] werd nog gezegd dat als hij de politie zou waarschuwen, ze hem dood zouden maken of een mes tussen zijn ribben zouden steken. [slachtoffer] vluchtte door over een hek te klimmen, waarbij zijn broek kapot scheurde.

[slachtoffer] heeft in een aanvulling verder verklaard dat [mededader 1] alle bedreigingen heeft geuit. Ook heeft hij [mededader 1] naar hem horen roepen dat als hij de politie er bij zou halen, hij een kogel door zijn hoofd zou krijgen. [slachtoffer] moest bovendien de voeten van verdachte kussen, anders zou hij klappen krijgen. Tenslotte moest [slachtoffer] de blote kont van [mededader 1] kussen. Hier werden opnames van gemaakt met een mobiele telefoon. [slachtoffer] heeft verdachte, [mededader 1] en [mededader 2] naar de hond horen roepen “Bijt hem”.

De aangifte en aanvullende verklaring van [slachtoffer] wordt door medeverdachte [mededader 1] op de volgende punten bevestigd.

[mededader 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op de grond heeft gegooid, dat hij hem vier keer heeft geschopt en dat verdachte met de vuisten heeft geslagen tegen de bovenarm en borstkas van [slachtoffer]. Toen ze naar een uitlaatplaats voor honden waren gelopen hebben [mededader 1] en verdachte hard getrapt tegen de armen en benen van [slachtoffer]. Vervolgens heeft verdachte de schoenen van [slachtoffer] naar de hond van [mededader 3] gegooid. Verdachte heeft nog in één van de schoenen geplast en [slachtoffer] moest de schoenen daarna weer aandoen. [slachtoffer] moest daarna de kont kussen van [mededader 1], die zijn broek naar beneden had gedaan, en dit is ook gefilmd. Ook [mededader 2] heeft [slachtoffer] getrapt en wel tegen het hoofd.

Verdachte heeft de hond bij [slachtoffer] gehouden en gezegd “pak hem”. Verdachte, [mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3] hebben daarna nog gevoetbald met de koplamp van de fiets van [slachtoffer]. Op het laatst is nog tegen [slachtoffer] gezegd dat hij zou worden afgemaakt als hij iets zou gaan zeggen.

Ook [voorvoegsel] [mededader 2] heeft de aangifte van [slachtoffer] op verschillende punten bevestigd . Hij heeft verklaard dat [mededader 1] en verdachte [slachtoffer] hebben geschopt en geslagen. Hijzelf heeft [slachtoffer] tegen het hoofd geschopt.

Gelet op de genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer], zoals onder 1 primair, ten laste is gelegd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij mee gedaan heeft aan het geweld tegen [slachtoffer] omdat hijzelf werd bedreigd door medeverdachte [voornaam] [mededader 1].

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer moet worden verworpen omdat uit het dossier niet blijkt van deze bedreiging. De medeverdachten verklaren hier niet over en aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte niet werd bedreigd door [mededader 1].

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen.

De verklaring van verdachte d.d. 20 augustus 2009 wordt uitgesloten van het bewijs omdat de Salduz-normen zijn geschonden. Het proces-verbaal bevindingen d.d. 2 november 2009, waarin het verhoor van verdachte d.d. 20 augustus 2009 is vastgelegd, kan derhalve ook niet tot bewijs dienen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten lastegelegde wegens gebrek aan bewijs.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 primair:

op 18 augustus 2009 te Breda met anderen, aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en de schoenen en de fiets van die I. [slachtoffer],

welk geweld bestond uit

- het slaan en stompen en schoppen of trappen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en

- het op de grond gooien van voornoemde [slachtoffer] en

- het plassen in de schoenen van voornoemde [slachtoffer] en het laten bijten

van een hond in de schoenen van voornoemde [slachtoffer] en het vervolgens

dwingen van [slachtoffer] om deze schoenen aan te trekken en

- het dwingend en/of bedreigend vragen aan voornoemde [slachtoffer] om de

blote kont van P. [mededader 1] en de voeten van [mededader 3] te kussen en/of deze

handelingen te filmen met een mobiele camera en

- het dreigend houden van een hond voor het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en het ophitsen van de hond om voornoemde [slachtoffer] te bijten en

- het gooien van de fiets van [slachtoffer] in de bosjes en het afbreken

en trappen van/tegen de koplamp van die fiets;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

De raadsvrouwe bepleit ontslag van alle rechtsvervolging. Er was sprake van een dermate grote dwang op verdachte door de bedreiging van [voornaam] [mededader 1], dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt niet van bedreiging van verdachte door [mededader 1]. Ook de verklaringen van de medeverdachten [mededader 2] en [mededader 3] geven op geen enkele wijze blijk van zodanige dwang op verdachte dat hij daaraan geen weerstand kon bieden.

Uit het dossier blijkt derhalve onvoldoende van bedreiging van verdachte door medeverdachte [mededader 1], zodat het beroep op psychische overmacht moet worden verworpen.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor de feiten 1 en 2 een werkstraf van 120 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe bepleit een voorwaardelijke taakstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] en zijn spullen. Om [slachtoffer] een lesje te leren heeft verdachte samen met drie anderen de fiets en de schoenen van [slachtoffer] vernield en hem langdurig mishandeld en bedreigd. Ze hebben tevens het slachtoffer zwaar vernederd. Het slachtoffer moest zijn schoenen uittrekken en nadat een hond ze kapot had gebeten, heeft verdachte erin geplast, waarna het slachtoffer ze weer aan moest trekken. Een medeverdachte heeft zijn broek uitgetrokken en het slachtoffer moest zijn billen kussen. Ook moest het slachtoffer de voeten van verdachte kussen. Deze vernederingen zijn gefilmd. De handelingen zijn voor het slachtoffer vreselijk vernederend geweest. Er wordt door leeftijdgenoten nog steeds over gesproken, zodat het slachtoffer het gebeuren nog niet achter zich kan laten. Uit het voegingsformulier benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer nog steeds met het gebeuren wordt gepest.

De rechtbank is door deze handelingen ernstig geschokt. Niet alleen door het langdurig mishandelen van het slachtoffer maar met name door de ernstige vernederingen die hij heeft moeten doorstaan.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een rapport uitgebracht over verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte zich op alle leefgebieden goed lijkt te ontwikkelen. Wel wordt verdachte negatief beinvloed vanuit de groep waarin hij zich bevindt.

De Raad adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de zeer jeugdige leeftijd van verdachte, ten tijde van het feit was hij pas 13 jaar, en met het gegeven dat hij een blanco strafblad heeft. Tevens houdt de rechtbank er rekening mee dat de rol van verdachte in het geheel beperkter is geweest dan de rol van de medeverdachte [mededader 1].

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2. Nu de rechtbank alleen feit 1 bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De raadsvrouwe heeft een geheel voorwaardelijke straf gepleit maar daar vindt de rechtbank het feit te ernstig voor.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 80 uur voor het bewezene passend en geboden is. Anders dan de Raad voor de Kinderbescherming en de officier van justitie zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel opleggen nu de rechtbank ervan uitgaat dat het gepleegde feit een eenmalige misstap van verdachte is geweest.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 172,= voor feit 1.

Nu verdachte ten tijde van het feit de leeftijd van 14 jaar nog niet had bereikt kan hem het feit niet als onrechtmatige daad worden toegerekend. De vordering van de benadeelde partij dient daarom te worden afgewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie;

Benadeelde partijen

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt afgewezen;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.07)

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. De Graaf en mr. Schoonen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Persoons, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 18 augustus 2009 te Breda met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, Burgstsedreef en/of de Nicoline Swygmanstraat, in elk

geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen [slachtoffer] en/of de schoenen en/of de fiets van die I. [slachtoffer],

welk geweld bestond uit

- het meermalen, in elk geval eenmaal slaan en/of stompen en/of schoppen en/of

trappen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of

- het meermalen, in elk geval eenmaal op de grond gooien van voornoemde [slachtoffer] en/of

- het plassen in de schoenen van voornoemde [slachtoffer] en/of het laten bijten

van een hond in de schoenen van voornoemde [slachtoffer] en/of het (vervolgens)

dwingen van [slachtoffer] om deze schoenen aan te trekken en/of

- het (dwingend en/of bedreigend) vragen aan voornoemde [slachtoffer] om de

(blote) kont van P. [mededader 1] en/of de voeten van [mededader 3] te kussen en/of deze

handelingen te filmen met een mobiele camera en/of

- het (dreigend) houden van een hond voor het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of het ophitsen van de hond om voornoemde [slachtoffer] te bijten en/of

- het gooien van de fiets van [slachtoffer] in de bosjes en/of het afbreken

en/of trappen van/tegen de koplamp van die fiets;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 augustus 2009 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te

weten [slachtoffer]) meermalen, althans eenmaal heeft geslagen en/of geschopt

en/of geduwd, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 augustus 2009 te Breda aangifte heeft gedaan dat een

strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers

heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van ambtenaar van de politie Midden

en West Brabant, team Noodhulp Breda, genaamd [naam ambtenaar] opzettelijk in

strijd met de waarheid aangifte gedaan van bedreiging met enig misdrijf tegen

het leven gericht, met wapen, (beweerdelijk) gepleegd door [mededader 1];

art 188 Wetboek van Strafrecht